ECLI:NL:TGZRAMS:2020:157 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Amsterdam 2020/180

ECLI: ECLI:NL:TGZRAMS:2020:157
Datum uitspraak: 17-12-2020
Datum publicatie: 17-12-2020
Zaaknummer(s): 2020/180
Onderwerp: Onjuiste behandeling/verkeerde diagnose
Beslissingen: Ongegrond/afwijzing
Inhoudsindicatie: Klager verwijt de arts (destijds ANIOS Neurologie) dat hij - door de handboeien die klager aan de voorkant van zijn lichaam om had - de lumbaalpunctie bij klager in een verkeerde zittende houding heeft uitgevoerd, met als gevolg dat klager last heeft van chronische hoofdpijn. De aangeklaagde arts heeft verweer gevoerd. Het college heeft de klacht kennelijk ongegrond verklaard. Er is geen aanwijzing dat de lumbaalpunctie een oorzakelijke relatie heeft met de chronische hoofdpijn van klager, de lumbaalpunctie is naar het oordeel van het college lege artis uitgevoerd. Ongegrond

REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG

AMSTERDAM

Beslissing naar aanleiding van de op 17 april 2020 binnengekomen klacht van:

A,

thans verblijvende te B

klager,

tegen

C,

arts,

destijds werkzaam te D, thans werkzaam te E,

verweerder,

gemachtigde: mr. D. Zwartjens, werkzaam te Utrecht.

1.         De procedure

1.1       Het college heeft kennisgenomen van de volgende stukken:

-                      het klaagschrift met de bijlagen;

-                      de aanvulling op het klaagschrift met de bijlagen;

-                      de op 20 juli en 10 augustus 2020 ingekomen brieven van klager;

-                      het verweerschrift met de bijlagen;

-                      de correspondentie met betrekking tot het vooronderzoek;

-                      het proces-verbaal van het op 19 oktober 2020 gehouden vooronderzoek.

1.2       De klacht is in raadkamer behandeld.

2.         De feiten

Op grond van de stukken kan van het volgende worden uitgegaan:

2.1       Klager (geboren 1986) werd in de periode 2012-2013 behandeld voor een Non-Hodgkin lymfoon. In 2017 bleek sprake te zijn van een recidief. Klager is sinds februari 2017 gedetineerd. 

2.2       Op 15 oktober 2018 werd klager op verwijzing van de arts uit de PI op de poli Neurologie gezien van het F (hierna: F) te I in verband met (ernstige) hoofdpijnkachten. Er werd neurologisch onderzoek uitgevoerd door een collega van verweerder. Op 23 oktober 2018 werd bij klager een MRI-hersenen verricht.

2.3       Verweerder was sinds april 2015 als ANIOS Neurologie werkzaam en sinds november 2018 als ANIOS Neurologie in het F. Sinds januari 2020 is verweerder werkzaam als AIOS Neurologie in het G te E.

2.4       Op 5 november 2018 heeft verweerder bij klager een lumbaalpunctie verricht. Deze ingreep was de eerste betrokkenheid van verweerder bij de neurologische behandeling van klager in het F.

In het medisch dossier is door verweerder op 5 november 2018 het volgende genoteerd:

“ (…)

LP verricht bij patiënt; patiënt gebruikt geen bloedverdunners. Na uitleg akkoord met de procedure.

Traumatische punctie, liggend niet gelukt, bewegende patiënt. Zittend geprikt derhalve geen druk. (…)

Nadien hoofdpijn, rugpijn en misselijkheid.

Dit trok en patiënt werd terug begeleid naar de penitentiaire instelling.

(…)”

Het liquor onderzoek liet geen afwijkingen zien.

2.5       In het verpleegkundig dossier is op 5 november 2018 genoteerd, voor zover van belang:

“(…) Lumbaalpunctie goed gegaan (…)”

2.6       De dagen na de lumbaalpunctie bleef klager last houden van hoofdpijnklachten, met name bij lopen en rechtop zitten. Op 9 november 2018 werd klager hiervoor retour gezien in het F. De klachten van klager werden geduid als postpunctionele hoofdpijn. Klager werd hiervoor door de anesthesist behandeld met een bloodpatch (inspuiting van eigen bloed in de epidurale ruimte om het lek te dichten).

2.7       Aangezien klager de periode daarna last bleef houden van aanhoudende hoofdpijnklachten, werd in december 2018 nader onderzoek verricht in het F. Er werd daarbij geen verklaring gevonden voor de klachten van klager. Differentiaal diagnostisch werd gedacht aan spanningshoofdpijn; hierop werd het neurologisch beleid verder gericht. Verweerder was daar niet meer bij betrokken; het laatste contact tussen verweerder en klager was op 4 december 2018.

3.         De klacht en het standpunt van klager

De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerder - door de handboeien die klager om had aan de voorkant van zijn lichaam tijdens de ingereep - de lumbaalpunctie in een verkeerde, zittende houding heeft uitgevoerd, met als gevolg chronische hoofdpijn.

