ECLI:NL:TGZCTG:2020:218 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag c2020.046

ECLI: ECLI:NL:TGZCTG:2020:218
Datum uitspraak: 04-12-2020
Datum publicatie: 07-12-2020
Zaaknummer(s): c2020.046
Onderwerp: Onjuiste behandeling/verkeerde diagnose
Beslissingen:
Inhoudsindicatie: Verweerster, klinisch psycholoog, was werkzaam als manager behandelzaken bij het centrum waar klaagster voor een deeltijdbehandeling gericht op persoonlijkheidsproblematiek verbleef. Een collega van verweerster, eveneens aangeklaagd (C2020.045) was hoofdbehandelaar. Op enig moment is klaagster gestopt met de therapie. Na een behandelimpasse met de hoofdbehandelaar is het contact met klaagster overgedragen aan verweerster. Verweerster heeft met klaagster over alternatieve behandelmogelijkheden besproken maar die zijn niet van de grond gekomen. Klaagster is uiteindelijk voor behandeling naar een ander centrum gegaan. Klaagster verwijt verweerster dat zij: 1.hulp had moeten bieden; 2.de ouders van klaagster in had moeten lichten; 3. bij de overdracht naar het andere centrum een andere therapie had moeten adviseren; 4. klaagster onheus bejegend heeft. Het Regionaal Tuchtcollege heeft de klacht ongegrond verklaard. Het Centraal Tuchtcollege verwerpt het beroep van klaagster.

C E N T R A A L  T U C H T C O L L E G E

voor de Gezondheidszorg

Beslissing in de zaak onder nummer C2020.046 van:

A., wonende te B., appellante, klaagster in eerste aanleg,

tegen

E., klinisch psycholoog, voorheen werkzaam te D., nu werkzaam te P. en Q., verweerster in beide instanties,

gemachtigde: mr. drs. P.A. de Zeeuw, als jurist verbonden aan DAS Rechtsbijstand te Amsterdam.

1.                  Verloop van de procedure

A. – hierna klaagster – heeft op 5 maart 2019 bij het Regionaal Tuchtcollege te

Den Haag tegen klinisch psycholoog E. – hierna de psycholoog – een klacht ingediend. Bij beslissing van 24 december 2019, onder nummer 2019-063b, heeft dat College de klacht van klaagster ongegrond verklaard.    

Klaagster is van die beslissing tijdig in beroep gekomen. De psycholoog heeft een verweerschrift in beroep ingediend.

De zaak is in beroep tegelijkertijd maar niet gevoegd behandeld met de zaak C2020.045 (A. tegen C., klinisch psycholoog) ter openbare terechtzitting van het Centraal Tuchtcollege van 5 november 2020, waar klaagster alsmede de psycholoog bijgestaan door haar gemachtigde, mr. drs. P.A. de Zeeuw, zijn verschenen.

 De zaak is over en weer toegelicht.  Klaagster heeft dat (mede) gedaan aan de hand van aantekeningen, die zij aan het Centraal Tuchtcollege heeft overgelegd.

2.         Beslissing in eerste aanleg

2.1.      In eerste aanleg zijn de volgende feiten vastgesteld.

“2.       De feiten

2.1             Beklaagde is werkzaam als manager behandelzaken bij F. te D., onderdeel van G.. Klaagster, geboren op 6 augustus 1977, is met de DSM-IV-classificatie borderline persoonlijkheidsstoornis en eetstoornis NAO vanaf 17 juli 2015 voor een periode van 7 maanden in behandeling geweest bij F. in D.. Klaagster nam toen deel aan een driedaagse deeltijdbehandeling, bestaande uit groep-schematherapie gericht op persoonlijkheidsproblematiek. Klaagster was gedurende deze periode in behandeling bij een collega van beklaagde (C., gezondheidszorgpsycholoog, beklaagde in 2019-063a). Naast deze therapie volgde klaagster in verband met eetstoornissen een eetbui-trainingsprogramma bij de instelling H.. Op 1 maart 2016 stopte klaagster met de groepspsychotherapie. Zij volgde vervolgens creatieve therapie bij collega I., creatief therapeut. C. bleef hoofdbehandelaar maar had met klaagster geen behandelcontact meer.

