ECLI:NL:TGZCTG:2017:181 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag c2016.269

ECLI: ECLI:NL:TGZCTG:2017:181
Datum uitspraak: 22-06-2017
Datum publicatie: 04-12-2020
Zaaknummer(s): c2016.269
Onderwerp: Geen of onvoldoende zorg
Beslissingen:
Inhoudsindicatie: .

C E N T R A A L  T U C H T C O L L E G E

voor de Gezondheidszorg

Beslissing in de zaak onder nummer C2016.269 van:

A., wonende te B., appellante, klaagster in eerste aanleg,

tegen

C., psychiater, (destijds) werkzaam te B., verweerder in beide instanties, gemachtigde: mr. W.R. Kastelein, advocaat te Zwolle.

1.         Verloop van de procedure

A. - hierna klaagster - heeft op 31 augustus 2015 bij het Regionaal Tuchtcollege te Amsterdam tegen C. - hierna de psychiater - een klacht ingediend. Bij beslissing van 13 mei 2016, onder nummer 15/265, heeft dat College de klacht afgewezen.

Klaagster is van die beslissing tijdig in beroep gekomen.

De psychiater heeft een verweerschrift in beroep ingediend.

De zaak is in beroep tegelijkertijd maar niet gevoegd met de zaken met nummers C2016.265, C2016.266, C.2016.267 en C2016.268 behandeld ter openbare terechtzitting van het Centraal Tuchtcollege van 18 mei 2017, waar zijn verschenen klaagster en de psychiater, bijgestaan door mr. Kastelein. Partijen hebben hun standpunten toegelicht.

2.         Beslissing in eerste aanleg

Het Regionaal Tuchtcollege heeft aan zijn beslissing de volgende overwegingen ten grondslag gelegd.

“2.       De feiten

Op grond van de stukken kan van het volgende worden uitgegaan:

2.1.      Klaagster, geboren op 25 september 1965, is op 18 december 2014 door de politie aangehouden en naar het politiebureau gebracht. Aanleiding daartoe waren diverse aangiftes van buren na verbale agressie en bedreigingen door klaagster en het plaatsen van een foto van een politieagent op Facebook met daarbij de beschuldiging van verkrachting.

2.2.      Na beoordeling door de voorwacht, de arts van de crisisdienst en de dienstdoende psychiater heeft de burgemeester een IBS-beschikking afgegeven om klaagster gedwongen te doen opnemen, waarna klaagster naar een psychiatrisch ziekenhuis (hierna: de instelling) is gebracht.

2.3.      Klaagster is van 18 december 2014 tot en met 23 januari 2015 in de instelling opgenomen geweest. Bij beschikking van 22 december 2014 heeft de rechtbank machtiging verleend tot voortzetting van de IBS.

2.4.      Bij beschikking van 23 januari 2015 heeft de rechtbank het verzoek tot het verlenen van een voorlopige machtiging om klaagster in de instelling te laten blijven afgewezen op de grond dat het verzoek niet voldeed aan de vereisten van artikel 5 wet BOPZ, namelijk omdat de geneeskundige verklaring was ondertekend door een psychiater met wie een behandelcontact was geweest.

2.5.      Verweerder was behandelend psychiater van klaagster gedurende haar verblijf in de instelling. 

3.         De klacht en het standpunt van klaagster

De klacht houdt zakelijk weergegeven in dat verweerder:

a.         heeft verzuimd klaagster objectief te diagnosticeren en zich niet professioneel tegenover klaagster heeft opgesteld;

b.         intimiderende praktijken en psychologische spelletjes van het personeel van de instelling jegens klaagster heeft toegelaten, waardoor zij ernstig getraumatiseerd is geraakt.

Klaagster heeft ter toelichting onder meer aangevoerd dat verweerder door zijn bevooroordeelde houding en door de subjectiviteit van zijn medewerkers ervoor heeft gezorgd dat de opname verliep zoals dat tevoren was gepland. Klaagster vermeldt als intimiderende praktijken het opmaken van het vegetarische eten door het personeel tijdens kerstavond, terwijl zij geen vegetariër zijn, het ’s nachts laten springen van het doucheputje, het verdraaien van klaagsters woorden, bagatelliseren van een luizenbesmetting, het tutoyeren door het personeel, afluisteren, dwangmedicatie en klaagster proberen te overtuigen dat de leugens van de voorwacht bij de politie feiten waren.

