Zoekresultaten 14161-14180 van de 47536 resultaten

  • ECLI:NL:TGZCTG:2020:217 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag c2020.045

    Verweerder was als klinisch psycholoog verbonden aan het centrum waar klaagster voor een deeltijdbehandeling gericht op persoonlijkheidsproblematiek verbleef. Verweerder was hoofdbehandelaar en zag klaagster tweemaal per week in de groepspsychotherapie. Op enig moment is klaagster gestopt met deze therapie. Verweerder bleef hoofdbehandelaar en heeft in de periode die volgde contact met klaagster gehouden over een deeltijdbehandeling in een andere groep en een door klaagster gewenste maagverkleining. Na een behandelimpasse is het contact met klaagster door verweerder overgedragen aan zijn collega, eveneens aangeklaagd (C2020.046). Klaagster is daarna voor behandeling naar een ander centrum gegaan. Klaagster verwijt verweerder dat: 1. hij tijdens de groepstherapie geen oog heeft gehad voor de verslechterende toestand van klaagster en de overdrachtsgevoelens die zij naar beklaagde toe ontwikkelde; 2. hij niet adequaat op de hulpvragen van klaagster heeft gereageerd; 3. hij een onjuist advies heeft gegeven ten aanzien van de maagoperatie; 4. de overdracht naar het andere centrum onzorgvuldig is geweest; 5. hij haar onheus heeft bejegend. Het Regionaal Tuchtcollege heeft de klacht ongegrond verklaard. Het Centraal Tuchtcollege verwerpt het beroep van klaagster.

  • ECLI:NL:TGZCTG:2020:224 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag c2019.391

    .

  • ECLI:NL:TGZCTG:2020:218 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag c2020.046

    Verweerster, klinisch psycholoog, was werkzaam als manager behandelzaken bij het centrum waar klaagster voor een deeltijdbehandeling gericht op persoonlijkheidsproblematiek verbleef. Een collega van verweerster, eveneens aangeklaagd (C2020.045) was hoofdbehandelaar. Op enig moment is klaagster gestopt met de therapie. Na een behandelimpasse met de hoofdbehandelaar is het contact met klaagster overgedragen aan verweerster. Verweerster heeft met klaagster over alternatieve behandelmogelijkheden besproken maar die zijn niet van de grond gekomen. Klaagster is uiteindelijk voor behandeling naar een ander centrum gegaan. Klaagster verwijt verweerster dat zij: 1.hulp had moeten bieden; 2.de ouders van klaagster in had moeten lichten; 3. bij de overdracht naar het andere centrum een andere therapie had moeten adviseren; 4. klaagster onheus bejegend heeft. Het Regionaal Tuchtcollege heeft de klacht ongegrond verklaard. Het Centraal Tuchtcollege verwerpt het beroep van klaagster.

  • Gegrond dekenbezwaar tegen tien verweerders die in dienst zijn bij SRK Rechtsbijstand B.V. Op grond van artikel 5.11 Voda is het verweerders niet toegestaan om, terwijl zij in dienst zijn bij SRK, rechtsbijstand te verlenen aan personen die niet verzekerd zijn op grond van een rechtsbijstandverzekering. Nu BrandMR op betalende basis rechtsbijstand wil verlenen aan deze personen, kunnen verweerders geen werkzaamheden verrichten voor cliënten van BrandMR. De presentatie van verweerders op de website van BrandMR geeft een misleidend beeld en dat is in strijd met artikel 7.4 Voda. Regelgeving is zoals die is en moet worden nageleefd, ook al menen verweerders dat artikelen van de Voda hun vrijheid van meningsuiting ontoelaatbaar beperken en in strijd zijn met artikel 6 van de Mededingingswet. De raad is overigens niet van oordeel dat er sprake is van een ontoelaatbare beperking van de vrijheid van meningsuiting en is voorshands niet van oordeel dat de NOvA bij het vaststellen van de regelgeving in strijd met het geldende mededingingsrecht heeft gehandeld. De raad ziet ten slotte geen aanknopingspunten om de uitkomst van de civiele procedure, thans lopend bij de rechtbank Den Haag, af te wachten.

