Zoekresultaten 20861-20870 van de 48158 resultaten

  • ECLI:NL:TADRSGR:2018:176 Raad van Discipline 's-Gravenhage 17-663/DH/RO

    Verzet gedeeltelijk gegrond. Klachten deels ongegrond en deels gegrond. Verweerder heeft zijn werkzaamheden voor klager gestaakt zonder klager daarvan op deugdelijke wijze in kennis te stellen. Waarschuwing.

  • ECLI:NL:TGZRSGR:2018:137 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag 2018-076

    Ongegronde klacht tegen een bedrijfsarts. De bedrijfsarts is, ervan uitgaande dat onvoldoende is gebleken dat hij toestemming had om het medische dossier van klaagster op te vragen en in zijn advies te betrekken, op zorgvuldige wijze tot zijn advies gekomen. Het advies is in lijn met de informatie die klaagster volgens de aantekeningen van verweerder aan hem heeft verstrekt. De administratie van de werkgever zorgt voor verdere verzending van rapportages, deze gang van zaken acht het College plausibel. Niet gebleken dat de bedrijfsarts niet onafhankelijk is. Klacht afgewezen.

  • ECLI:NL:TAHVD:2018:146 Hof van Discipline 's-Hertogenbosch 180075

    Klacht tegen eigen advocaat. Deels gegrond. Verweerder heeft in financieel opzicht onzorgvuldig en in strijd met de kernwaarde (financiële) integriteit gehandeld door zonder schriftelijke toestemming van klager en klaagster een declaratie te verrekenen met op de derdengeldenrekening ontvangen gelden. Waarschuwing. Kostenveroordeling.

  • ECLI:NL:TADRSGR:2018:183 Raad van Discipline 's-Gravenhage 17-651/DH/DH

    Verzet tegen de voorzittersbeslissing waarin klager wegens overschrijding van de klachttermijn niet-ontvankelijk is verklaard is ongegrond.

  • ECLI:NL:TADRSGR:2018:177 Raad van Discipline 's-Gravenhage 17-644/DH/DH

    Verzet, tussenbeslissing. Klaagster stelt dat verweerder haar onheus heeft bejegend. Volgens de deken heeft klaagster haar klacht onvoldoende feitelijk onderbouwd, maar ontbreekt bij de deken de mogelijkheid om getuigen te horen. De voorzitter heeft de klacht als kennelijk ongegrond afgewezen. Klaagster heeft in haar klacht en in verzet verzocht om getuigen te horen. De klacht is van oordeel dat de klacht onvoldoende is onderzocht en verklaart het verzet in zoverre gegrond. De zaak worden verwezen naar de deken voor nader onderzoek.

  • ECLI:NL:TGZRSGR:2018:138 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag 2018-015

    Kennelijk ongegronde klacht tegen een bedrijfsarts. De stelling dat de bedrijfsarts nader onderzoek noodzakelijk achtte om tot een conclusie te komen of er wel of niet sprake was van een beroepsziekte en dat hij daarom (nog) niet tot melding was overgegaan, ontmoet bij het College geen bedenkingen. Dit geldt ook voor het stellen van de diagnose. Klacht afgewezen.