4.         Het standpunt van verweerder

Verweerder heeft de klacht en de daaraan ten grondslag gelegde stellingen bestreden. Daartoe heeft hij onder meer het navolgende aangevoerd.

Op 19 december 2014 is klaagster door verweerder voor het eerst gezien. Er was sprake van paranoïde gedachten, een psychotische stoornis en agitatie.

Gedurende het begin van de opname is klaagster geobserveerd. Verhoogde achterdocht en agitatie bevestigden de eerder aangenomen werkhypothese psychose. Er is getracht medicatie aan te bieden op vrijwillige basis. Naarmate de werkhypothese van een psychotische stoornis verder werd bevestigd, is besloten een procedure in het kader van een rechterlijke machtiging in gang te zetten. Klaagster is gedurende de opname gezien door meerdere psychiaters, die allen de diagnose psychotische stoornis NAO met paranoïde wanen bevestigden. Omdat klaagster niet vrijwillig instemde met medicatie, werd tevens dwangbehandeling aangezegd, waarbij klaagster onder meer is geïnformeerd over haar rechten. Er is met klaagster gesproken over de medicatie, er is uitleg gegeven over het systeem en er is tevergeefs geprobeerd klaagster voor de medicatie te motiveren. De medicatie gaf, na een eerste toename van de agitatie, uiteindelijk verbetering. Het was nodig om de psychose met dwangmedicatie te behandelen, alternatieven waren er niet en de behandeling was proportioneel. Op 6 januari 2015 is klaagster een behandelplan voorgelegd. Dit is niet door klaagster ondertekend.

Verweerder acht het al dan niet aanwezig zijn van vegetarisch eten niet zijn verantwoordelijkheid, maar uit de decursus valt af te leiden dat erop gelet werd dat klaagster vegetarisch te eten kreeg. Mocht dit op enig moment toch op zijn geweest dan is dit niet geweest uit minachting voor klaagster. Voor zover verweerder bekend is geen sprake geweest van een springend doucheputje of een luizenbesmetting. Hiervan blijkt niets uit het dossier en ook zijn degelijke zaken niet de verantwoordelijkheid van verweerder. Verweerder tutoyeert nooit een patiënt zonder dat met die patiënt af te stemmen. Uit het dossier van klaagster blijkt dat geen melding is gemaakt van een besluit tot uitluisteren van de kamer van klaagster. Van zo’n besluit wordt altijd melding gemaakt aan de patiënt. Van deze mogelijkheid wordt met name gebruik gemaakt als sprake is van verhoogd suïciderisico, hetgeen bij klaagster niet aan de orde was.

Verweerder herkent zich niet in het verwijt dat het personeel van de instelling zich bezig zou hebben gehouden met intimiderende praktijken. De procedure met betrekking tot de dwangmedicatie is zorgvuldig gevolgd.

5.         De beoordeling

5.1.      Het dossier biedt het college geen aanknopingspunten voor het oordeel dat verweerder niet objectief naar klaagster zou hebben gekeken en/of zich jegens klaagster niet professioneel zou hebben opgesteld. Evenmin is sprake van aanwijzingen dat sprake zou geweest van een onjuiste bejegening van klaagster door verweerder of door personeel van de instelling, in het bijzonder van intimidatie, zoals door klaagster aangegeven, nog daargelaten of verweerder voor de door klaagster gestelde voorvallen verantwoordelijk zou kunnen worden gehouden. Het is voor het college duidelijk dat klaagster nimmer heeft kunnen instemmen met haar opname en de diagnose die daaraan ten grondslag ligt, wat met zich mee heeft gebracht dat de opname voor klaagster een moeilijke tijd is geweest. Hiervan wordt in het dossier ook door de behandelaars en betrokken verpleegkundigen veelvuldig melding gemaakt. Dat neemt evenwel niet weg dat onmiskenbaar sprake was van een psychotisch toestandsbeeld bij klaagster en dat het beleid van verweerder gericht is geweest op een adequate behandeling daarvan.

