Zoekresultaten 20411-20420 van de 47127 resultaten
-
ECLI:NL:TGZRAMS:2018:60 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Amsterdam 2017/456
- Datum publicatie: 07-06-2018
- Datum uitspraak: 07-06-2018
- ECLI:NL:TGZRAMS:2018:60
Klager dient een klacht in namens zijn partner. De klacht is gericht tegen een bedrijfsarts vanwege een onjuist rapport en omdat hij onvoldoende medische informatie heeft opgevraagd. Tevens verwijt hij verweerder dat de conclusie van het rapport niet met partner van klager is besproken. Ook wordt verweerder een onheuse bejegening verweten. Verweerder voert verweer.
-
ECLI:NL:TGZCTG:2018:161 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag c2017.379
- Datum publicatie: 06-06-2018
- Datum uitspraak: 05-06-2018
- ECLI:NL:TGZCTG:2018:161
Klacht tegen psychiater van Bureau Rijbewijs Keuringen (BRK). Verweerder heeft met betrekking tot klager in het kader van een vorderingsprocedure ex artikel 130-134a van de Wegenverkeerswet 1994 van het Centraal Bureau Rijvaardigheid, in opdracht van het BRK een rijbewijskeuring verricht. Verweerder werkt als freelance psychiater voor het BRK. In die hoedanigheid heeft hij samen met de keuringsarts (eveneens aangeklaagd) de rijbewijskeuring verricht. De keuringsarts heeft de anamnese afgenomen aan de hand van gestandaardiseerde vragenlijsten en heeft lichamelijk onderzoek verricht. Verweerder heeft daarna kort psychiatrisch onderzoek verricht. Klager verwijt verweerder dat: 1 de duur en de wijze van het onderzoek onzorgvuldig was; 2. hij een onzorgvuldig rapport heeft opgemaakt; 3. geen antwoord is gegeven op vragen van klager; 4. geen bespreking heeft plaatsgevonden; 5. geen rekening is gehouden met het correctie- en blokkeringsrecht; en 6. de 4e versie van het rapport alleen ter inzage is gegeven. Het Regionaal Tuchtcollege heeft ten aanzien van de eerste vier klachtonderdelen geoordeeld dat het feit van verschillende aangepaste versies van de rapportage niet de schoonheidsprijs verdient, maar niet tuchtrechtelijk verwijtbaar is. Ten aanzien van klachtonderdelen 5 en 6 heeft het Regionaal Tuchtcollege geoordeeld dat verweerder een tuchtrechtelijk verwijt treft wat betreft de vierde versie van het rapport dat slechts ter inzage aan klager is toegezonden zonder dat hem gewezen is op het blokkeringsrecht. Verweerder heeft weliswaar in een begeleidende brief de aanpassingen in deze versie toegelicht maar klager is bij deze laatste versie niet gewezen op het blokkeringsrecht. Dit had wel gemoeten, te meer daar deze versie wezenlijk veranderd was ten opzichte van de eerdere versies. Het Regionaal Tuchtcollege heeft aan verweerder de maatregel van waarschuwing opgelegd. Klager heeft principaal beroep ingesteld tegen de ongegrondverklaring van de eerste vier klachtonderdelen. Het Centraal Tuchtcollege neemt ter zake van deze klachtonderdelen het oordeel van het Regionaal Tuchtcollege over en verwerpt het principaal beroep. De psychiater heeft incidenteel beroep ingesteld van de gegrondverklaring van de klacht ter zake van het blokkeringsrecht. Dit beroep slaagt. Van een structurele organisatorische tekortkoming betreffende het wijzen op het blokkeringsrecht, waarvan de psychiater een tuchtrechtelijk verwijt zou kunnen worden gemaakt, is geen sprake. Dat de psychiater bij de toezending van de vierde versie van het rapport niet heeft gecontroleerd of de genoemde standaardbrief daadwerkelijk door het secretariaat aan klager is verzonden, levert hem onder deze omstandigheden geen tuchtrechtelijk verwijt op. De maatregel van waarschuwing komt te vervallen.
