We werken hard aan het herstel van de stabiliteit van tuchtrecht.overheid.nl. Excuus voor het ongemak.

Zoekresultaten 21101-21110 van de 47820 resultaten

  • ECLI:NL:TGZRZWO:2018:112 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Zwolle 287/2017

    Klacht tegen kinderarts naar aanleiding van het overlijden van het zoontje van klaagster. Het zoontje van klaagster is na een complexe zwangerschap geboren en voor ontslag uit het ziekenhuis en bij een latere controle gezien door de kinderarts. Gelet op de goede toestand van de baby was ontslag uit het ziekenhuis verantwoord. Na de eerste vervolgafspraak was er geen reden de volgende poliklinische controle eerder te laten plaatsvinden dan de al gemaakte afspraak. De kort na de geboorte geconstateerde lichte hydronefrose links was geen reden voor verder onderzoek of controle op korte termijn. Kennelijk ongegrond.

  • ECLI:NL:TGZRZWO:2018:110 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Zwolle 057/2018

    Klacht tegen verpleegkundige. De verpleegkundige zou hebben gezegd dat katheterwisselingen in het ziekenhuis niet meer zouden worden vergoed en zou klager onheus hebben bejegend. Klacht kennelijk ongegrond.

  • ECLI:NL:TGZRZWO:2018:111 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Zwolle 261/2017

    Klacht tegen gynaecoloog naar aanleiding van het overlijden van het zoontje van klaagster. Het zoontje van klaagster is na een complexe zwangerschap geboren. Bij de begeleiding van de zwangerschap is niet alleen het middelengebruik door klaagster maar ook de ander van belang zijnde zaken onderkend. Verweerster heeft het belang van rijping van het ongeboren kind terecht vooropgesteld. Een enkele groeivertraging is onvoldoende reden het kindje te vroeg geboren te laten worden. Tijdens de zwangerschap was geen aanleiding voor meer onderzoek dan de intensieve controles die hebben plaatsgevonden. Kennelijk ongegrond.

  • ECLI:NL:TGZRAMS:2018:60 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Amsterdam 2017/456

    Klager dient een klacht in namens zijn partner. De klacht is gericht tegen een bedrijfsarts vanwege een onjuist rapport en omdat hij onvoldoende medische informatie heeft opgevraagd. Tevens verwijt hij verweerder dat de conclusie van het rapport niet met partner van klager is besproken. Ook wordt verweerder een onheuse bejegening verweten. Verweerder voert verweer.

  • ECLI:NL:TGZCTG:2018:161 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag c2017.379

    Klacht tegen psychiater van Bureau Rijbewijs Keuringen (BRK). Verweerder heeft met betrekking tot klager in het kader van een vorderingsprocedure ex artikel 130-134a van de Wegenverkeerswet 1994 van het Centraal Bureau Rijvaardigheid, in opdracht van het BRK een rijbewijskeuring verricht. Verweerder werkt als freelance psychiater voor het BRK. In die hoedanigheid heeft hij samen met de keuringsarts (eveneens aangeklaagd) de rijbewijskeuring verricht. De keuringsarts heeft de anamnese afgenomen aan de hand van gestandaardiseerde vragenlijsten en heeft lichamelijk onderzoek verricht. Verweerder heeft daarna kort psychiatrisch onderzoek verricht. Klager verwijt verweerder dat: 1 de duur en de wijze van het onderzoek onzorgvuldig was; 2. hij een onzorgvuldig rapport heeft opgemaakt; 3. geen antwoord is gegeven op vragen van klager; 4. geen bespreking heeft plaatsgevonden; 5. geen rekening is gehouden met het correctie- en blokkeringsrecht; en 6. de 4e versie van het rapport alleen ter inzage is gegeven. Het Regionaal Tuchtcollege heeft ten aanzien van de eerste vier klachtonderdelen geoordeeld dat het feit van verschillende aangepaste versies van de rapportage niet de schoonheidsprijs verdient, maar niet tuchtrechtelijk verwijtbaar is. Ten aanzien van klachtonderdelen 5 en 6 heeft het Regionaal Tuchtcollege geoordeeld dat verweerder een tuchtrechtelijk verwijt treft wat betreft de vierde versie van het rapport dat slechts ter inzage aan klager is toegezonden zonder dat hem gewezen is op het blokkeringsrecht. Verweerder heeft weliswaar in een begeleidende brief de aanpassingen in deze versie toegelicht maar klager is bij deze laatste versie niet gewezen op het blokkeringsrecht. Dit had wel gemoeten, te meer daar deze versie wezenlijk veranderd was ten opzichte van de eerdere versies. Het Regionaal Tuchtcollege heeft aan verweerder de maatregel van waarschuwing opgelegd. Klager heeft principaal beroep ingesteld tegen de ongegrondverklaring van de eerste vier klachtonderdelen. Het Centraal Tuchtcollege neemt ter zake van deze klachtonderdelen het oordeel van het Regionaal Tuchtcollege over en verwerpt het principaal beroep. De psychiater heeft incidenteel beroep ingesteld van de gegrondverklaring van de klacht ter zake van het blokkeringsrecht. Dit beroep slaagt. Van een structurele organisatorische tekortkoming betreffende het wijzen op het blokkeringsrecht, waarvan de psychiater een tuchtrechtelijk verwijt zou kunnen worden gemaakt, is geen sprake. Dat de psychiater bij de toezending van de vierde versie van het rapport niet heeft gecontroleerd of de genoemde standaardbrief daadwerkelijk door het secretariaat aan klager is verzonden, levert hem onder deze omstandigheden geen tuchtrechtelijk verwijt op. De maatregel van waarschuwing komt te vervallen.