2.2             In april 2017 heeft een intake plaatsgevonden voor een nieuwe groepstherapie bij F., nu op de locatie J.. In die periode is de creatieve therapie afgerond.

2.3             In juni 2017 werd beklaagde (in haar functie van manager behandelzaken) benaderd door C. vanwege een ontstane behandelimpasse en de grote hoeveelheid e-mails die klaagster verstuurde. Beklaagde heeft meerdere malen telefonisch contact gehad met klaagster. Tijdens deze telefoongesprekken bespraken zij het vervolg van het behandeltraject en de hoeveelheid e-mails. Beklaagde heeft met klinisch psycholoog K. van de locatie J. over de toekomstige behandeling van klaagster in J. overlegd. Na een drietal individuele gesprekken met klinisch psycholoog K. heeft klaagster laten weten af te willen zien van de groepstherapie in J.. Enige tijd later bleek dat K. niet vrij stond in de behandeling, omdat zij wist van de behandelimpasse en grote hoeveelheid e-mails die klaagster stuurde. De groepsbehandeling in J. is uiteindelijk niet gestart. Beklaagde heeft met klaagster alternatieve behandelmogelijkheden bij F. besproken, maar tot een nieuwe behandeling is het niet gekomen. Beklaagde heeft ook met klaagster gesproken over behandelmogelijkheden buiten F., omdat de situatie van klaagster bij F. in een impasse was geraakt. Op 23 juni 2017 stuurde beklaagde, na telefonisch contact hierover, aan klaagster een e-mail over de mogelijke alternatieven. Deze waren ofwel een intensieve behandeling in een klinisch centrum zoals het L. in M. (optie 1), ofwel een minder intensieve (groeps-)behandeling bij bijvoorbeeld H., gericht op re-integratie (optie 2). Beklaagde heeft in haar e-mail geschreven: ‘(…) Iedereen is het erover eens dat het goed zou zijn als je meer structuur krijgt in je dag en je meer richt op ‘de gezonde dingen’. Daar past optie 2 het beste bij. (…)’ Klaagster is terugverwezen naar haar huisarts voor doorverwijzing. Klaagster is hierop aangemeld voor behandeling bij het L. in M..

2.4             In de tussentijd begon klaagster beklaagde veelvuldig te e-mailen. Beklaagde sprak daarop met klaagster af dat zij niet zou antwoorden op de e-mails, maar dat zij wel zou reageren als klaagster haar zou bellen. Op verzoek van klaagster hebben klaagster en beklaagde een persoonlijk gesprek gehad op 31 augustus 2017. Na dit gesprek bleef klaagster veelvuldig e-mailen en de toon van de e-mails escaleerde en werd bedreigend. Hierop heeft beklaagde directeur behandelzaken N. (psychiater, beklaagde in 2019-063c) verzocht de contacten met klaagster over te nemen.

2.5             In november 2017 heeft klaagster een klacht ingediend bij de klachtencommissie van G.. De klacht is ongegrond verklaard.

2.6             Van februari 2018 tot april 2018 is klaagster bij het L. in behandeling opgenomen geweest. Deze behandeling is voortijdig afgebroken.

2.2.      De in eerste aanleg ingediende klacht en het daartegen gevoerde verweer hielden volgens het Regionaal Tuchtcollege het volgende in.

“3.       De klacht

In het klaagschrift heeft klaagster haar klachten jegens beklaagde zeer uitvoerig beschreven. De klacht komt er in de kern op neer dat:

1)                 beklaagde hulp had moeten bieden; beklaagde heeft niet gezorgd voor een

                        behandeling bij F. in de periode van mei 2017 tot en met februari 2018;

2)                 beklaagde de ouders van klaagster had moeten inlichten;

3)                 beklaagde bij de overdracht aan het L. toedekkende therapie had moeten

                        adviseren in plaats van inzichtgevende therapie;

4)                 beklaagde klaagster onheus heeft bejegend. 