  • ECLI:NL:TNORSHE:2014:31 Kamer voor het notariaat 's-Hertogenbosch SHE/2014/34

    Onderzoek als bedoeld in art. 96 (oud) Wna.* De notaris heeft een bedrag van € 500.000 overgeschreven van de derdengeldenrekening van het kantoor waaraan hij destijds was verbonden naar een rekening bij een andere bank die op zijn naam was geregistreerd. Daardoor is een negatieve bewaringspositie ontstaan. De kamer heeft geoordeeld dat de rekening op naam van de notaris niet kon worden aangemerkt als een bijzondere rekening in de zin van de (dwingendrechtelijke) bepalingen van art. 25 (oud) Wna, zodat de met dat artikel beoogde bescherming van derden niet kon worden geboden aan de rechthebbenden van de tegoeden die naar de rekening op naam van de notaris zouden worden overgeboekt. Deze gelden hebben bovendien als zekerheid gediend voor het debetsaldo dat de notaris op een andere privérekening bij dezelfde bank heeft doen ontstaan door gelden uit te lenen aan de echtgenote van een andere notaris, die deze gelden op haar beurt onder hypothecair verband heeft uitgeleend aan derden die door banken kennelijk niet als voldoende kredietwaardig werden aangemerkt. De notaris heeft vanaf de derdengeldenrekening van kantoor ook andere gelden overgeboekt naar een van deze privérekeningen, waaronder gelden die hij onder zich had uit hoofde van executele en uit hoofde van bewind over het vermogen van minderjarigen na het overlijden van hun vader. Bovendien heeft de notaris in strijd met de waarheid een akte van geldlening opgesteld en een (fictief) uittreksel uit de (thans) BRP, terwijl hij ook op diverse andere punten niet heeft gehandeld zoals het een behoorlijk notaris betaamt. Ontzetting uit het ambt. Op dezelfde datum heeft de kamer uitspraak gedaan over andere bedenkingen tegen deze notaris (SHE/2013/71b). * (Deze uitspraak is destijds per abuis niet gepubliceerd)

  • ECLI:NL:TGZCTG:2020:219 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag c2019.386

    .

  • ECLI:NL:TNORSHE:2014:32 Kamer voor het notariaat 's-Hertogenbosch SHE/2013/71b

    Onderzoek als bedoeld in art. 96 (oud) Wna.* De notaris heeft werkzaamheden verricht i.v.m. een omvangrijke projectontwikkeling met een financieel belang van 93,5 miljoen euro en vele internationale aspecten (waaronder betrokkenheid van diverse buitenlandse (rechts)personen, o.a. gevestigd in Belize, ondertekening van een contract in Dubai, beoogde legalisering in het Verenigd Koninkrijk, betaling van een bedrag van 2,3 miljoen euro aan een bank in Taiwan). Gelet op deze aspecten en de gang van zaken rond de totstandkoming van de overeenkomsten (zo was gebruik gemaakt van een vals stempel van een notariskantoor) en het feit dat de notaris op de dag van overboeking, ondanks herhaald verzoek daartoe, nog altijd niet de beschikking had over de vereiste legal opinions, is de kamer van oordeel dat de notaris zich als partij-adviseur voorafgaand aan de closing te lijdelijk heeft opgesteld. Een notaris kan zich van zijn gehoudenheid tot onderzoek en controle tuchtrechtelijk niet bevrijden door hierover iets anders met de cliënt overeen te komen. Op het moment dat de opdrachtgever klaarblijkelijk ernstig in tweestrijd verkeerde of hij al dan niet tot ondertekening van de contracten zou overgaan, had het naar het oordeel van de kamer op de weg van de notaris gelegen om zijn opdrachtgever ervan te weerhouden de overeenkomsten aan te gaan zolang de identiteit van de wederpartij niet aan de hand van legal opinions kon worden geverifieerd. Indien zijn opdrachtgever een dergelijk advies vervolgens in de wind zou hebben geslagen, had het op de weg van de notaris gelegen om de gelden die op de derdengeldenrekening in depot werden gehouden ten behoeve van de wederpartij niet zelf over te boeken, maar zijn opdrachtgever duidelijk schriftelijk over zijn standpunt te informeren. Tegelijk met deze beslissing heeft de kamer uitspraak gedaan over de handelwijze van de notaris ten tijde van zijn ambtsuitoefening bij zijn eerdere kantoor (SHE/2014/34). Omdat in die zaak aan de notaris de zwaarste tuchtmaatregel (ontzetting uit het ambt) werd opgelegd, heeft de kamer, hoewel (ook) de bedenkingen in deze zaak een tuchtmaatregel rechtvaardigden, geoordeeld dat om die reden in deze zaak geen plaats meer was voor het opleggen van een tuchtmaatregel. * (Deze uitspraak is destijds per abuis niet gepubliceerd)