  • ECLI:NL:TADRSHE:2018:80 Raad van Discipline 's-Hertogenbosch 18-100/DB/Li

    Kwaliteit van de bijstand van verweerder tijdens de bespreking d.d. 10 juli 2015 onvoldoende. Zich niet zodanig jegens zijn cliënt uitgelaten dat hem hiervan een tuchtrechtelijk verwijt kan worden gemaakt. Deels gegrond, deels ongegrond. Waarschuwing. Proceskostenveroordeling.

  • ECLI:NL:TGZCTG:2018:162 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag c2017.380

    Klacht tegen psychiater. Klager heeft in het kader van een vorderingsprocedure ex artikel 130-134a van de Wegenverkeerswet 1994 van het Centraal Bureau Rijvaardigheid, in opdracht van het Bureau Rijbewijs Keuringen (BRK) een rijbewijskeuring ondergaan. Verweerder is bij BRK onder andere opleider en leidinggevende van de psychiaters en andere artsen die de keuringen uitvoeringen. De keurende psychiater heeft aan verweerder de vraag gesteld of de eerdere vorderingsprocedure voldoende was om de DSM-diagnose alcoholmisbruik te stellen, of dat daartoe eerst bij het CBR het aantal aanhoudingen in het verleden dienden te worden achterhaald. Verweerder heeft in het kader van deze vraag het dossier met betrekking tot klager ingezien en onder meer de vraag van de keurende psychiater beantwoord. Vervolgens heeft verweerder een door klager ingediende klacht over de rapportage afgehandeld. Klager verwijt verweerder: 1. Klager meent dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld door zijn klacht als klachtenbehandelaar in behandeling te hebben genomen terwijl verweerder inhoudelijk betrokken is geweest bij de opstelling van het gewraakte rapport. Hierdoor is geen sprake meer van een onpartijdig, onafhankelijk en zorgvuldig handelen van verweerder. 2. Vervolgens heeft verweerder nadien nogmaals inhoudelijk overleg gehad met de keurend psychiater, waarna de inhoud van het rapport weer is gewijzigd. Het Regionaal Tuchtcollege heeft de klacht dat verweerder zich in de klachtafhandeling als onafhankelijk en onpartijdig heeft gepresenteerd terwijl hij bemoeienis heeft gehad met de opstelling en aanpassing van de rapportage gegrond verklaard. Het tweede klachtonderdeel is ongegrond verklaard. Aan verweerder is de maatregel van waarschuwing opgelegd. In dit beroep is alleen de ongegrondverklaring van het tweede klachtonderdeel aan de orde. Het Centraal Tuchtcollege bekrachtigt de ten aanzien van dit klachtonderdeel gegeven beslissing van het Regionaal Tuchtcollege.