4.         Het standpunt van beklaagde

De beklaagde heeft de klacht en de daaraan ten grondslag gelegde stellingen bestreden. Voor zover nodig wordt daarop hieronder ingegaan.

2.3.      Het Regionaal Tuchtcollege heeft aan zijn beslissing de volgende overwegingen ten grondslag gelegd.

“5.       De beoordeling

5.1              Het College begrijpt uit de klacht dat klaagster een zeer lange periode een moeilijke tijd heeft doorgemaakt. De hulp die zij hiervoor heeft gezocht heeft haar niet gebracht wat zij ervan gehoopt en verwacht had. Sterker nog, klaagster is van mening dat zij door de behandeling bij F. juist in een slechtere toestand terecht is gekomen, waar niemand haar uit heeft weten te halen. De klachtonderdelen zien hier in de kern ook op. In het kader van het tuchtrecht kan alleen het persoonlijk handelen van de beklaagde worden beoordeeld. Het College moet daarbij nagaan of de beklaagde binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening is gebleven. Daarbij wordt rekening gehouden met de stand van de wetenschap ten tijde van het aan het College voorgelegde handelen en met wat in de beroepsgroep ter zake als norm geldt.

5.2              Klaagster heeft de klacht jegens beklaagde zeer uitvoerig in 28 klachtonderdelen omschreven. Een groot deel van de klachtonderdelen overlapt elkaar. Het College heeft daarom de samenhangende klachtonderdelen gezamenlijk bezien en de klacht samengevat in de klachtonderdelen zoals weergegeven onder 3.

5.3              Over de rol van beklaagde overweegt het College dat beklaagde in het verweerschrift heeft aangevoerd dat er tussen klaagster en haar geen behandelrelatie bestond maar dat zij slechts als manager behandelzaken klaagster te woord stond. Ter zitting heeft beklaagde echter aangegeven dat zij meent dat zij ten tijde van het contact met klaagster wel als hoofdbehandelaar heeft gehandeld. Zij heeft niet alleen telefonisch contact met klaagster onderhouden, zij heeft ook gekeken hoe klaagster binnen F. verder geholpen kon worden en daarna welke alternatieven er buiten F. waren. Het College gaat in de beoordeling dan ook uit van inhoudelijke betrokkenheid van beklaagde bij de zorg aan klaagster. Die betrokkenheid heeft in beginsel geduurd vanaf de overdracht aan haar door C. in juni 2017 tot aan de overdracht aan N. in september 2017, zodat het handelen van beklaagde in die periode beoordeeld moet worden.

5.4              Klaagster verwijt beklaagde dat zij geen hulp heeft geboden en dat klaagster van mei 2017 tot de opname bij het L. in februari 2018 geen behandeling heeft gehad. Klaagster meent dat beklaagde had moeten inzien dat de ingezette therapie door C. niet het gewenste resultaat gaf en dat zij had moeten zorgen voor een juiste en adequate behandeling in de overgangsperiode naar het L.. 

5.5              Beklaagde heeft aangevoerd dat haar contacten met klaagster erop gericht waren om enerzijds klaagster te vragen te stoppen met e-mailen en anderzijds om klaagster te vragen hoe zij binnen F./G. verder geholpen kon worden. Beklaagde heeft contact gehad met de mogelijk nieuwe hoofdbehandelaar op de locatie J. (K.), waar de behandeling uiteindelijk niet door kon gaan. Andere mogelijkheden zoals behandeling op de R. zijn aan de orde gekomen. Toen vanwege de ontstane impasse verdere behandeling binnen F. niet mogelijk bleek, heeft beklaagde na intercollegiaal overleg met K., met klaagster gesproken over alternatieven buiten F., zoals blijkt uit de e-mail van 23 juni 2017. Op het moment dat de toon van de e-mails van klaagster veranderde, heeft zij het contact met klaagster overdragen aan haar collega N..