  • ECLI:NL:TADRARL:2020:190 Raad van Discipline Arnhem-Leeuwarden 19-398

    Tijdig ingediende klacht over eigen advocaat in arbeidsgeschil. Dat klaagster geen gebruik heeft gemaakt van de interne klachtenregeling van verweerder of haar geschil aan de Geschillencommissie heeft voorgelegd, staat aan deze tuchtrechtelijke procedure niet in de weg. Naar het oordeel van de raad heeft verweerder klaagster niet ondubbelzinnig schriftelijk gewezen op de risico’s van het niet tijdig aanvaarden van het door de werkgever gedane aanbod voor een vertrekregeling, waarmee hij in zijn zorgplicht jegens klaagster is tekortgeschoten (artikel 7.11 lid 2 Voda; Regel 16). Daarnaast had verweerder aan klaagster schriftelijk duidelijkheid moeten verschaffen over de aanpak van het maken van het verweerschrift voor het UWV, die daar regelmatig haar zorgen over heeft geuit. Dat verweerder dat heeft gedaan, is de raad uit de stukken niet gebleken. De raad is niet bevoegd om geschillen over de hoogte van de declaratie te beslechten. Berisping.

  • ECLI:NL:TAHVD:2020:239 Hof van Discipline 's-Hertogenbosch 200096

    Hof vernietigt uitspraak raad, die de uitlatingen van de advocaat van de wederpartij niet onnodig grievend, maar wel onbehoorlijk beschouwde en een waarschuwing oplegde. Hoewel een zakelijker toon beter en constructiever was geweest, heeft verweerder de grens van de hem toekomende vrijheid niet overschreden.

  • ECLI:NL:TADRARL:2020:191 Raad van Discipline Arnhem-Leeuwarden 19-208

    Klacht tegen eigen (ex-)advocaat over kwaliteit dienstverlening in erfrechtelijk geschil tussen klager en de kinderen van zijn overleden echtgenote. Communicatie: ook indien de relatie tussen advocaat en cliënt is verslechterd of beëindigd, betaamt het een behoorlijk advocaat niet om niet te reageren op een verzoek van de cliënt om een kopie van haar declaraties aan hem te sturen, nodig voor zijn incassoprocedure tegen haar. Misverstand over afspraken: verweerster werkt samen met een deurwaarderskantoor met een hoger afwikkelingstarief dan standaard is. Verweerster heeft nagelaten om voorafgaand aan het verstrekken van de opdracht aan die deurwaarder klager over de gevolgen en (hoge) afwikkelingskosten te informeren (Regel 8 oud/ 16 nieuw). Vermeende fout door deurwaarder niet gebleken. De facturen van verweerster voldoen niet aan de eisen van het normale handelsverkeer, waardoor verweerster in strijd met Regel 23 oud/ 16 lid 3 heeft gehandeld. Berisping.

  • ECLI:NL:TADRARL:2020:185 Raad van Discipline Arnhem-Leeuwarden 19-667

    Verzet ongegrond.

  • ECLI:NL:TGZCTG:2020:215 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag c2020.096

    Klacht tegen verpleegkundige die als nachtverpleegkundige thuis zorg heeft verleend aan een terminale patiënt. In die periode is een bedrag van in totaal € 14.800,00 overgemaakt van de bankrekening van de patiënt naar die van de verpleegkundige. Zij heeft dit geldbedrag geaccepteerd. Klaagster is een particulier bureau dat heeft bemiddeld in de zorg voor de patiënt en stelt dat de verpleegkundige misbruik heeft gemaakt van het in haar gestelde vertrouwen. Het Regionaal Tuchtcollege oordeelt dat sprake is van is strijd met artikel 2.4 van de Beroepscode voor Verpleegkundigen & Verzorgenden en acht de klacht gegrond. Dat college legt aan de verpleegkundige de maatregel van doorhaling van de inschrijving in het BIG‑register op. Het Centraal Tuchtcollege acht de maatregel van schorsing van de inschrijving in het BIG-register voor de periode van één jaar passend en toereikend.

  • ECLI:NL:TAHVD:2020:240 Hof van Discipline 's-Hertogenbosch 190254

    Bekrachtiging beslissing raad. Klacht over het niet opstarten van een kort geding ongegrond. Klager heeft voorts uitdrukkelijk schriftelijk ingestemd met bijstand op betalende basis.

  • ECLI:NL:TGZRZWO:2020:125 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Zwolle 037/2020

    Is mededeling regiebehandelaar aan gezinsvoogd over vermeend seksueel grensoverschrijdend gedrag van klager met oudste zoon tuchtrechtelijk verwijtbaar? Klacht ongegrond.