  • ECLI:NL:TGZCTG:2018:163 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag c2017.381

    Klacht tegen keuringsarts van Bureau Rijbewijs Keuringen (BRK). Klager heeft in het kader van een vorderingsprocedure ex artikel 130-134a van de Wegenverkeerswet 1994 van het Centraal Bureau Rijvaardigheid, in opdracht van het BRK een rijbewijskeuring ondergaan. Verweerder heeft onder supervisie van de keurend psychiater de anamnese afgenomen aan de hand van gestandaardiseerde vragenlijsten en heeft lichamelijk onderzoek verricht. Verweerder heeft daarna kort psychiatrisch onderzoek verricht. Verweerder is na het opstellen van het conceptrapport niet meer betrokken geweest bij de rapportage van de keuring. Klager verwijt verweerder, keuringsarts, dat hij: 1. klager volledig zelfstandig onderzocht terwijl hij geen psychiater is en het onderzoek onzorgvuldig heeft uitgevoerd; 2. op onzorgvuldige wijze in het rapport heeft weergegeven wat klager heeft verklaard; 3. op onzorgvuldige wijze het rapport meerdere malen heeft aangepast; 4. geen contact met klager heeft opgenomen ondanks zijn verzoeken; 5. niet heeft gereageerd op vragen van klager en hem niet heeft gewaarschuwd voor de aanpassingen van het rapport door anderen. Het Regionaal Tuchtcollege heeft de klacht afgewezen. Het Centraal Tuchtcollege bekrachtigt deze uitspraak.

  • ECLI:NL:TGZCTG:2018:164 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag c2017.386

    Klacht tegen psychiater. Klager heeft in het kader van een vorderingsprocedure ex artikel 130-134a van de Wegenverkeerswet 1994 van het Centraal Bureau Rijvaardigheid, in opdracht van het Bureau Rijbewijs Keuringen (BRK) een rijbewijskeuring ondergaan. Verweerder is bij BRK onder andere opleider en leidinggevende van de psychiaters en andere artsen die de keuringen uitvoeren. De keurende psychiater heeft aan verweerder de vraag gesteld of de eerdere vorderingsprocedure voldoende was om de DSM-diagnose alcoholmisbruik te stellen, of dat daartoe eerst bij het CBR het aantal aanhoudingen in het verleden dienden te worden achterhaald. Verweerder heeft in het kader van deze vraag het dossier met betrekking tot klager ingezien en onder meer de vraag van de keurende psychiater beantwoord. Vervolgens heeft verweerder een door klager ingediende klacht over de rapportage afgehandeld. Klager verwijt verweerder: 1. zijn klacht als klachtenbehandelaar in behandeling te hebben genomen terwijl verweerder inhoudelijk betrokken is geweest bij de opstelling van het gewraakte rapport. Hierdoor is geen sprake meer van een onpartijdig, onafhankelijk en zorgvuldig handelen van verweerder. 2. dat verweerder nadien nogmaals inhoudelijk overleg heeft gehad met de keurend psychiater, waarna de inhoud van het rapport weer is gewijzigd. Het Regionaal Tuchtcollege heeft de klacht dat verweerder zich in de klachtafhandeling als onafhankelijk en onpartijdig heeft gepresenteerd terwijl hij bemoeienis heeft gehad met de opstelling en aanpassing van de rapportage gegrond verklaard. Het tweede klachtonderdeel is ongegrond verklaard. Aan verweerder is de maatregel van waarschuwing opgelegd. In dit beroep is alleen de ongegrondverklaring van het eerste klachtonderdeel aan de orde. Het Centraal Tuchtcollege bekrachtigt de ten aanzien van dit klachtonderdeel gegeven beslissing van het Regionaal Tuchtcollege.

  • ECLI:NL:TGZCTG:2018:165 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag c2017.394

    Klacht tegen arts werkzaam als medisch adviseur bij het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen (CBR). Verweerder is betrokken geweest bij de beoordeling van een keuringsrapport van de psychiater in het kader van een vorderingsprocedure van het rijbewijs van klager. Bij besluit van maart 2016 is het rijbewijs van klager door het CBR ongeldig verklaard. Klager was al tweemaal eerder in een dergelijke vorderingsprocedure betrokken. Klager verwijt verweerder dat hij in de vorderingsprocedure onzorgvuldig heeft gehandeld, door het rapport van de psychiater van oktober 2015 te volgen. Het Regionaal Tuchtcollege heeft de klacht als kennelijk ongegrond afgewezen. Het Centraal Tuchtcollege bekrachtigt deze uitspraak.