5.6              Het College oordeelt hierover als volgt. Het College heeft begrip voor de onvrede van klaagster over het feit dat zij van mei 2017 tot februari 2018 geen behandeling heeft ondergaan. Beklaagde kan hiervan echter geen tuchtrechtelijk verwijt worden gemaakt. De beoogde behandeling in J. is, zo begrijpt het College, niet doorgegaan omdat klaagster liet weten af te willen zien van behandeling daar en omdat K. niet langer vrij stond omdat zij wist van de behandelimpasse en grote hoeveelheid e-mails die klaagster stuurde. Daarna is, zo blijkt ook uit het dossier, contact geweest over andere mogelijkheden binnen F. maar daarover ontstond geen overeenstemming tussen klaagster en beklaagde. Vervolgens is het contact gericht geweest op behandeling elders en de verschillende mogelijkheden daarbij, hetgeen heeft geleid tot aanmelding bij het L.. Helaas bestond daar een wachttijd waardoor het lang duurde voordat klaagster terecht kon. Beklaagde heeft verder gezorgd dat klaagster bij een crisis terecht kon bij de Spoedeisende Hulp van F. zodat er een vangnet bestond. Het College ziet geen aanknopingspunten voor de stelling dat beklaagde aan klaagster hulp heeft geweigerd. Het eerste klachtonderdeel is ongegrond.

5.7              Het College acht het ook niet verwijtbaar dat beklaagde de ouders van klaagster niet heeft ingelicht over de situatie. Het is namelijk niet gebleken dat in de korte periode dat beklaagde bemoeienis had, daarvoor een aanleiding bestond. Klachtonderdeel 2 is ongegrond.

5.8              Het volgende klachtonderdeel gaat over het advies voor een vervolgbehandeling. Klaagster vindt dat beklaagde had moeten adviseren om toedekkende therapie te volgen in plaats van inzichtgevende therapie. Zij vindt ook dat beklaagde de keuze voor een therapie niet bij klaagster had moeten neerleggen, omdat zij voor het maken van die keuze naar eigen zeggen niet sterk genoeg was.

5.9              Beklaagde heeft toegelicht dat zij de keuze voor ofwel toedekkende ofwel inzichtgevende therapie bij klaagster heeft neergelegd, omdat zij de inschatting heeft gemaakt dat klaagster sterk genoeg was om deze keuze zelf te maken. Beklaagde heeft aangevoerd dat zij niet altijd met een boze patiënte te maken had, maar dat zij in gesprekken met klaagster regelmatig haar volwassen kant op de voorgrond zag. Daarnaast heeft zij niet afgeraden om een inzichtgevende therapie te volgen, omdat zij erop vertrouwde dat klaagster dat op dat moment aankon.

5.10          Het College is van oordeel dat indien nu wordt teruggekeken, gezegd kan worden dat beklaagde er waarschijnlijk goed aan had gedaan om klaagster dringender toedekkende therapie te adviseren. Dat is echter een oordeel met de wetenschap van nu, namelijk dat de intensieve therapie bij het L. voortijdig is afgebroken en niet is geslaagd. Het College begrijpt uit hetgeen klaagster en beklaagde naar voren hebben gebracht dat klaagster niet alleen slechte, maar ook goede momenten kende waarbij ze, zoals klaagster het zelf noemt, vanuit haar ‘volwassen ik’ handelde. Het College acht het daarom niet onzorgvuldig dat beklaagde, uitgaande van die goede momenten, inschatte dat ze de keuze voor therapie grotendeels bij klaagster kon neerleggen. De conclusie is dat beklaagde hierin wellicht ook een andere route had kunnen bewandelen, maar gelet op alle voornoemde omstandigheden maakt dit niet dat zij in dit geval onzorgvuldig heeft gehandeld. Dit klachtonderdeel is dan ook ongegrond. 