-
ECLI:NL:TADRSHE:2018:80 Raad van Discipline 's-Hertogenbosch 18-100/DB/Li
- Datum publicatie: 06-06-2018
- Datum uitspraak: 28-05-2018
- ECLI:NL:TADRSHE:2018:80
Kwaliteit van de bijstand van verweerder tijdens de bespreking d.d. 10 juli 2015 onvoldoende. Zich niet zodanig jegens zijn cliënt uitgelaten dat hem hiervan een tuchtrechtelijk verwijt kan worden gemaakt. Deels gegrond, deels ongegrond. Waarschuwing. Proceskostenveroordeling.
-
ECLI:NL:TGZCTG:2018:162 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag c2017.380
- Datum publicatie: 06-06-2018
- Datum uitspraak: 05-06-2018
- ECLI:NL:TGZCTG:2018:162
Klacht tegen psychiater. Klager heeft in het kader van een vorderingsprocedure ex artikel 130-134a van de Wegenverkeerswet 1994 van het Centraal Bureau Rijvaardigheid, in opdracht van het Bureau Rijbewijs Keuringen (BRK) een rijbewijskeuring ondergaan. Verweerder is bij BRK onder andere opleider en leidinggevende van de psychiaters en andere artsen die de keuringen uitvoeringen. De keurende psychiater heeft aan verweerder de vraag gesteld of de eerdere vorderingsprocedure voldoende was om de DSM-diagnose alcoholmisbruik te stellen, of dat daartoe eerst bij het CBR het aantal aanhoudingen in het verleden dienden te worden achterhaald. Verweerder heeft in het kader van deze vraag het dossier met betrekking tot klager ingezien en onder meer de vraag van de keurende psychiater beantwoord. Vervolgens heeft verweerder een door klager ingediende klacht over de rapportage afgehandeld. Klager verwijt verweerder: 1. Klager meent dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld door zijn klacht als klachtenbehandelaar in behandeling te hebben genomen terwijl verweerder inhoudelijk betrokken is geweest bij de opstelling van het gewraakte rapport. Hierdoor is geen sprake meer van een onpartijdig, onafhankelijk en zorgvuldig handelen van verweerder. 2. Vervolgens heeft verweerder nadien nogmaals inhoudelijk overleg gehad met de keurend psychiater, waarna de inhoud van het rapport weer is gewijzigd. Het Regionaal Tuchtcollege heeft de klacht dat verweerder zich in de klachtafhandeling als onafhankelijk en onpartijdig heeft gepresenteerd terwijl hij bemoeienis heeft gehad met de opstelling en aanpassing van de rapportage gegrond verklaard. Het tweede klachtonderdeel is ongegrond verklaard. Aan verweerder is de maatregel van waarschuwing opgelegd. In dit beroep is alleen de ongegrondverklaring van het tweede klachtonderdeel aan de orde. Het Centraal Tuchtcollege bekrachtigt de ten aanzien van dit klachtonderdeel gegeven beslissing van het Regionaal Tuchtcollege.
-
ECLI:NL:TGZCTG:2018:163 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag c2017.381
- Datum publicatie: 06-06-2018
- Datum uitspraak: 05-06-2018
- ECLI:NL:TGZCTG:2018:163
Klacht tegen keuringsarts van Bureau Rijbewijs Keuringen (BRK). Klager heeft in het kader van een vorderingsprocedure ex artikel 130-134a van de Wegenverkeerswet 1994 van het Centraal Bureau Rijvaardigheid, in opdracht van het BRK een rijbewijskeuring ondergaan. Verweerder heeft onder supervisie van de keurend psychiater de anamnese afgenomen aan de hand van gestandaardiseerde vragenlijsten en heeft lichamelijk onderzoek verricht. Verweerder heeft daarna kort psychiatrisch onderzoek verricht. Verweerder is na het opstellen van het conceptrapport niet meer betrokken geweest bij de rapportage van de keuring. Klager verwijt verweerder, keuringsarts, dat hij: 1. klager volledig zelfstandig onderzocht terwijl hij geen psychiater is en het onderzoek onzorgvuldig heeft uitgevoerd; 2. op onzorgvuldige wijze in het rapport heeft weergegeven wat klager heeft verklaard; 3. op onzorgvuldige wijze het rapport meerdere malen heeft aangepast; 4. geen contact met klager heeft opgenomen ondanks zijn verzoeken; 5. niet heeft gereageerd op vragen van klager en hem niet heeft gewaarschuwd voor de aanpassingen van het rapport door anderen. Het Regionaal Tuchtcollege heeft de klacht afgewezen. Het Centraal Tuchtcollege bekrachtigt deze uitspraak.
