We werken hard aan het herstel van de stabiliteit van tuchtrecht.overheid.nl. Excuus voor het ongemak.

Zoekresultaten 20461-20470 van de 47651 resultaten

  • ECLI:NL:TADRARL:2018:177 Raad van Discipline Arnhem-Leeuwarden 17-680

    Klaagster, een vennootschap, heeft in deze klachtzaak verweerder beklaagd en gelijktijdig het hele advocaten- en notarissenkantoor (17-679) en een toenmalige collega mr. B bij dat advocatenkantoor (17-681). Klaagster is met een incassozaak naar verweerder gegaan, waarna blijkens de opdrachtbevestiging van het kantoor de opdracht heeft aanvaard met verweerder als behandelaar. Klaagster heeft kort daarna ingestemd met de overdracht van zijn incassozaak naar de toenmalige collega van verweerder, mr. B. De raad stelt vast dat er geen concrete klachten zijn over de werkzaamheden van verweerder in het dossier van klaagster. Dat verweerder tijdens de waarneming in de vakantie van mr. B. actief verwijtbaar heeft gehandeld, is gesteld noch gebleken. Nu verweerder in de betreffende periode waarin de verweten gedragingen hebben plaatsgevonden niet de patroon van mr. B. was, dan wel dat mr. B. anderszins onder zijn zeggenschap viel, kunnen haar handelingen en nalaten niet aan verweerder worden toegerekend. Van een dergelijke (verdergaande) toezichtplicht op mr. B. is geen sprake. Aan een inhoudelijke beoordeling van de verschillende klachtonderdelen komt de raad dan ook niet meer toe. Klacht ongegrond.

  • ECLI:NL:TADRARL:2018:178 Raad van Discipline Arnhem-Leeuwarden 17-681

    Klaagster, een vennootschap, heeft in deze klachtzaak verweerster (toen nog advocaat) beklaagd en gelijktijdig het hele advocaten- en notarissenkantoor (17-679) en haar toenmalige collega mr. D (17-680). Klaagster is met haar incassozaak naar mr. D gegaan, welke incassozaak kort daarna, met instemming van klaagster, is overgedragen aan verweerster. Na een voor klaagster gunstig vonnis, heeft verweerster klaagster op zorgvuldige wijze geïnformeerd over de te nemen stappen bij beslaglegging op de verschillende roerende zaken van de wederpartij, klaagster daarbij meermaals en in duidelijke bewoordingen gewezen op de verschillende risico’s en het kostenplaatje daarvan. Klaagster heeft met die werkwijze ook ingestemd, zodat verweerster klaagster in zoverre naar behoren heeft bijgestaan. Het verdere verwijt, dat verweerster na kennisname van de door haar opgevraagde uittreksels uit het Octrooiregister klaagster niet meteen heeft gewaarschuwd dat het beslag op de octrooien waardeloos zou zijn als de jaartaksen niet tijdig betaald zouden worden, oordeelt de raad gegrond. Verweerster heeft de informatie uit de uittreksel met betrekking tot de octrooien naar het oordeel van de raad onvoldoende geduid. Niet is gebleken dat verweerster (meteen) daarna informatie heeft ingewonnen, zo nodig bij een deskundige, dan wel actie heeft ondernomen dan wel klaagster heeft gewaarschuwd over het mogelijke risico van het vervallen van de octrooien bij niet tijdige betaling van de jaartaksen, hetgeen wel op haar weg had gelegen. Dat was vooral het geval nu in correspondentie van verweerster met klaagster steeds terugkwam dat octrooien lastig en ingewikkeld zijn en de aangezochte interne en andere notarissen de executieveiling niet wilden doen. De enkele omstandigheid dat er mogelijkerwijs geen sprake is van schade, omdat het wellicht niet mogelijk was dat een derde alsnog die jaartaksen zou betalen, speelt slechts een rol in het kader van eventuele schade in een civiele procedure, maar is niet doorslaggevend en toch verwijtbaar in een tuchtrechtelijk geding als de onderhavige. In zoverre heeft het handelen van verweerster niet voldaan aan de van haar als advocaat te verwachten kwaliteitseisen en oordeelt de raad deze klacht gegrond. Waarschuwing.

  • ECLI:NL:TNORSHE:2018:8 Kamer voor het notariaat 's-Hertogenbosch SHE/2018/27, 28 en 29

    Herhaalde verzoeken tot wraking van dezelfde leden. Omdat klager in zijn tweede verzoeken tot wraking geen feiten of omstandigheden heeft voorgedragen die pas na zijn eerdere verzoeken tot wraking aan hem bekend zijn geworden, verklaart de kamer de tweede verzoeken tot wraking kennelijk ongegrond zodat deze niet in behandeling worden genomen. Deze verzoeken worden zonder behandeling ter zitting afgewezen o.g.v. art. 3 lid 3 Wrakingsprotocol. Nu de eerdere verzoeken tot wraking niet-ontvankelijk zijn verklaard (ECLI:NL:TNORSHE:2018:5) en deze tweede verzoeken, die bij voorbaat zijn gedaan, kennelijk ongegrond zijn, is de wrakingskamer bovendien van oordeel dat deze laatste verzoeken zodanig lichtvaardig zijn gedaan dat indiening van een volgend verzoek tot wraking als misbruik van recht moet worden gekwalificeerd. Daarbij neemt de wrakingskamer mede in aanmerking dat de behandeling van deze (zesde) tuchtklacht tegen de notaris nu al tweemaal is geschorst als gevolg van de wrakingsverzoeken van klager. O.g.v. art. 3 lid 3 Wrakingsprotocol ziet de wrakingskamer daarom aanleiding te bepalen dat een volgend wrakingsverzoek niet in behandeling wordt genomen.