5.2.      Het college acht op grond van het dossier voldoende aannemelijk dat getracht is om medewerking van klaagster te krijgen tot medicatie op vrijwillige basis en, toen klaagster afwerend reageerde, de mogelijkheid en gevolgen van dwangmedicatie met haar zijn besproken. De gegeven medicatie is niet ongebruikelijk en was blijkens het dossier effectief. 

5.3.      Van enig tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen of nalaten door verweerder is niet gebleken.

De conclusie van het voorgaande is dat de klacht kennelijk ongegrond is.

Verweerder kan met betrekking tot de klacht geen verwijt als bedoeld in artikel 47 lid 1 van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg worden gemaakt.”

3.         Vaststaande feiten en omstandigheden

Voor de beoordeling van het beroep gaat het Centraal Tuchtcollege uit van de feiten en omstandigheden zoals weergegeven in de beslissing in eerste aanleg, welke weergave in beroep niet is bestreden.

4.         Beoordeling van het beroep

4.1       Blijkens haar (aanvullend) beroepschrift is klaagster het niet eens met de beslissing van het Regionaal Tuchtcollege van 13 mei 2016. Naar het Centraal Tuchtcollege begrijpt, beoogt klaagster met haar beroep haar klacht opnieuw ter beoordeling voor te leggen met in achtneming van de door haar overgelegde video- en geluidsopnames die het Regionaal Tuchtcollege buiten beschouwing heeft gelaten.

4.2       De psychiater heeft gemotiveerd verweer gevoerd. Uit zijn verweer blijkt dat de psychiater zich kan vinden in het oordeel van het Regionaal Tuchtcollege dat hem geen verwijt als bedoeld in artikel 47 lid 1 van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg kan worden gemaakt.

Ontvankelijkheid van klaagster in het beroep

4.3       De psychiater heeft in beroep (primair) aangevoerd dat klaagster niet-ontvankelijk moet worden verklaard in haar beroep omdat, samengevat, het (aanvullend) beroepschrift niet de gronden van het beroep bevat. Uit dat beroepschrift blijkt dat klaagster het beroep vooral wenst te benutten om haar klacht te onderbouwen met (nader) bewijsmateriaal. Dit vormt een voldoende grond voor beroep. Klaagster wordt dan ook in haar beroep ontvangen.

Beoordeling van de klacht

4.4       Tijdens de terechtzitting in beroep op 18 mei 2017 heeft klaagster haar klacht herhaald en nader toegelicht. De psychiater heeft ten verweer aangevoerd, samengevat, dat hij bij de behandeling van klaagster alle gangbare procedures heeft gevolgd, dat hij klaagster objectief heeft gediagnosticeerd en zich altijd professioneel tegenover haar heeft opgesteld.

4.5       Het Centraal Tuchtcollege komt op grond van de stukken waaronder transcripties van door klaagster opgenomen telefoongesprekken en het mondeling debat tijdens de terechtzitting in beroep omtrent het handelen van de psychiater tot dezelfde bevindingen als het Regionaal Tuchtcollege en neemt hetgeen het Regionaal Tuchtcollege onder ‘5. De beoordeling’ heeft overwogen over de handelwijze van de psychiater hier over. Daarmee onderschrijft het Centraal Tuchtcollege het oordeel van het Regionaal Tuchtcollege dat de psychiater met betrekking tot de klacht geen verwijt als bedoeld in artikel 47 lid 1 van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg kan worden gemaakt. Dit betekent dat de klacht van klaagster faalt en het beroep moet worden verworpen.

4.6       Het hiervoor overwogene leidt tot de volgende beslissing.

5.         Beslissing

Het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg:

verwerpt het beroep.

Deze beslissing is gegeven door: mr. E.J. van Sandick, voorzitter, mr. L.F. Gerretsen-Visser en mr. E.F. Lagerwerf-Vergunst, leden-juristen en mr. drs. R.H. Zuiderhout en drs. M. Drost, leden-beroepsgenoten en mr. R. Blokker, secretaris, en uitgesproken ter openbare zitting

van 22 juni 2017.  Voorzitter  w.g.    Secretaris  w.g.