We werken hard aan het herstel van de stabiliteit van tuchtrecht.overheid.nl. Excuus voor het ongemak.

Zoekresultaten 19671-19680 van de 47882 resultaten

  • ECLI:NL:TGZRAMS:2019:13 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Amsterdam 2018/426

    Verweerder heeft de opdracht gekregen advies uit te brengen op basis van de medische gegevens die klaagsters belangenbehartiger aan de medische afdeling van de verzekeraar waar verweerder werkzaam is gestuurd. Die gegeven werden in een gesloten envelop, gericht aan de medisch adviseur, met het verzoek die medische gegevens niet in handen te laten komen van personen aan wie geen verschoningsrecht toekomt. Daarbij werd – onder andere - de voorwaarden gesteld dat de medische gegevens eigendom bleven van degene op wie zij betrekking hadden – in dit geval klaagster – en op klaagsters eerste verzoek aan haar teruggezonden moesten worden zonder het achterhouden van kopieën. Klaagster verwijt verweerder a). geen zorg te hebben gedragen dat de medische gegevens in overeenstemming met de Wet Bescherming Persoonsgegevens zijn behandeld, b). er geen zorg voor heeft gedragen dat op een eerste verzoek van klaagster het medisch dossier werd teruggezonden en c). ook andere personen, dan personen aan wie het medisch beroepsgeheim en het daaraan verbonden verschoningsrecht toekomt, kennis heeft laten nemen van de medische informatie. Het Regionaal Tuchtcollege Amsterdam heeft de klachten als ongegrond afgewezen.

  • ECLI:NL:TADRARL:2019:1 Raad van Discipline Arnhem-Leeuwarden 18-802

    Dekenklacht. Na toewijzing van het verzoek van de deken in 2015 tot benoeming van een rapporteur ex art 60c Advocatenwet, is verweerder ex artikel 60b Advocatenwet op 25 januari 2016 voor onbepaalde tijd geschorst en heeft bij wijze van voorziening in verband met de afwikkeling van diens advocatenpraktijk de rapporteur tot afwikkelaar van de praktijk benoemd. De raad is gebleken dat verweerder aan deze afwikkelaar geen enkele relevante medewerking heeft verleend en zich niet aan gemaakte afspraken heeft gehouden. Daarnaast staat vast dat verweerder tijdens zijn artikel 60b-schorsing in strijd met artikel 48 lid 7 Aw als advocaat heeft doorgewerkt. Verweerder heeft evenmin de door de deken verzochte informatie gegeven of op verzoeken van de deken tijdig gereageerd waarmee hij tevens in strijd met gedragsregel 37 (oud) heeft gehandeld. Door zijn handelwijze in de afgelopen jaren heeft verweerder naar het oordeel van de raad ook de kernwaarden van de advocatuur en met name de integriteit veronachtzaamd en daarmee tast hij het aanzien van de advocatuur aan. Bovendien heeft verweerder geen inzicht getoond in zijn tekortkomingen. Tevens betrekt de raad bij het oordeel over de op te leggen maatregel het feit dat verweerder de laatste jaren met veel tuchtrechtelijke veroordelingen is geconfronteerd van in ernst toenemende aard. De raad komt dan ook tot de conclusie dat verweerder niet in de advocatuur thuishoort. Schrapping.

  • ECLI:NL:TGZRAMS:2019:3 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Amsterdam 2018/215

    Klacht tegen plastisch chirurg. Volgens klaagster is er o.a. onvoldoende informatie verstrekt voorafgaande aan de operatie, was er geen sprake van informed consent en is de operatie niet goed uitgevoerd. Ongegrond

  • ECLI:NL:TGZRZWO:2019:5 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Zwolle 132/2018

    Klacht tegen chirurg in opleiding (aios) met betrekking tot het zelfstandig uitvoeren van een (galblaas-)operatie. De klacht is ongegrond.

  • ECLI:NL:TGZRAMS:2019:4 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Amsterdam 2018/337

    Klacht tegen de bedrijfsarts. Klaagster verwijt de bedrijfsarts, kort samengevat, dat zij 1) klaagster medisch en menselijk gezien niet goed heeft behandeld, waardoor klaagster in een depressie terecht is gekomen, 2) te laat medische gegevens heeft opgevraagd en voorts brieven van behandelaars naast zich neer heeft gelegd, waardoor ze niet de juiste conclusie heeft kunnen trekken, 3) alleen maar naar de werkgever heeft geluisterd en klaagster onder druk heeft gezet om weer te gaan werken 4) aan klaagster heeft gevraagd of zij geen uitzaaiingen heeft, want dan zou zij een IVA uitkering kunnen aanvragen, 5) geen actie heeft ondernomen op de loonstop, 6) klaagster verboden heeft om contact met haar op te nemen. deels gegrond, waarschuwing

  • ECLI:NL:TGZCTG:2019:3 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag c2017.520