  • ECLI:NL:TNORAMS:2018:19 Kamer voor het notariaat Amsterdam 643905 / NT 18-10

    Naar het oordeel van de kamer kan niet worden vastgesteld dat klager de akte of een concept daarvan op 15 mei 2007 van de notaris heeft gekregen. Niet in geschil is evenwel dat klager en zijn ex-echtgenote kort na 29 mei 2007 de volmacht voor de akte op het kantoor van de notaris hebben ondertekend. Daarin heeft klager verklaard de akte te hebben ontvangen, met de inhoud daarvan bekend te zijn en op de hoogte te zijn van het gegeven dat de eigendom overgaat belast met een hypotheekrecht zoals omschreven in de akte. De kamer gaat er op basis van die door klager ondertekende volmacht vanuit dat klager de onder 1j. aangehaalde brief van 29 mei 2007, waarbij de akte als bijlage was gevoegd, moet hebben ontvangen. Dat klager en zijn vrouw niet hebben gelezen waarvoor zij hebben getekend komt de kamer niet aannemelijk voor. 5.4 Dat betekent dat de hiervoor bedoelde vervaltermijn is gaan lopen vanaf de ontvangst van de akte door klager kort na 29 mei 2007, de dag waarop de notaris de akte in elk geval per post aan klager en zijn ex-echtgenote heeft toegezonden. De kamer is van oordeel dat in ieder geval vanaf dat tijdstip voor klager de mogelijkheid bestond om kennis te nemen van de verwijten, die hij de notaris thans maakt. Dat het perceel met een enorme hypotheek was voorbelast blijkt immers meteen bij kennisname van de akte. De klacht is op 18 februari 2018 ingediend, dus ruim na het verstrijken van de vervaltermijn van drie jaren. De kamer komt dan ook niet toe aan de inhoudelijke beoordeling van de door klager aan het adres van de notaris gemaakte verwijten, waarbij de kamer nog wel opmerkt dat de notaris niet heeft weersproken dat hij geen invulling heeft gegeven aan zijn Belehrungspflicht.

  • ECLI:NL:TAHVD:2018:141 Hof van Discipline 's-Hertogenbosch 180072

    Beroep art. 9j lid 7 Aw. Appellant wenst een aantekening te krijgen bij de Hoge Raad en heeft met dat doel de Algemene Raad verzocht hem vrijstelling te verlenen van het vereiste van onvoorwaardelijke inschrijving als advocaat (art. 9j lid 6 jo. lid 1 Aw). Appellant is niet-ontvankelijk in zijn beroep tegen de afwijzende beslissing van de Algemene Raad. De mogelijkheid om in beroep te gaan tegen een beslissing tot weigering van het verzoek om aantekening op het tableau als advocaat bij de Hoge Raad, en tot weigering van de vrijstelling, wordt in de wet (art. 9j lid 7 Aw) slechts toegekend aan de advocaat. Appellant is niet als advocaat ingeschreven op het tableau van de Orde. Het beroep op artikel 4.11 lid 3 Voda kan niet tot een andere conclusie leiden.

  • ECLI:NL:TGZRSGR:2018:139 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag 2018-038

    Kennelijk ongegronde klacht tegen een arts. Klaagster is ontvankelijk in haar klacht. De arts heeft op goede gronden betoogd dat er tussen de BMR-vaccinatie en het ontstaan van autisme geen relatie bestaat, geen aanleiding voor de arts om hierover voorafgaand aan de BMR-vaccinatie iets tegen klaagster te zeggen en er is geen enkele aanwijzing dat de BMR-prik de oorzaak kan zijn van ASS of een (andere) handicap bij de zoon van klaagster. Wat er tijdens het consult is gezegd kan het College niet vaststellen. Klacht afgewezen.

  • ECLI:NL:TGZCTG:2018:236 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag C2016.497

    Klacht tegen gz-psycholoog en psychiater die in het kader van een tegen klager lopende strafzaak in opdracht van de rechtbank na klinische observatie in multidisciplinair verband een Pro Justitia dubbel-rapportage hebben uitgebracht over de geestvermogens van klager. De klacht behelst drie klachtonderdelen ter zake van de inhoud van de rapportage, de onderliggende rapportages en de aanpak van het onderzoek en de termijnen. Het Regionaal Tuchtcollege heeft de klacht afgewezen. Het Centraal Tuchtcollege wijst hier een tussenbeslissing waarin twee van de drie klachtonderdelen worden afgewezen. Van belang is de overweging van het College dat het College het onwenselijk acht dat er binnen de forensische setting een ander invulling wordt gegeven aan het begrip ‘werkaantekeningen’ en daarmee aan de regel omtrent het medisch dossier, zonder dat daar regelgeving aan ten grondslag ligt die voor onderzochten kenbaar is. Ter zake van het derde klachtcategorie over de inhoud van de rapportage acht het College zich nog onvoldoende voorgelicht en wordt een aanvullend vooronderzoek gelast.