4.         Het standpunt van verweerder

Verweerder heeft de klacht en de daaraan ten grondslag gelegde stellingen bestreden. Voor zover nodig wordt daarop hieronder ingegaan.

5.         De beoordeling

5.1       De vraag die beantwoord moet worden is of verweerder ‘binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening’ is gebleven. Met andere woorden; of hij voldoende zorgvuldig en deskundig heeft gehandeld, tijdens het verrichten van de lumbaalpunctie.

5.2       Verweerder heeft in zijn verweer het volgende aangevoerd.

Verweerder heeft geen herinnering aan 5 november 2018, ook niet aan het feit dat klager geboeid was. Hij maakt normaal gesproken in het medisch dossier wel een aantekening als een patiënt geboeid is; in dit geval heeft verweerder daarover niets genoteerd. Klager had naar eigen zeggen handboeien om aan de voorkant van zijn lichaam; dit levert sowieso geen probleem op voor het uitvoeren van een lumbaalpunctie. Als verweerder door handboeien niet goed zou kunnen prikken en de handboeien zouden niet af mogen van de politie, dan voert verweerder de ingreep niet uit. In deze zaak was daarvan geen sprake, de lumbaalpunctie kon bij klager goed worden uitgevoerd. Vóór aanvang van de ingreep heeft verweerder uitleg gegeven aan klager en besproken dat er een kans bestaat dat na afloop postpunctionele hoofdpijnklachten kunnen ontstaan. Dit is helaas bij klager ook gebeurd. Dit is een complicatie die kan voorkomen en is behandeld door de bloodpatch. De chronische hoofdpijn waar klager nog steeds last van heeft, heeft niets te maken met de op 5 november 2018 uitgevoerde lumbaalpunctie.

Dit alles aldus verweerder.

5.3       De kern van de klacht is dat klager sinds de lumbaalpunctie last heeft van chronische hoofdpijn en dat dit volgens hem komt omdat hij verkeerd geprikt is vanwege de handboeien die hij om had.

5.4       Het college oordeelt als volgt.

Of klager tijdens de lumbaalpunctie handboeien om had, kan het college niet met zekerheid vasstellen, nu partijen hierover van mening verschillen en er niets over is vastgelegd in het medisch dossier – dit in tegenstelling tot de bloodpatch die is verricht, waarbij is genoteerd “ pt zeer moeilijk te prikken door handboeien die niet af moge n“. Of klager nu handboeien om had of niet, het college heeft vastgesteld dat de lumbaalpunctie bij klager uiteindelijk gelukt is in een zittende houding. Uit het medisch dossier blijkt dat klager beweeglijk was en het om die reden niet lukte om liggend de lumbaalpunctie uit te voeren (zie hiervoor onder 2.4). Een lumbaalpunctie kan zonder problemen ook in een zittende houding worden uitgevoerd, zelfs met handboeien aan de voorkant van het lichaam van de patiënt. Een zittende houding had bij klager misschien zelfs wel de voorkeur, omdat - gelet op zijn medische voorgeschiedenis - bloedvermenging absoluut vermeden moest worden.

Vóór aanvang van de lumbaalpunctie wordt de patiënt altijd voorgelicht over onder andere de mogelijke complicaties. Gelet op de inhoud van het medisch dossier is ook aannemelijk dat dit bij klager is gebeurd. Klager heeft naar eigen zeggen in ieder geval ook een informatiefolder gekregen. Helaas, zo is gebleken, is bij klager sprake geweest van postpunctionele hoofdpijn. Dit is een veel voorkomende complicatie bij een lumbaalpunctie, waarvan verweerder geen (tuchtrechtelijk) verwijt kan worden gemaakt. Klager is enkele dagen na de lumbaalpunctie adequaat behandeld voor de postpunctionele hoofdpijn via een bloodpatch. De postpunctionele hoofdpijn maakt overigens geen onderdeel uit van de klacht.

Klager bleef echter daarna nog steeds last houden van persisterende hoofdpijn. Volgens klager was er zelfs sprake van toenemende hoofdpijn na de lumbaalpunctie. Dit is wel waar de klacht over gaat.

Het college merkt op dat gebleken is dat de hoofdpijn bij klager al jaren bestond, dus ook al vóórdat de lumbaalpunctie werd uitgevoerd. Er is geen aanwijzing dat de lumbaalpunctie een oorzakelijke relatie heeft met de chronische hoofdpijn waar klager nu nog steeds last van heeft, de lumbaalpunctie is naar het oordeel van het college lege artis uitgevoerd.

5.5       Alles overziend komt het college tot de conclusie dat de klacht kennelijk ongegrond is. Verweerder kan met betrekking tot de klacht geen verwijt als bedoeld in artikel 47 lid 1 van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg worden gemaakt.

6. De beslissing

Het college verklaart de klacht kennelijk ongegrond.

Aldus beslist op 17 december 2020 door:

J. Recourt, voorzitter,

R.H. Boerman en J.A. Carpay, leden-arts,

bijgestaan door S.R.M.I. Roos-Bollen, secretaris.

WG  secretaris                                                                                          WG voorzitter