5.11          Klaagster meent dat zij onheus is bejegend doordat beklaagde haar niet serieus heeft genomen en haar niet heeft geloofd. Beklaagde heeft de onheuse bejegening betwist. Bij de beoordeling van dit klachtonderdeel stelt het College voorop dat verwijten omtrent inhoud en wijze van (mondelinge/telefonische) communicatie zich moeilijk op hun juistheid laten beoordelen door het College, dat van die communicatie immers geen getuige is geweest. Het is vaak de toon die de muziek maakt, en die toon is aan derden niet (goed) over te brengen. Iets soortgelijks geldt met betrekking tot de context waarin woorden of uitlatingen worden gebruikt: die kan bepalend zijn voor de betekenis ervan, maar is hooguit gebrekkig te reconstrueren. Daarbij komt dat bij communicatie tussen enerzijds leken en anderzijds professionals het misverstaan van elkaar een voortdurend actueel gevaar is, dat nog toeneemt naarmate deelnemers aan die communicatie bij het onderwerp ervan emotioneel betrokken zijn. Een en ander maakt het beoordelen van de gegrondheid van deze verwijten moeilijk. Het College heeft geen aanwijzingen gevonden voor het oordeel dat beklaagde klaagster niet serieus heeft genomen. Ter illustratie geldt bijvoorbeeld dat de telefonische gesprekken tussen klaagster en beklaagde vaak langer dan een uur duren, zo stellen zij beiden. Hoewel de duur van een gesprek nog niet iets zegt over de inhoud ervan, duidt die duur er wel op dat beklaagde klaagster serieus heeft genomen in haar hulpvraag. Het College komt tot het oordeel dat klachtonderdeel 4 ongegrond is. 

5.12          De conclusie is dat beklaagde met betrekking tot de klacht geen verwijt kan worden gemaakt zoals bedoeld in artikel 47, eerste lid onder a en b van de Wet BIG. De klacht zal ongegrond worden verklaard.”

3.         Vaststaande feiten en omstandigheden

Voor de beoordeling van het hoger beroep gaat het Centraal Tuchtcollege uit van de feiten en omstandigheden zoals weergegeven in de rechtsoverweging “2. De feiten” van de beslissing in eerste aanleg, welke weergave in beroep niet, althans onvoldoende, is bestreden.

4.         Beoordeling van het beroep

Procedure

4.1 Klaagster beoogt in beroep de zaak in volle omvang aan het Centraal Tuchtcollege ter beoordeling voor te leggen. Hetgeen zij daartoe heeft aangevoerd komt in essentie neer op een herhaling van de stellingen die zij reeds in eerste aanleg heeft geuit. Zij concludeert (impliciet) tot vernietiging van de bestreden beslissing en tot gegrondverklaring van haar klacht.

4.2 De psycholoog heeft in beroep gemotiveerd verweer gevoerd. Zij verzoekt het beroep te verwerpen.  

Beoordeling van het beroep.

4.3 In beroep is de klacht in al zijn onderdelen nog een keer aan de tuchtrechter ter beoordeling voorgelegd. Het Centraal Tuchtcollege heeft kennisgenomen van de inhoud van de in eerste aanleg geformuleerde klacht en het daarover in eerste aanleg door partijen schriftelijk gevoerde debat. Het door het Regionaal Tuchtcollege gevormde zaaksdossier is aan het Centraal Tuchtcollege gestuurd. In beroep is het debat door partijen schriftelijk nog een keer gevoerd, waarbij door ieder van hen standpunten zijn ingenomen naar aanleiding van de door het Regionaal Tuchtcollege vastgestelde feiten en de door dat College gegeven beschouwingen en beslissingen. Tijdens de mondelinge behandeling op 5 november 2020 is dat debat voortgezet.

4.4 Het beraad in raadkamer na de behandeling in beroep heeft het Centraal Tuchtcollege wa t betreft de klacht geleid tot dezelfde bevindingen als het Regionaal Tuchtcollege. Wat het Regionaal Tuchtcollege onder 5 heeft overwogen en beslist wordt daarom overgenomen. Van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen of nalaten door de psycholoog is geen sprake geweest.  

4. 5 Het bovenstaande leidt tot de conclusie dat het beroep van klaagster wordt verworpen.

5.         Beslissing

Het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg:

verwerpt het beroep.

Deze beslissing is gegeven door: E.J. van Sandick, voorzitter; L.F. Gerretsen-Visser en         Y. Buruma leden-juristen; E.D. Berkvens en M.A.J. Hagenaars, leden-beroepsgenoten; en H.J. Lutgert, secretaris.

Uitgesproken ter openbare zitting van 4 december 2020.

Voorzitter   w.g.                                            Secretaris w.g.