  • ECLI:NL:TNORSHE:2018:10 Kamer voor het notariaat 's-Hertogenbosch SHE/2017/99

    Gebrekkige communicatie. Vaststaat dat de notaris stelselmatig niet op e-mails en telefoontjes heeft gereageerd en dat hij klager, die moest constateren dat de notaris zich niet aan gemaakte afspraken hield, daardoor in het ongewisse heeft gelaten over de verdere voortgang van de beoogde transactie. Bovendien staat vast dat de notaris, ondanks herhaald verzoek van klager, geen duidelijke offerte heeft uitgebracht en dat de notaris klager er niet over heeft geïnformeerd dat hij het dossier op enig moment aan de kandidaat-notaris had overgedragen. Verder staat vast dat de notaris, naar het zich laat aanzien als gevolg van onvoldoende zorgvuldige voorbereiding en/of onvoldoende dossierkennis en/of een slechte overdracht van het dossier aan de kandidaat-notaris, bij klager onduidelijkheid heeft laten ontstaan, onder meer in verband met een erfdienstbaarheid en in verband met de vraag of het al dan niet noodzakelijk was om een ontbindende voorwaarde in de koopovereenkomst op te nemen. Opgemerkt wordt dat het herhaald telefonisch onbereikbaar zijn, afgezien van de ergernis die dit oproept, het vertrouwen in het notariaat niet ten goede komt. Nu de notaris evenmin heeft gereageerd op drie verzoeken van de KNB om op de klacht van klager te reageren en hij ook de twee verzoeken van de kamer om op deze klacht te reageren onbeantwoord heeft gelaten, zie de kamer (ook) daarin een aanwijzing voor een gebrekkige wijze van communiceren van de notaris. Gegrond met oplegging van waarschuwing en besluit tot openbaarmaking van de maatregel.

  • ECLI:NL:TADRARL:2018:179 Raad van Discipline Arnhem-Leeuwarden 18-345

    Voorzittersbeslissing. Klacht over advocaat wederpartij kennelijk ongegrond. Niet gebleken dat verweerster feiten heeft geponeerd waarvan zij de onwaarheid kende of redelijkerwijs had moeten kennen en voorts geen sprake van onnodige grievende uitlatingen.

  • ECLI:NL:TNORSHE:2018:9 Kamer voor het notariaat 's-Hertogenbosch SHE/2017/71

    Informatieplicht, passeren akte van levering van woning bij volmacht. Ten tijde van het passeren van de akte was klager voor de helft eigenaar van de woning; daarom moet hij worden aangemerkt als partij bij de akte. Volgens art. 43 lid 1 Wna moet een notaris de partijen bij de akte en de bij het verlijden van de akte eventueel verschijnende andere personen tijdig voor het passeren van de akte de gelegenheid geven om van de inhoud van de akte kennis te nemen. De toegevoegd notaris, die bekend was met de familieomstandigheden en de langdurige detentie van klager (die dus een vaste verblijfplaats had), heeft vooraf echter geen concept van de akte aan klager toegezonden. Bovendien heeft zij klager voorafgaand aan het passeren van de akte geen toelichting gegeven op de zakelijke inhoud daarvan, hem niet gewezen op de gevolgen die voor partijen uit de inhoud van de akte voortvloeien en hem ook overigens vooraf op geen enkele wijze geïnformeerd over de op handen zijnde eigendomsoverdracht van de woning, terwijl zij hem bovendien pas twee jaar later, nadat klager daar zelf om had gevraagd, een afschrift van de akte van levering en van de depotovereenkomst heeft toegezonden. Daardoor heeft klager al die tijd in het ongewisse verkeerd over zijn (mede-) eigendom en zijn financiële situatie. Waarschuwing.