  • ECLI:NL:TADRARL:2020:186 Raad van Discipline Arnhem-Leeuwarden 19-635

    Verweerder heeft opgetreden voor een B.V. waarvan klagers 50% aandeelhouder waren. In een later stadium heeft verweerder voor de andere 50% aandeelhouder opgetreden bij de verkoop van alle aandelen in deze B.V. Klagers gingen er vanuit dat verweerder bij deze verkoop ook voor klagers optrad. Mede op grond van een vonnis van de rechtbank die over deze kwestie heeft geoordeeld meent de raad dat niet is komen vast te staan dat verweerder bij de aandelentransactie ook voor klager optrad. De raad is echter van oordeel dat verweerder toch tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld jegens klagers. De raad verwijst naar uitspraken van het Hof van Discipline (3 april 2020, ECLI:NL:TAHVD:2020:79) en de Hoge Raad van 17 januari 2020, ECLI:NL:HR:2020:61. In de lijn van deze jurisprudentie staat naar het oordeel van de raad vast dat verweerder zich bij zijn werkzaamheden in het kader van de verkoop van de aandelen de B.V. de belangen van klagers onvoldoende heeft aangetrokken. Hij was zich er immers wel degelijk van bewust dat de belangen van klagers een rol speelden in de aandelenverkoop. Verweerder heeft zelf aangegeven dat er bij de verkoop sprake was van een “free-ride” voor klagers. Daarnaast heeft hij voor en in overleg met beide aandeelhouders een geheimhoudingsovereenkomst opgesteld en laten tekenen. Ook heeft hij bemiddeld toen de aandeelhouders een geschil kregen. Daarom had het op de weg van verweerder gelegen om klagers in ieder geval expliciet en schriftelijk te adviseren een eigen adviseur in te schakelen, zeker gelet op de ogenschijnlijke onevenwichtigheid in de afspraken met betrekking tot de aandelenverkoop. Door zulks niet te doen en ook niet op andere wijze blijk te geven zich de belangen van klagers aan te trekken, heeft verweerder onbetamelijk gehandeld. De raad legt de maatregel van een voorwaardelijke schorsing van 2 maanden op.

  • ECLI:NL:TGZCTG:2020:216 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag c2020.180

    Klacht tegen internist, werkzaam als directeur van het Centrum voor Infectieziektenbestrijding (CIb) van het RIVM. De klacht gaat over het handelen van de internist in zijn functie van directeur van het CIb en in zijn rol van voorzitter van het Outbreak Management Team (OMT). Klager is het niet eens met de adviezen die het OMT heeft gegeven in verband met de bestrijding van het nieuwe coronavirus. Hij vindt dat ten onrechte niet is geadviseerd om de lockdown op te heffen, toen volgens hem duidelijk werd dat door de lockdown meer levensjaren verloren gaan dan er gewonnen worden. Het Regionaal Tuchtcollege heeft geconcludeerd dat de klacht niet‑ontvankelijk is. Dit betekent dat de klacht niet inhoudelijk kan worden beoordeeld. Het Centraal Tuchtcollege komt in beroep tot hetzelfde oordeel. De reden daarvoor is dat het handelen van de internist waarover wordt geklaagd niet valt onder de reikwijdte van het medisch tuchtrecht. Het medisch tuchtrecht gaat over de kwaliteit van de individuele gezondheidszorg. De door het OMT uitgebrachte adviezen hebben echter betrekking op de publieke gezondheidszorg. Dat wil zeggen dat zij gaan over gezondheidsbeschermende en gezondheidsbevorderende maatregelen voor de bevolking of specifieke groepen daaruit. Het handelen van de internist als directeur van het CIb en als voorzitter van het OMT heeft onvoldoende weerslag op de individuele gezondheidszorg om hierover bij een medisch tuchtcollege te kunnen klagen.

  • ECLI:NL:TGZCTG:2017:181 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag c2016.269

    .

  • ECLI:NL:TAHVD:2020:241 Hof van Discipline 's-Hertogenbosch 200024

    Bekrachtiging beslissing van de raad. De bezwaren van klaagster tegen het optreden van verweerder als advocaat van de wederpartij zijn niet van dien aard dat dit optreden als onbetamelijk moet worden aangemerkt.

  • ECLI:NL:TGZRZWO:2020:126 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Zwolle 186/2019

    Klacht tegen gynaecoloog. Klaagster verwijt beklaagde onder meer het achterwege laten van de sentinel node procedure. College: dit was in overeenstemming met de toentertijd geldende Richtlijn vulvacarcinoom 2.0. Het achterwege laten van adjuvante radiotherapie, zoals voorgeschreven in de richtlijn, acht het college verdedigbaar nu overleg is gevoerd met de radiotherapeut. Deze achtte de indicatie voor radiotherapie niet hard genoeg en de mogelijke baten niet opwegen tegen de nadelen en risico’s op bijwerkingen bij bestraling in die streek. Klacht ongegrond.

  • ECLI:NL:TADRARL:2020:187 Raad van Discipline Arnhem-Leeuwarden 19-488

    Verzet levert geen nieuwe gezichtspunten. Verzet ongegrond.