Zoekresultaten 14031-14040 van de 47536 resultaten
-
ECLI:NL:TAHVD:2020:263 Hof van Discipline 's-Hertogenbosch 200042 en 200043
- Datum publicatie: 18-12-2020
- Datum uitspraak: 04-12-2020
- ECLI:NL:TAHVD:2020:263
Klacht van (medewerkers van) de Belastingdienst tegen twee verweerders met twee klachtonderdelen: a) het belemmeren van een fiscaal onderzoek en b) het ten onrechte beschuldigen van schending van het ambtsgeheim. De Belastingdienst voert een onderzoek uit dat onder meer gericht is op mogelijke erfbelasting die verschuldigd zou zijn door de erfgenamen van een overledene. De overledene had voor zijn overlijden bijna 1 miljoen Euro contant opgenomen van een Duitse bankrekening. Dit geldbedrag is na zijn overlijden op advies van verweerders op de derdengeldrekening van hun kantoor gestort. De Belastingdienst is van oordeel dat de twee erfgenamen van de overledene mogelijk rechthebbenden zijn op het geldbedrag. Door verweerders is namens hun cliënten een brief gestuurd aan deze erfgenamen waarin zij hen verbieden in gesprek te gaan met de Belastingdienst. Het hof stelt vast dat de bewoordingen en toonzetting van de brief niet anders kunnen worden opgevat dan als het dreigen met zware consequenties als zij dat wel zouden doen. Verweerder heeft daarmee geprobeerd te voorkomen dat vragen van de Belastingdienst door de erfgenamen zouden worden beantwoord, terwijl zij daartoe wettelijk verplicht zijn. Dit handelen (klachtonderdeel a) is in strijd met wat van een integer en betamelijk handelend advocaat mag worden verwacht. In dezelfde brief hebben verweerders medewerkers van de Belastingdienst beschuldigd van schending van het ambtsgeheim. Bij het uiten van zo’n zware en diffamerende beschuldiging mag van een advocaat worden verwacht dat hij zich kan baseren op concrete feiten die deze beschuldiging ondersteunen. De beschuldiging steunt echter alleen op een vermoeden. Verweerders hebben onbetamelijk, niet integer er niet professioneel gehandeld door klagers tegenover derden te beschuldigen van een ambtsmisdrijf. Ook klachtonderdeel b) is daarom gegrond. Het hof acht beide gegronde klachtonderdelen ernstige feiten en legt beide verweerders een berisping op. Proceskostenveroordeling.
-
ECLI:NL:TGZCTG:2020:232 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag c2020.154
- Datum publicatie: 18-12-2020
- Datum uitspraak: 18-12-2020
- ECLI:NL:TGZCTG:2020:232
Klacht tegen huisarts. Bij klaagster, bekend met urineweginfecties, is als gevolg van het gebruik van nitrofurantoïne acute hepatitis ontstaan in 2018. Dit is een zeer uitzonderlijke bijwerking van het middel. Klaagster verwijt haar toenmalige huisarts dat deze in 2018 nitrofurantoïne heeft voorgeschreven ondanks dat zij al wist dat klaagster daar maagklachten van kreeg. Daarnaast had verweerster volgens klaagster meer onderzoek moeten doen naar het effect van nitrofurantoïne op klaagster. Het Regionaal Tuchtcollege overweegt dat de bijwerking zo zeldzaam is dat de huisarts daar niet alert op behoefde te zijn nu klaagster ook geen klachten presenteerde die daar een symptoom van kunnen zijn. Voorts bestond er geen indicatie voor nader onderzoek. Het Regionaal Tuchtcollege verklaart de klacht ongegrond. Het Centraal Tuchtcollege verwerpt het beroep van klaagster.
-
ECLI:NL:TGZRAMS:2020:157 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Amsterdam 2020/180
- Datum publicatie: 17-12-2020
- Datum uitspraak: 17-12-2020
- ECLI:NL:TGZRAMS:2020:157
Klager verwijt de arts (destijds ANIOS Neurologie) dat hij - door de handboeien die klager aan de voorkant van zijn lichaam om had - de lumbaalpunctie bij klager in een verkeerde zittende houding heeft uitgevoerd, met als gevolg dat klager last heeft van chronische hoofdpijn. De aangeklaagde arts heeft verweer gevoerd. Het college heeft de klacht kennelijk ongegrond verklaard. Er is geen aanwijzing dat de lumbaalpunctie een oorzakelijke relatie heeft met de chronische hoofdpijn van klager, de lumbaalpunctie is naar het oordeel van het college lege artis uitgevoerd. Ongegrond
-
ECLI:NL:TGDKG:2020:64 kamer voor gerechtsdeurwaarders Amsterdam C/13/675199 / DW RK 19/603 LV/WdJ
- Datum publicatie: 17-12-2020
- Datum uitspraak: 04-12-2020
- ECLI:NL:TGDKG:2020:64
Beslissing op verzet. Voorzittersbeslissing niet-ontvankelijk, want hetzelfde feitencomplex als eerdere klacht. Verzet ongegrond.