  • ECLI:NL:TACAKN:2018:57 Accountantskamer Zwolle 18/256 Wtra AK

    De door een medewerker van betrokkene verrichte werkzaamheden, waarvoor kennis en vaardigheden van de accountant vereist zijn, vinden hun oorsprong in de aan betrokkene verstrekte opdracht zodat betrokkene voor deze werkzaamheden tuchtrechtelijk aansprakelijk is. Dit geldt te meer nu betrokkene en de desbetreffende medewerker gezamenlijk samenstelwerkzaamheden verrichtten en stukken met vermelding van het logo van het accountantskantoor werden verzonden. Betrokkene heeft, deels via zijn medewerker, op meer punten het fundamentele beginsel van vakbekwaamheid en zorgvuldigheid geschonden, door: - niet te toetsen of de aan de omzet- en liquiditeitsprognoses ten grondslag liggende veronderstellingen en schattingen juist en reëel waren en of de aan de financiering verbonden rente en aflossingen waren meegenomen; - niet de risico’s te benoemen die zijn verbonden aangaan van een overeenkomst, hoewel dit uit de op hem rustende zorgplicht voortvloeit en cliënt zich in privé borg diende te stellen voor de terugbetaling van de lening; - geen specificatie van de facturen te verstrekken en in deze weigering te volharden, ondanks een daartoe strekkend verzoek van de cliënt; - als tekenend accountant niet zelf de jaarrekening over 2015 met zijn cliënt te bespreken, hoewel hiertoe aanleiding was, nu de jaarrekening een negatief vermogen liet zien en daarnaast sprake was van een krappe liquiditeit met een langlopende financiering vanuit privé en een relatief zwaar negatief resultaat. - geen persoonlijk contact te hebben met (een vertegenwoordiger) van zijn cliënten voor de aanvang van de uitvoering van de opdracht. Maatregel: Berisping

  • ECLI:NL:TGZCTG:2018:226 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag c2017.499

    Klacht tegen psychiater. De psychiater was de behandelaar van klagers (inmiddels ex-) vriendin (verder: patiënte). Klager heeft de psychiater medio oktober 2016 ongevraagd een brief geschreven waarin hij zijn zorgen uitte over het gedrag van zijn ex-vriendin. Deze brief was door klager niet als vertrouwelijk aangemerkt. Op 5 januari 2017 heeft klager verweerder nogmaals een brief geschreven over zijn ex-vriendin die hij wel als vertrouwelijk heeft aangemerkt. De psychiater heeft beide brieven aan zijn patiënte gegeven. De patiënte heeft de brieven gebruikt bij haar aangifte van stalking door klager. Klager verwijt de psychiater dat hij zijn beroepsgeheim heeft geschonden doordat hij zonder klagers toestemming de door klager aan verweerder geschreven brieven aan klagers ex-vriendin heeft gegeven. Het RTG heeft vastgesteld dat tussen klager en de psychiater geen behandelrelatie bestond. De bemoeienis van klager met de zorgrelatie tussen de psychiater en patiënte verdient geen bescherming in de zin dat hij gerechtigd zou zijn om een tuchtklacht in te dienen tegen de psychiater nu de patiënte gedurende twee maanden een relatie heeft gehad met klager en die relatie, toen patiënte bij de psychiater in behandeling kwam, reeds een maand voorbij was. Het handelen van verweerder waar de klacht op ziet heeft geen betrekking op het belang van de individuele gezondheidszorg en klager kan daarom evenmin als klachtgerechtigd worden aangemerkt op grond van de tweede tuchtnorm. Het RTG verklaart klager niet-ontvankelijk in zijn klacht. Het Centraal Tuchtcollege verklaart klager niet-ontvankelijk in zijn beroep, nu de aanvullende gronden van het beroep buiten de termijn zijn ingekomen. Het Centraal Tuchtcollege verklaart klager niet-ontvankelijk in het beroep omdat de gronden van het beroep niet binnen de gestelde termijn zijn aangevuld.

  • ECLI:NL:TGZCTG:2018:227 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag c2018.101

    Klacht tegen psychiater. Klager, geboren in 1925, is onder andere bekend met een cognitieve stoornis met gedragsverandering. Klagers zoon belde in mei 2017 met de SEH omdat de thuissituatie van klager onhoudbaar was geworden, waarna klager op de SEH werd onderzocht. De behandelend geriater vroeg de psychiater te beoordelen of er een indicatie bestond voor gedwongen opname. De psychiater concludeerde dat hiervan sprake was en gaf een geneeskundige verklaring af. Klager werd vervolgens overgeplaatst naar een bejaardentehuis. Klager is van mening dat de psychiater zich beter had moeten verdiepen in de oorzaak van zijn klachten alvorens hem gedwongen op te laten nemen. Dan had de psychiater kunnen constateren dat klagers situatie het gevolg was van een delier als gevolg van klagers blaasontsteking en was klager een gedwongen opname bespaard gebleven. Klager verwijt de psychiater: 1) dat hij klager ten onrechte gedwongen heeft laten opnemen, en; 2) dat hij medisch onzorgvuldig en ondeskundig heeft gehandeld. Het RTG heeft de klacht afgewezen. Het Centraal Tuchtcollege onderschrijft het oordeel van het RTG en verwerpt het beroep.

  • ECLI:NL:TADRAMS:2018:153 Raad van Discipline Amsterdam 18-420/A/NH

    Voorzittersbeslissing. Klacht over verweerder in zijn hoedanigheid van deken in alle onderdelen kennelijk ongegrond.