Zoekresultaten 10461-10470 van de 48210 resultaten

  • ECLI:NL:TADRAMS:2022:136 Raad van Discipline Amsterdam 21-854/A/A

    Ongegrond verzet

  • ECLI:NL:TGZRZWO:2022:101 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Zwolle Z2021/3457

    Klager, geboren in 1985, neemt op zondag (18 juli 2021) telefonisch contact op met de huisartsenpost vanwege pijn in de linkerarm en een drukkend gevoel op de borst. Hij geeft aan de telefoniste aan dat hij rookt en dat zijn vader hartpatiënt is en dat hij het aan hem voorgeschreven medicijn Crestor sinds lange tijd niet meer gebruikt. Klager wordt binnen een uur op de huisartsenpost gezien door beklaagde. Tijdens dit consult geeft klager desgevraagd aan dat hij geen last meer heeft van een drukkend gevoel op zijn borst, benauwdheid of hartkloppingen. Beklaagde heeft klager vervolgens een anamnese afgenomen en lichamelijk onderzoek verricht. Op basis hiervan heeft beklaagde, mede gelet op de relatief jonge leeftijd van klager, de klachten geduid als laterale epicondylitis (tennisarm).Omdat beklaagde had begrepen dat klager geen eigen huisarts had heeft ze hem geadviseerd om de volgende dag via de Dagwaarneming een huisarts te zoeken in verband met zijn voorgeschiedenis en het feit dat hij rookt. Deze huisarts zou dan eveneens het medicijn Crestor weer kunnen voorschrijven.Op dinsdag 20 juli 2021 is klager naar zijn eigen huisarts gegaan die hij wel bleek te hebben. Er is onderzoek verricht en naar aanleiding van de uitslagen van deze onderzoeken is klager op donderdag 22 juli 2021 met spoed in het ziekenhuis opgenomen. Er is een stent geplaatst in de linker kransslagader.Klager verwijt beklaagde dat zij zijn klachten niet serieus heeft genomen, een verkeerde diagnose heeft gesteld, het medicijn Crestor niet heeft voorgeschreven en hem niet direct heeft doorverwezen naar de cardioloog. Het college verklaart de klacht in al haar onderdelen ongegrond.

  • ECLI:NL:TADRAMS:2022:130 Raad van Discipline Amsterdam 21-1009/A/A 21-1010/A/A

    Raadsbeslissing. Klacht over verweerders die als advocaten een feitenonderzoek hebben verricht en bijbehorend rapport hebben opgesteld is niet-ontvankelijk. Klager had het betreffende rapport van 23 november 2014 sinds oktober 2015 in zijn bezit. In oktober 2015 had klager op basis van de informatie waarover hij via zijn toenmalige advocaat beschikte in combinatie met de inhoud van het rapport al kunnen beoordelen of verweerders volgens hem als onafhankelijk onderzoekers zijn opgetreden bij het opstellen van het rapport, of verweerders in dat rapport een verkeerd beeld van de gang van zaken hadden geschetst, of verweerders hem in het kader van hun onderzoek niet hadden gehoord en of verweerders onjuistheden/onvolledigheden in het rapport hadden vermeld. Dat klager nog geen juridische duiding aan het rapport kon geven, doet daar niet aan af. De informatie waar klager later, in 2018 en 2019, nog kennis van heeft genomen, was niet noodzakelijk om in oktober 2015 een klacht over verweerders te kunnen formuleren. Klager had zijn klacht over het handelen dan wel nalaten van verweerders dan ook uiterlijk in oktober 2018 bij de deken moeten indienen. Klager heeft hiermee echter gewacht tot 22 mei 2019 en toen was de vervaltermijn van drie jaar als bedoeld in artikel 46g lid 1 onder a Advocatenwet al verlopen. De uitzonderingsgrond van artikel 46g lid 2 Advocatenwet is hier niet van toepassing en het is ook overigens niet gebleken dat sprake is van (zeer) bijzondere omstandigheden op grond waarvan de termijnoverschrijding toelaatbaar (verschoonbaar) zou kunnen worden geacht.