-
ECLI:NL:TGZCTG:2018:164 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag c2017.386
- Datum publicatie: 06-06-2018
- Datum uitspraak: 05-06-2018
- ECLI:NL:TGZCTG:2018:164
Klacht tegen psychiater. Klager heeft in het kader van een vorderingsprocedure ex artikel 130-134a van de Wegenverkeerswet 1994 van het Centraal Bureau Rijvaardigheid, in opdracht van het Bureau Rijbewijs Keuringen (BRK) een rijbewijskeuring ondergaan. Verweerder is bij BRK onder andere opleider en leidinggevende van de psychiaters en andere artsen die de keuringen uitvoeren. De keurende psychiater heeft aan verweerder de vraag gesteld of de eerdere vorderingsprocedure voldoende was om de DSM-diagnose alcoholmisbruik te stellen, of dat daartoe eerst bij het CBR het aantal aanhoudingen in het verleden dienden te worden achterhaald. Verweerder heeft in het kader van deze vraag het dossier met betrekking tot klager ingezien en onder meer de vraag van de keurende psychiater beantwoord. Vervolgens heeft verweerder een door klager ingediende klacht over de rapportage afgehandeld. Klager verwijt verweerder: 1. zijn klacht als klachtenbehandelaar in behandeling te hebben genomen terwijl verweerder inhoudelijk betrokken is geweest bij de opstelling van het gewraakte rapport. Hierdoor is geen sprake meer van een onpartijdig, onafhankelijk en zorgvuldig handelen van verweerder. 2. dat verweerder nadien nogmaals inhoudelijk overleg heeft gehad met de keurend psychiater, waarna de inhoud van het rapport weer is gewijzigd. Het Regionaal Tuchtcollege heeft de klacht dat verweerder zich in de klachtafhandeling als onafhankelijk en onpartijdig heeft gepresenteerd terwijl hij bemoeienis heeft gehad met de opstelling en aanpassing van de rapportage gegrond verklaard. Het tweede klachtonderdeel is ongegrond verklaard. Aan verweerder is de maatregel van waarschuwing opgelegd. In dit beroep is alleen de ongegrondverklaring van het eerste klachtonderdeel aan de orde. Het Centraal Tuchtcollege bekrachtigt de ten aanzien van dit klachtonderdeel gegeven beslissing van het Regionaal Tuchtcollege.
-
ECLI:NL:TGZCTG:2018:165 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag c2017.394
- Datum publicatie: 06-06-2018
- Datum uitspraak: 05-06-2018
- ECLI:NL:TGZCTG:2018:165
Klacht tegen arts werkzaam als medisch adviseur bij het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen (CBR). Verweerder is betrokken geweest bij de beoordeling van een keuringsrapport van de psychiater in het kader van een vorderingsprocedure van het rijbewijs van klager. Bij besluit van maart 2016 is het rijbewijs van klager door het CBR ongeldig verklaard. Klager was al tweemaal eerder in een dergelijke vorderingsprocedure betrokken. Klager verwijt verweerder dat hij in de vorderingsprocedure onzorgvuldig heeft gehandeld, door het rapport van de psychiater van oktober 2015 te volgen. Het Regionaal Tuchtcollege heeft de klacht als kennelijk ongegrond afgewezen. Het Centraal Tuchtcollege bekrachtigt deze uitspraak.
-
ECLI:NL:TGZCTG:2018:159 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag c2017.088
- Datum publicatie: 06-06-2018
- Datum uitspraak: 05-06-2018
- ECLI:NL:TGZCTG:2018:159
Klacht tegen verzekeringsarts werkzaam als zelfstandig medisch adviseur in BMA-zaak. Klaagster heeft een reguliere verblijfsvergunning voor bepaalde tijd onder de beperking medische behandeling aangevraagd. Klaagster heeft psychiatrische klachten (PTSS), een depressieve stoornis van matige ernst en heeft tenminste twee suïcide pogingen gedaan. Zij wordt ondersteund door haar vroegere buurman en een kerkgenote. Verweerder heeft aan het BMA advies uitgebracht. Klaagster verwijt verweerder dat hij 1) ten onrechte heeft geoordeeld dat er geen sprake is van mantelzorg in de zin van de Vreemdelingencirculaire en 2) dat hij zich ten onrechte niet heeft uitgelaten over de relatie verhoogd suïciderisico en het ontbreken van een veilige behandelomgeving in het land van herkomst. Het Regionaal Tuchtcollege heeft de klacht afgewezen op grond van de overweging dat verweerder in redelijkheid heeft kunnen concluderen dat geen sprake is van mantelzorg in de zin van de Vreemdelingencirculaire 2000 en dat hij zich kon beperken tot de aan hem voorgelegde vraag of het uitblijven van behandeling zal leiden tot een medische noodsituatie op korte termijn. Het Centraal Tuchtcollege bevestigt de beslissing in beroep.