    Klacht tegen arts. De klacht heeft betrekking op de overleden partner van klager, hierna patiënte. Patiënte was opgenomen op de IC van het ziekenhuis waar verweerster werkzaam is vanwege aanhoudende misselijkheid, braken en diarree. Patiënte is behandeld voor uitdroging en na enkele dagen uit het ziekenhuis ontslagen. Op de dag van ontslag is patiënte in de avond door de huisarts weer naar de SEH verwezen. Daar is zij gezien door verweerster, werkzaam als arts niet in opleiding tot specialist. In overleg met de supervisors van verweerster is patiënte die avond niet opgenomen. Korte tijd later is patiënte met verergerde klachten opnieuw opgenomen in een ander ziekenhuis, waar een tumor is vastgesteld waaraan patiënte diezelfde dag is geopereerd. Twee weken nadien is patiënte overleden. Klager verwijt verweerster dat zij patiënte niet opnieuw heeft opgenomen. Het Regionaal Tuchtcollege heeft de klacht afgewezen. Het Centraal Tuchtcollege verwerpt het beroep van klager.

  • ECLI:NL:TGZCTG:2019:4 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag c2018.016

    Klacht tegen MDL-arts. Klaagster is door de huisarts verwezen in verband met maandenlange buikpijn waarvoor geen duidelijke oorzaak was gevonden. Klaagster verwijt verweerder – kort gezegd – dat hij in 2008 en 2012 de reeds aanwezige tumor niet heeft opgemerkt en heeft nagelaten nader onderzoek te doen. Het Regionaal Tuchtcollege heeft de klacht afgewezen. Het Centraal Tuchtcollege verwerpt het beroep van klaagster.

  • ECLI:NL:TGZCTG:2019:5 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag c2018.144

    Klacht tegen huisarts. Klaagster en verweerder zijn broer en zus. Hun ouders zijn overleden. Verweerder was huisarts van de moeder. Volgens klaagster is verweerder bij zijn beroepsmatig handelen ten aanzien van de moeder niet gebleven binnen de grenzen van de door voor hem geldende redelijk bekwame beroepsuitoefening. Volgens klaagster heeft verweerder niet die zorg betracht die hij in zijn hoedanigheid van zorgverlener jegens de moeder in acht had dienen te nemen. Het Regionaal Tuchtcollege heeft klaagster niet-ontvankelijk verklaard in de klacht, omdat het ervoor moet worden gehouden dat klaagster met het voeren van deze tuchtprocedure niet de wil van de overleden moeder vertegenwoordigt, zodat zij geen van de wil van de moeder afgeleid klachtrecht heeft. Het Centraal Tuchtcollege verwerpt het door klaagster ingestelde beroep.

  • ECLI:NL:TGZCTG:2019:6 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag c2018.264

    Verweerster, huisarts, is bevriend met de voormalige echtgenote van klaagster. Zij heeft geen behandelrelatie met klaagster. Na een ruzie heeft verweerster de toenmalige echtelijke woning bezocht. Klaagster heeft bij de ruzie een bijtwond van 1,5 centimeter in haar oor opgelopen en is behandeld op een huisartsenpost. Klaagster en haar voormalige echtgenote zijn nadien een echtscheidingsprocedure gestart. Klaagster verwijt verweerster: 1) dat zij op de datum van het handgemeen niet de noodzakelijke hulp aan klaagster heeft gegeven, 2) dat zij zich heeft gemengd in een privékwestie door een verklaring af te leggen in de echtscheidingsprocedure tussen klaagster en haar voormalige echtgenote, en 3) dat zij een ‘vertaling’ heeft gemaakt van op klaagster betrekking hebbende medische stukken en die medische stukken ook heeft voorgelegd aan andere medici, die geen recht op inzage hadden in de medische gegevens van klaagster. Het Regionaal Tuchtcollege heeft klaagster ten aanzien van de klachtonderdelen 1 en 2 niet-ontvankelijk verklaard, klachtonderdeel 3 gegrond verklaard en heeft de arts ter zake daarvan de maatregel van berisping opgelegd. De arts heeft tegen de beslissing van het Regionaal Tuchtcollege beroep ingesteld, voor zover de klacht gegrond is verklaard. Het Centraal Tuchtcollege verwerpt het beroep.

  • ECLI:NL:TGZCTG:2019:1 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag c2017.447

    Klacht tegen MDL-arts. Verweerder heeft in de periode van 2007 tot 2012 vanwege klachten van zuurbranden tweemaal een recept voor Proton Pump Inhibitors (PPI’s) aan klager (zelf arts) uitgeschreven. De overige medicatie in die periode is door klager zelf of door zijn huisarts voorgeschreven. Klager verwijt verweerder in de kern dat hij gedurende lange tijd PPI’s heeft voorgeschreven waardoor klager onherstelbare gezondheidsschade heeft opgelopen. Het Regionaal Tuchtcollege heeft de klacht als kennelijk ongegrond afgewezen. Het Centraal Tuchtcollege verwerpt het beroep van klager.