  • ECLI:NL:TADRAMS:2022:137 Raad van Discipline Amsterdam 21-1031/A/A

    Raadsbeslissing; Ongegronde klacht over de advocaat van de wederpartij. Anders dan klaagster is de raad van oordeel dat verweerster zich niet onnodig grievend heeft uitgelaten over klaagster in haar processtukken. Daarnaast heeft verweerster de geheimhouding van de mediation niet geschonden, aangezien zij zich enkel over het (niet inhoudelijk) verloop van de mediation heeft uitgelaten. Tot slot heeft verweerster geen feiten in haar processtukken vermeld waarvan zij wist of kon weten dat deze onjuist zijn.

  • ECLI:NL:TGZRZWO:2022:102 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Zwolle Z2022/3823

    Klacht tegen verzekeringsarts kennelijk ongegrond. Beklaagde heeft toetsing/beoordeling in kader van Ziektewet voldoende inzichtelijk gemaakt en situatie klager voldoende onderzocht.

  • ECLI:NL:TADRAMS:2022:131 Raad van Discipline Amsterdam 22-194/A/A

    Deels gegronde klacht over de advocaat van de wederpartij. Het valt verweerder tuchtrechtelijk te verwijten dat hij tegen klaagster optreedt. Hiermee heeft hij niet alleen in strijd gehandeld met gedragsregel 15, maar ook met de kernwaarde partijdigheid. Ook valt het verweerder tuchtrechtelijk te verwijten dat hij er ruim een jaar over heeft gedaan om de dossiers aan klaagster te verstrekken. Berisping en kostenveroordeling.

  • ECLI:NL:TADRAMS:2022:138 Raad van Discipline Amsterdam 22-169/A/A

    Raadsbeslissing; Ongegronde klacht van een advocaat over een advocaat. De raad deelt niet klagers opvatting dat verweerder door zijn brief zowel op zijn privéadres als op zijn kantooradres te laten betekenen bij deurwaardersexploot een onnodige inbreuk op klagers privé- en gezinsleven heeft gemaakt en hiermee de grenzen van zijn vrijheid als advocaat van de wederpartij heeft overschreden.

  • ECLI:NL:TGZRZWO:2022:103 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Zwolle Z2021/3668

    Klacht tegen tandarts. Klaagster heeft door de aangeklaagde tandarts een paar facings laten zetten waar klaagster ontevreden over was. Zij vond de kleur niet mooi. De facings zijn vervangen waarbij de geprepareerde tanden niet goed schoongemaakt zijn en er geen nieuwe afdrukken zijn gemaakt. De nieuwe facings pasten daardoor niet naadloos, met als gevolg dat er op de behandelde elementen nog een streep tand zichtbaar was met cementresten erop. Ook had klaagsters pijnklachten als gevolg van de niet juist geplaatste facings. Klaagster heeft zich bij een nieuwe tandartsenpraktijk laten inschrijven waar een en ander is hersteld. Klaagster verwijt de tandarts dat hij de facings niet goed heeft geplaatst. Dat verwijt verklaart het college gegrond. De overige verwijten, onder andere dat het behandeldossier onvolledig zou zijn en valse aantekeningen zou bevatten en dat de assistente van de praktijk zich negatief zou hebben uitgelaten over de nieuwe tandartsenpraktijk, zijn ongegrond. De tandarts krijgt voor het gegronde deel van de klacht een waarschuwing.

  • ECLI:NL:TADRAMS:2022:132 Raad van Discipline Amsterdam 22-192/A/A

    Gedeeltelijk gegronde klacht over de eigen advocaat. Het valt verweerder tuchtrechtelijk te verwijten dat hij in februari 2021 niets heeft gedaan met de door klager aan hem toegestuurde stukken en dus ook geen aanvraag bij de IND heeft ingediend. Nu verweerder hiervoor zijn excuses heeft aangeboden en hij klager hiervoor financieel heeft gecompenseerd, ziet de raad aanleiding om af te zien van het opleggen van een maatregel.

  • ECLI:NL:TADRARL:2022:139 Raad van Discipline Arnhem-Leeuwarden 22-231/AL/GLD

    Voorzittersbeslissing. Klager heeft op basis van hetzelfde feitencomplex als in zijn eerdere klachtzaak tegen verweerder, in zijn hoedanigheid van kwaliteitsfunctionaris op het kantoor van de toenmalige advocaat van klager, geklaagd. Geen sprake van een nieuw feit dat het doorbreken van de ne bis in idem-regel rechtvaardigt. Klager is daarom kennelijk niet-ontvankelijk in zijn klacht.