-
ECLI:NL:TADRARL:2020:218 Raad van Discipline Arnhem-Leeuwarden 20-431
- Datum publicatie: 17-12-2020
- Datum uitspraak: 07-12-2020
- ECLI:NL:TADRARL:2020:218
Dekenbezwaar, waarbij verweerder in strijd heeft gehandeld met art. 6.27 leden 1 en 2 Voda. Verweerder heeft een cliënt en ook diens echtgenote bijgestaan, onder meer in aanloop naar de faillietverklaringen van ieder van hen. Verweerder heeft contante betaling van € 2.000,- van zijn cliënte aangenomen op de dag van haar faillietverklaring. Dat die gelden door haar vader waren betaald op basis van een door verweerder met hem gesloten borgstellingsovereenkomst - waarover verweerder in strijd met Regel 19 lid 2 geen overleg met de deken heeft gehad - heeft verweerder niet kunnen aantonen. Door die gelden op grond van art. 23 Fw niet op eerste verzoek van de curator naar de faillissementsrekening over te maken, heeft verweerder zich niet betamelijk gedragen richting die curator (Regel 1). Daarnaast heeft verweerder door zijn cliënt een (buitenproportionele) cessie-akte laten ondertekenen ten gunste van hemzelf ter voldoening van zijn declaratie, zonder voorafgaand overleg met de deken daarover (Regel 6.19 lid 2), en ten nadele van zijn cliënten (Regel 1). Richting zijn cliënt heeft hij onduidelijkheid laten ontstaan over de grote financiële gevolgen van de cessie-akte voor hem en zijn echtgenote en niet is gebleken dat hij gedegen onderzoek naar de over te dragen vordering heeft gedaan. Ook had verweerder zich voor de ondertekening van de cessie-akte ervan moeten vergewissen of zijn cliënt in gemeenschap van goederen was gehuwd met zijn cliënte, waarvan hij ten tijde van de ondertekening van de cessie-akte al wist dat zij mogelijk failliet zou worden verklaard. Verweerder heeft financieel aldus niet integer gehandeld (art. 10a lid 1 sub d Advocatenwet). Daarnaast heeft verweerder zich jegens de rechtbank en de betrokken curatoren in het faillissement van een andere cliënte QH niet gedragen zoals een behoorlijk advocaat betaamt en heeft hij met zijn handelen het vertrouwen in de advocatuur geschaad (Regel 1). In strijd met de waarheid heeft hij ter zitting van de rechtbank verklaard dat hij een bedrag van € 10.000,- onder zich had, op grond van die uitlatingen van verweerder het verzet tegen het vonnis tot faillietverklaring gegrond is verklaard en het faillissement van die cliënte is vernietigd. Met diezelfde uitlatingen ter zitting heeft verweerder ook de toenmalige curator misleid, daarna zelfs nog aan het lijntje gehouden, over de betaling van diens curatorsalaris. Na de latere definitieve faillietverklaring van de cliënte heeft verweerder opnieuw de rechtbank misleid met zijn voorstel voor een crediteurenakkoord en zijn garantie over de tijdige betaling daarvan voor de zitting. Kort voor de verificatievergadering waren de akkoordpenningen niet bijgeschreven, heeft verweerder zich (tijdig) aan de zaak onttrokken, en is het akkoord verworpen. Voorwaardelijke schorsing van 12 weken.
-
ECLI:NL:TADRARL:2020:219 Raad van Discipline Arnhem-Leeuwarden 20-430
- Datum publicatie: 17-12-2020
- Datum uitspraak: 07-12-2020
- ECLI:NL:TADRARL:2020:219
Klager klaagt als faillissementscurator over het handelen van verweerder namens zijn twee cliënten (echtgenoten) die ieder apart maanden na elkaar failliet zijn verklaard, met benoeming van klager tot hun curator. Naar het oordeel van de raad is klager als vertegenwoordiger van de schuldeisers ontvankelijk in zijn klachten. Verweerder heeft in strijd met artikel 23 Faillissementswet niet meteen het op de dag van haar faillietverklaring contant van zijn cliënte ontvangen bedrag, wat daar ook van zij, overgemaakt naar de boedel, ondanks verzoeken daartoe. Daarmee heeft hij tevens gehandeld zoals een behoorlijk advocaat niet betaamt in de zin van artikel 46 Advocatenwet en daarmee het vertrouwen in de advocatuur geschaad (vgl. Regel 1). Datzelfde heeft te gelden ten aanzien van de met zijn cliënt gesloten cessieovereenkomst voor (buitenproportionele) betaling van zijn facturen, terwijl verweerder wist dat een aanvraag tot faillietverklaring van diens echtgenote (zijn cliënte) was ingediend en hij toen ook had moeten weten dat zijn cliënt in gemeenschap van goederen met haar was gehuwd. Daarmee heeft verweerder niet alleen de boedel van zijn failliete cliënte benadeeld maar ook de schuldeisers in het faillissement van zijn eveneens failliete cliënt, voor eigen financieel gewin. Berisping.
