ECLI:NL:TGZREIN:2020:74 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Eindhoven 2088
| ECLI: | ECLI:NL:TGZREIN:2020:74 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 14-12-2020 |
| Datum publicatie: | 17-12-2020 |
| Zaaknummer(s): | 2088 |
| Onderwerp: | Onjuiste verklaring of rapport |
| Beslissingen: | Ongegrond/afwijzing |
| Inhoudsindicatie: | Verzekeringsarts wordt verweten dat hij een medisch rapport over haar aan het UWV heeft uitgebracht zonder haar gezien te hebben, maar wel de bedrijfsarts heeft gehoord. College: de werkgever van klaagster heeft een ‘deskundigenoordeel re-integratie inspanningen werkgever’ gevraagd. Hier heeft de arbeidsdeskundige de regie, voor de verzekeringsarts is een marginale rol weggelegd. Persoonlijk contact met en een eigen medisch onderzoek van klaagster was ter beantwoording van de aan de verzekeringsarts gestelde vragen niet noodzakelijk. De verzekeringsarts mocht ervan uitgaan dat de gegevens zoals opgetekend in de aan hem overhandigde stukken juist waren. Ongegrond. |
Uitspraak: 14 december 2020
HET REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG
TE EINDHOVEN
heeft het volgende overwogen en beslist omtrent de op 14 juli 2020 ingekomen klacht van:
[A]
wonende te [B]
klaagster
gemachtigde P.A.J. Wels te Sittard
tegen:
[C]
verzekeringsarts
werkzaam te [D]
BIG-registratienummer [E]
verweerder
gemachtigde mr. A. Schippers te Amsterdam
1. Het verloop van de procedure
Het college heeft kennisgenomen van:
- het klaagschrift en de aanvulling daarop;
- het verweerschrift;
- de pleitaantekeningen van de gemachtigden van partijen, voorgedragen ter zitting.
De klacht is ter openbare zitting van 18 november 2020 behandeld. Partijen waren aanwezig, bijgestaan door hun gemachtigden.
2. De feiten
Het gaat in deze zaak om het volgende.
Klaagster heeft zich per februari 2019 na een operatie wegens borstkanker ziek gemeld bij haar werkgever. Kort na deze uitval is klaagster op eigen initiatief en in samenspraak met haar leidinggevende gestart met een geleidelijke hervatting in (aangepast) eigen werk. Klaagster had een dienstverband van 32 uur per week en zij is uiteindelijk voor ongeveer 24 uur per week gaan werken. Op 16 april 2019 heeft klaagster de bedrijfsarts gesproken tijdens een telefonisch spreekuur. De bedrijfsarts rapporteerde onder meer dat klaagster en de werkgever met elkaar in gesprek waren en goede afspraken hadden gemaakt. Mede omdat de werkzaamheden deze 24 uur overschreden, is er sprake geweest van overbelasting en uitval. In november 2019 heeft het eerste fysieke contact met de bedrijfsarts plaatsgevonden en werd op zijn advies het aantal te werken uren van klaagster teruggebracht naar 16 uur per week. Op 30 januari 2020 rapporteerde de bedrijfsarts opnieuw dat klaagsters energie was verminderd en dat daarom vier maal vier uur werken per dag het maximum was. De werkgever heeft op 12 mei 2020 een deskundigenoordeel re-integratie inspanningen werkgever aangevraagd bij het UWV. De onderzoeksvraag daarbij was of de re-integratie inspanningen van de werkgever voldoende waren.
De arbeidsdeskundige heeft in het kader van zijn onderzoek een tweetal vragen voorgelegd aan de verzekeringsarts van het UWV, verweerder, te weten:
- Is het huidige belastbaarheidsoordeel van de bedrijfsarts plausibel?
- Is de begeleiding door de bedrijfsarts sinds de uitval adequaat geweest. Zo niet heeft dit schade van de gezondheid van werknemer tot gevolg gehad en/of is de re-integratie hierdoor nadelig beïnvloed?
Verweerder heeft, na onder andere een telefonisch contact met de bedrijfsarts eind mei 2020, deze vragen op de volgende wijze beantwoord:
Antwoord: Het huidige belastbaarheidsoordeel van de BA is voor ondergetekende zeker plausibel.
Antwoord: Op basis van de verkregen info van BA [naam bedrijfsarts] is de
begeleiding door de BA adequaat geweest.
De arbeidsdeskundige heeft op 4 juni 2020 op basis van zijn onderzoek geconcludeerd dat de re-integratie inspanningen van de werkgever voldoende zijn geweest.
3. Het standpunt van klaagster
Klaagster verwijt verweerder dat hij een medisch rapport over haar aan het UWV heeft uitgebracht zonder haar gezien te hebben. De verzekeringsarts heeft wel de bedrijfsarts gehoord en dat maakt het des te erger.
In de toelichting op de klacht merkt klaagster op dat zij in november 2019 is ingestort en dat de werkgever een deskundigenoordeel aanvroeg bij het UWV toen klaagster bij haar leidinggevende duidelijk maakte dat het eerste re-integratiejaar door enerzijds toedoen van de werkgever en anderzijds verzuim van de bedrijfsarts verloren was en zij aanspraak wilde maken op een derde re-integratiejaar.