-
ECLI:NL:TNORDHA:2018:10 Kamer voor het notariaat Den Haag 17-76 en 17-77
- Datum publicatie: 06-06-2018
- Datum uitspraak: 23-05-2018
- ECLI:NL:TNORDHA:2018:10
De klacht bestaat uit de volgende drie klachtonderdelen: 1. schending van de onderzoeksplicht (artikel 17 Wna) naar de prijs van het verkochte en naar de wilsbekwaamheid van [U] en het mogelijk bestaan van feitelijk overwicht. De volgende signalen hadden voor de notaris en de kandidaat-notaris redenen moeten zijn om onderzoek te verrichten naar de wilsbekwaamheid van verkoper [U] en het mogelijk bestaan van feitelijk overwicht: - de korte tijd tussen het sluiten van de koopovereenkomst en de levering bij het woonhuis; - de verkoper heeft geen eigen e-mail en daardoor is geen rechtstreekse schriftelijke communicatie met hem mogelijk, alles verloopt via het e-mailadres van een derde persoon; - de betrokkenheid van de onbekende derde persoon, te weten dat hij bij de bespreking op 31 oktober 2012 aanwezig is waarin alles wordt besproken met de kandidaat-notaris en de volmachten worden ondertekend, de stukken voor de verkoper naar de onbekende derde worden gestuurd en de onbekende derde, dezelfde persoon is die genoemd wordt in artikel 25 van de koopovereenkomst als begunstigde van de betaling van € 10.000,- door de verkoper; - het in een persoonlijke bespreking met de verkoper hem op zijn gemak moeten stellen en rustig alles in jip-en-janneketaal met hem moeten doornemen; - de lage koopsom voor het woonhuis en de zeer lage koopsom voor de percelen weiland; - de bevoordeling van de kopers; en verder dat: - de verkoper zelf asbest zal verwijderen uit de woning en dat alle kosten die daarmee gemoeid zijn voor zijn rekening komen; - de verkoper onder onbekende voorwaarden in de woning mag blijven wonen; - de verkoper de percelen weiland verkoopt en vervolgens terughuurt met onbekende redenen.
-
ECLI:NL:TGZCTG:2018:160 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag c2017.329
- Datum publicatie: 06-06-2018
- Datum uitspraak: 05-06-2018
- ECLI:NL:TGZCTG:2018:160
Klacht tegen psychiater. In eerste aanleg heeft klaagster verweerder het verwijt gemaakt dat hij zich tegen haar zin op grensoverschrijdende wijze jegens haar heeft gedragen door seksuele en seksueel getinte contacten met haar te hebben gedurende een periode van enkele maanden, terwijl sprake was van een behandelrelatie tussen verweerder en klaagster. Het Regionaal Tuchtcollege heeft de klacht gegrond verklaard, aan verweerder de maatregel van voorwaardelijke schorsing voor de duur van drie maanden opgelegd en publicatie van de beslissing gelast. De Inspectie heeft op grond van artikel 73 lid 1 onder c van de Wet BIG beroep ingesteld tegen de voorwaardelijkheid van de maatregel. In incidenteel beroep heeft verweerder geconcludeerd tot ongegrondverklaring van de klacht. Het Centraal Tuchtcollege verwerpt het incidenteel beroep, vernietigt in het principaal beroep de beslissing in eerste aanleg voor wat betreft de maatregel, legt aan verweerder op de maatregel van onvoorwaardelijke schorsing voor de duur van vier maanden en gelast publicatie van de beslissing.
- Vorige pagina zoekresultaten
- Pagina: 1
- ...
- Pagina: 2041
- Pagina: 2042
- Pagina: 2043
- ...
- Pagina: 4713
- Volgende pagina zoekresultaten