-
ECLI:NL:TNORSHE:2020:28 Kamer voor het notariaat 's-Hertogenbosch SHE/2019/44
- Datum publicatie: 17-12-2020
- Datum uitspraak: 07-12-2020
- ECLI:NL:TNORSHE:2020:28
Het BFT verwijt de kandidaat-notaris kort gezegd: onzorgvuldig handelen in strijd met artikel 17 Wna, artikel 43 Wna en overige bepalingen; II. handelen in strijd met het provisieverbod ex artikel 9 Verordening beroeps- en gedragsregels 2011 (Vbg 2011) en artikel 19 Vbg 2011; III. handelen in strijd met de poortwachtersrol volgens de verplichtingen uit de Wna en de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme (Wwft), te weten de Wwft-opleidingsplicht, de onderzoeksplicht/weigeringsplicht, de Belehrungspflicht, de zorgvuldigheidsplicht, het Wwft-cliëntenonderzoek en de Wwft-meldingsplicht. Klachtonderdeel I wordt gedeeltelijk gegrond verklaard. Klachtonderdeel II wordt gegrond verklaard. De kamer is van oordeel dat de kandidaat-notaris in strijd heeft gehandeld met het provisieverbod van artikel 9 Vbg 2011 en dat hij niet heeft gezorgd voor een juiste presentatie van het notariskantoor. Klachtonderdeel III wordt gedeeltelijk gegrond verklaard. Wat betreft de maatregeloplegging heeft de kamer overwogen dat een (kandidaat-)notaris te allen tijde de op hem rustende wettelijke verplichtingen dient na te komen. De gegronde klachtonderdelen zien onder meer op de - uit de Wna en/of Wwft voortvloeiende - kernwaarden in het notariaat als onderzoeksplicht en zorgplicht en de poortwachtersfunctie van de (kandidaat-)notaris. Een (kandidaat-)notaris moet onder andere voorkomen dat hij een schakel wordt in de totstandkoming van transacties die verband (kunnen) houden met witwassen en financieren van terrorisme. Het nalaten van een zorgvuldig onderzoek, het niet opschorten dan wel weigeren van zijn dienstverlening en het onvoldoende invulling geven aan de op hem rustende verplichtingen op grond van de Wwft, is daarom een ernstige tekortkoming van de kandidaat-notaris. Bovendien zien de klachten niet op één, maar op verschillende soorten akten, zodat de tekortkomingen zich hebben voorgedaan over de gehele breedte van de praktijk van de kandidaat-notaris. Gezien de ernst van de verweten gedragingen en het feit dat een groot deel van de klachtonderdelen gegrond wordt verklaard, zou de optelsom kunnen zijn dat aan de kandidaat-notaris de zwaardere maatregel van schorsing wordt opgelegd, maar daarvoor ziet de kamer te weinig grond. De kandidaat-notaris heeft blijk gegeven van inzicht in het verwijtbare van zijn handelen en nalaten. Hij heeft ook maatregelen getroffen ter verbetering van de naleving van zijn verplichtingen op grond van de Wna en Wwft. Zo heeft hij naar eigen zeggen bijvoorbeeld afscheid genomen van personeelsleden die niet bekwaam waren, heeft hij tekstblokken in akten aangepast, heeft hij de reclame-actie van de oud-notaris (inhoudende de oprichting van een B.V. in één dag) beëindigd, heeft hij de samenwerking met De Hypotheker beëindigd en voldoet hij sinds het BFT-onderzoek wél aan de Wwft- opleidingsverplichting. Gezien het vorenstaande heeft de kamer de maatregel van berisping in combinatie met het opleggen van een geldboete passend en geboden geacht. De kamer heeft de hoogte van de boete vastgesteld op € 10.000,--.