4. Het standpunt van verweerder
Verweerder kan zich niet verenigen met de door klaagster ingediende klacht en heeft – kort samengevat – het volgende aangevoerd. Verweerder heeft inderdaad klaagster niet gesproken maar dat is in het kader van dit deskundigenoordeel ook niet noodzakelijk, omdat dit type deskundigenoordeel een vraagstelling naar het handelen van de werkgever op het vlak van de re-integratie betreft. De arbeidsdeskundige heeft verweerder gevraagd om te verifiëren of klaagsters belastbaarheid plausibel en de begeleiding door de bedrijfsarts adequaat geacht werd. Verweerder had bij zijn beoordeling de beschikking over de terugkoppeling van de bedrijfsarts aan de werkgever, de probleemanalyse, eerstejaarsevaluatie en plan van aanpak. Deze stukken zijn niet strikt van medische aard. Voor de strikt medische gegevens heeft verweerder contact opgenomen met de bedrijfsarts. Verweerder heeft van dit telefonische gesprek notities gemaakt en zijn antwoord op de gestelde vragen gemaild aan de arbeidsdeskundige. Verweerder heeft aangegeven dat de geduide beperkingen plausibel waren alsmede dat de begeleiding van de bedrijfsarts adequaat was. Argumenten hiervoor waren dat de bedrijfsarts regelmatige contacten met de klant heeft gehad, waarbij zowel de medische problematiek als de re-integratie en de hierbij door klaagster ervaren problemen zijn besproken en het tot goede afspraken met klaagster kwam waarin klaagster zich kon vinden. Vanuit het gegeven dat er sprake was van een recidief mammacarcinoom met behandeling waren de vermoeidheidsklachten plausibel en werd het duiden van een beperking in de duurbelasting zoals weergegeven adequaat geacht. Verweerder is derhalve van oordeel correct en niet klachtwaardig gehandeld te hebben. Verweerder merkt op zijn conclusies ongewijzigd juist te achten, maar wel in te zien dat de onderbouwing hiervan niet duidelijk genoeg uit het dossier blijkt. Verweerder heeft hier lering uit getrokken en besloten om naar de toekomst toe zorg te dragen voor een korte verslaglegging in dit soort gevallen, waardoor ook nadien nog duidelijk blijkt welke argumenten hebben geleid tot de door hem getrokken conclusies.
5. De overwegingen van het college
Het college merkt allereerst op dat het bij de tuchtrechtelijke beoordeling van beroepsmatig
handelen niet gaat om de vraag of dat handelen beter had gekund, maar om het geven
van een antwoord op de vraag of de aangeklaagde beroepsbeoefenaar binnen de grenzen
van een redelijk bekwame beroepsuitoefening is gebleven, rekening houdend met de stand
van de wetenschap ten tijde van het klachtwaardig geachte handelen en met hetgeen
toen in zijn beroepsgroep ter zake als norm was aanvaard. Voorts merkt het college
op dat voor zover klaagster ter zitting heeft bedoeld haar klacht uit te breiden met
het verwijt dat verweerder te slordig het dossier heeft bijgehouden, het college hieraan
voorbij gaat nu deze klacht te laat naar voren is gebracht en daarmee in strijd is
met een goede procesorde.
Het college is van oordeel dat de klacht dient te falen en merkt daartoe het navolgende op.
Aan het UWV kan door de werkgever en/of de werknemer in een viertal situaties een onafhankelijk deskundigenoordeel gevraagd worden. In de onderhavige zaak heeft de werkgever van klaagster een zogeheten ‘deskundigenoordeel re-integratie inspanningen werkgever’ gevraagd. De re-integratie van klaagster leek te stagneren en de werkgever wenste een oordeel over de vraag of zijn inspanningen voldoende waren. Van belang is op te merken dat bij dit specifieke deskundigenoordeel de arbeidsdeskundige de regie heeft, uitvoerder is van het onderzoek en opsteller van het rapport en dat hierbij voor de verzekeringsarts slechts een marginale rol is weggelegd. De arbeidsdeskundige neemt slechts contact op met een verzekeringsarts indien hij vragen heeft op medisch gebied, bijvoorbeeld als er sprake is van een urenbeperking. Aan de verzekeringsarts wordt dan de vraag voorgelegd of de urenbeperking plausibel is. Persoonlijk contact met en een eigen medisch onderzoek van die werknemer, in casu klaagster, is ter beantwoording van die vraag niet noodzakelijk, laat staan verplicht. Er wordt immers geen eigen medisch oordeel gegeven. Het college merkt daarbij nog op dat verweerder er terecht vanuit mocht gaan dat de gegevens zoals opgetekend in de aan hem overhandigde stukken, waaronder dus de medisch inhoudelijke, juist waren. Verweerder kon dus uitgaan van de juistheid van de pathologie alsmede van het gegeven dat klaagster het eens was met de bedrijfsarts omtrent de urenbeperking. Voor zover klaagster van mening is dat de verstrekte informatie aan verweerder niet juist was kan daar verweerder geen verwijt van worden gemaakt. Immers bij het antwoord op de vraag of verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld staat het persoonlijk handelen van verweerder centraal. Handelen of nalaten van anderen kan verweerder niet worden aangerekend.
Het college merkt hier nog op de indruk te hebben dat bij klaagster een onjuist beeld
bestaat over de totstandkoming van dit deskundigenoordeel en de verdeling van de verantwoordelijkheid
tussen de arbeidsdeskundige en verzekeringsarts hierin, hetgeen waarschijnlijk tot
deze klacht geleid heeft. Het betoog namens klaagster mist daarom relevantie en behoeft
geen nadere bespreking.
6. De beslissing
Het college:
- verklaart de klacht ongegrond.
Aldus beslist door T. Zuidema, voorzitter, C.D.M. Lamers, lid-jurist, M.A.L. Piegza, J.C.F. Schellekens en H.A.M. Veneman, leden-beroepsgenoten, in aanwezigheid van I.H.M. van Rijn, secretaris en uitgesproken door N.B. Verkleij op 14 december 2020 in aanwezigheid van de secretaris.