-
ECLI:NL:TGZREIN:2020:74 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Eindhoven 2088
- Datum publicatie: 17-12-2020
- Datum uitspraak: 14-12-2020
- ECLI:NL:TGZREIN:2020:74
Verzekeringsarts wordt verweten dat hij een medisch rapport over haar aan het UWV heeft uitgebracht zonder haar gezien te hebben, maar wel de bedrijfsarts heeft gehoord. College: de werkgever van klaagster heeft een ‘deskundigenoordeel re-integratie inspanningen werkgever’ gevraagd. Hier heeft de arbeidsdeskundige de regie, voor de verzekeringsarts is een marginale rol weggelegd. Persoonlijk contact met en een eigen medisch onderzoek van klaagster was ter beantwoording van de aan de verzekeringsarts gestelde vragen niet noodzakelijk. De verzekeringsarts mocht ervan uitgaan dat de gegevens zoals opgetekend in de aan hem overhandigde stukken juist waren. Ongegrond.
-
ECLI:NL:TNORSHE:2020:29 Kamer voor het notariaat 's-Hertogenbosch SHE/2019/45
- Datum publicatie: 17-12-2020
- Datum uitspraak: 07-12-2020
- ECLI:NL:TNORSHE:2020:29
Het BFT verwijt de notaris kort gezegd: onzorgvuldig handelen in strijd met artikel 17 Wna, artikel 43 Wna en overige bepalingen; II. handelen in strijd met het provisieverbod ex artikel 9 Verordening beroeps- en gedragsregels 2011 (Vbg 2011) en artikel 19 Vbg 2011; III. passeren zonder ontheffing ex artikel 29 lid 4 Wna. Klachtonderdeel I wordt ongegrond verklaard, omdat de zes subonderdelen van dit klachtonderdeel allemaal betrekking hebben op door de kandidaat-notaris in zijn hoedanigheid van waarnemer gepasseerde akten in ófwel het protocol van de notaris ófwel het protocol van de oud-notaris. Ten aanzien van de notaris is de kamer van oordeel dat haar in deze gevallen geen tuchtrechtelijke verwijten kunnen worden gemaakt. Een waarnemend kandidaat‑notaris handelt in beginsel namelijk niet onder de verantwoordelijkheid van de waargenomen notaris of een andere notaris. Daar komt bij dat gesteld noch gebleken is dat de notaris bemoeienis heeft gehad met het opstellen en passeren van de betreffende akten in haar eigen protocol dan wel het protocol van de oud-notaris. Klachtonderdeel II wordt gegrond verklaard. De kamer is van oordeel dat de notaris in strijd heeft gehandeld met het provisieverbod van artikel 9 Vbg 2011 en dat zij niet heeft gezorgd voor een juiste presentatie van het notariskantoor. Klachtonderdeel III wordt ongegrond verklaard. De notaris mocht vertrouwen op de beslissing van de voorzitter van de kamer Den Haag van 30 december 2016. Bij deze beslissing heeft de voorzitter, in afwachting van de verlening van de ontheffing door de kamer - ambtshalve en met spoed - een ordemaatregel getroffen, omdat vanaf 1 januari 2017 in de waarneming van het protocol van de oud-notaris moest worden voorzien. In die beslissing worden geen beperkingen (zoals het niet mogen passeren van akten) opgelegd aan de tot waarnemer benoemde notaris. Tegen deze achtergrond heeft het BFT onvoldoende onderbouwd dat de notaris in de periode van 1 tot en met 17 januari 2017 onzorgvuldig heeft gehandeld door akten te passeren in het protocol van de oud-notaris. De kamer heeft aan de notaris de maatregel van waarschuwing opgelegd
-
ECLI:NL:TGZREIN:2020:75 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Eindhoven 2039
- Datum publicatie: 17-12-2020
- Datum uitspraak: 14-12-2020
- ECLI:NL:TGZREIN:2020:75
Verzekeringsarts wordt onder meer verweten dat zij als arts in de rapportage bevooroordeeld is over de onderzoeksmethodes, diagnostiek en therapie van het behandelcentrum waar klager onder behandeling is. Criteria rapportage. Rapportage voldoet daar niet aan. Door de bedoelde (door het college vetgedrukte) passage in de rapportage op te nemen heeft verweerster de indruk gewekt dat zij met dit rapport over het hoofd van klager heen de stichting in diskrediet wil brengen. Dat had verweerster moeten nalaten en het is begrijpelijk dat klager deze passage als ongenuanceerd en denigrerend heeft ervaren en dat hij daardoor twijfels heeft gekregen over haar onafhankelijkheid. Gedeeltelijk gegrond. Waarschuwing.
- Vorige pagina zoekresultaten
- Pagina: 1
- ...
- Pagina: 1403
- Pagina: 1404
- Pagina: 1405
- ...
- Pagina: 4754
- Volgende pagina zoekresultaten