Zoekresultaten 13131-13140 van de 48092 resultaten

  • ECLI:NL:TAHVD:2021:109 Hof van Discipline 's-Hertogenbosch 210002

    Klacht tegen (voormalig) eigen advocaat. Ook na beëindiging van de rechtsbijstand kan een cliënt zich tot de advocaat wenden met een verzoek tot verstrekking van stukken. Daarvoor geldt op zichzelf geen beperking tot drie jaar na beëindiging van de rechtsbijstand. Het gaat om een (na)zorgverplichting die blijft voortduren, ook wanneer het dossier is gesloten. De klachten van klagers hierover zijn tijdig ingediend en daarom ontvankelijk. Niet is komen vast te staan dat verweerder over meer stukken beschikt dan hij aan klagers heeft doen toekomen. Daarbij heeft verweerder zich steeds bereid getoond klagers in de gelegenheid te stellen de dossiers op zijn kantoor te komen inzien. Klagers hebben dat geweigerd. Het hof is van oordeel dat verweerder heeft gedaan wat redelijkerwijs van hem verwacht kon worden en dat hem geen tuchtrechtelijk verwijt kan worden gemaakt. De klachtonderdelen die hierop betrekking hebben worden ongegrond verklaard. De beslissing van de raad wordt voor het overige bekrachtigd.

  • ECLI:NL:TAHVD:2021:110 Hof van Discipline 's-Hertogenbosch 200293

    Klacht over eigen advocaat. De raad heeft de klacht, die betrekking heeft op het factureren van de werkzaamheden door de advocaat, ongegrond verklaard. Het hof bekrachtigt deze beslissing.

  • ECLI:NL:TAHVD:2021:111 Hof van Discipline 's-Hertogenbosch 200288

    Klacht van advocaat. De raad heeft de klacht, die betrekking heeft op een nodeloos grievende uitlating, gegrond verklaard en aan verweerder hiervoor geen maatregel opgelegd. Het hof bekrachtigt deze beslissing.

  • ECLI:NL:TAHVD:2021:112 Hof van Discipline 's-Hertogenbosch 200247

    Klacht over eigen advocaat. Hoger beroep ingesteld door verweerder. De raad oordeelde dat verweerder de mogelijkheid van gefinancierde bijstand met klager had moeten bespreken en heeft de klacht gegrond verklaard. Het hof verklaart de klacht alsnog ongegrond. Verweerder heeft klager bijgestaan in zijn rol als executeur van een nalatenschap. Klager verkeerde naar eigen zeggen in de veronderstelling dat verweerder hem ook als privépersoon bijstond. Omdat dit niet kan worden afgeleid uit de stukken gaat het hof voorbij aan deze niet onderbouwde stelling van klager. Voor de kosten van de bijstand door verweerder bestond een voorziening: deze zouden voor rekening komen van de erfgenamen. Uit de door de Raad voor Rechtsbijstand gehanteerde werkinstructie blijkt dat, indien die voorziening bestaat, een toevoegingsaanvraag dient te worden afgewezen. Verweerder had daarom goede gronden aan te nemen dat klager, in de hoedanigheid van executeur, niet in aanmerking zou komen voor gefinancierde rechtsbijstand. Om die reden was hij niet gehouden daarover met zijn cliënt te overleggen.

  • ECLI:NL:TACAKN:2021:41 Accountantskamer Zwolle 21/17 Wtra AK

    Een accountant treedt op voor beide echtelieden en een onderneming van de man. De echtelieden raken in scheiding. Het accountantskantoor heeft twee IB-aangiften van klaagster opgesteld en zonder haar toestemming ingediend bij de Belastingdienst. Dit is een schending van het fundamentele beginsel van vakbekwaamheid en zorgvuldigheid, maar ook van het fundamentele beginsel van objectiviteit. De accountant heeft niet onderkend dat deze echtscheiding een (mogelijke) bedreiging van zijn objectiviteit vormde. Hij heeft niet ingezien dat de belangen van klaagster en haar echtgenoot (mogelijk) tegenstrijdig waren. Hij is er ten onrechte vanuit gegaan dat de akkoordverklaring van de echtgenoot volstond en dat de IB-aangiften van klaagster zonder haar toestemming bij de Belastingdienst konden worden ingediend. Betrokkene kan vaktechnisch verantwoordelijk worden gehouden voor deze indiening. Dat binnen het accountantskantoor is afgesproken dat de vestigingsdirecteur eindverantwoordelijkheid is voor de fiscale aangiften ontslaat betrokkene niet van zijn vaktechnische verantwoordelijkheid. De vestigingsdirecteur is geen accountant en behoort en niet tot een andere beroepsgroep die via eigen tuchtrecht kan worden aangesproken. Daarnaast is sprake van een fout in de IB-aangifte, omdat in de aangifte een verkeerd rentebedrag is opgenomen voor een geldlening. Berisping.

  • ECLI:NL:TAHVD:2021:106 Hof van Discipline 's-Hertogenbosch 200292

    Appelverbod. Verzoeker doet een beroep op doorbreking van het appelverbod. Hij stelt dat er bij de raad geen sprake is geweest van een eerlijke behandeling van zijn wrakingsverzoek op grond van artikel 6 EVRM, omdat de raad in zijn zaak uitspraak heeft gedaan zonder mondelinge behandeling. In artikel 515 lid 2 Sv is bepaald dat de verzoeker en de gewraakte rechter ter zitting van de wrakingskamer worden gehoord. In de rechtspraak en in de relevante literatuur is echter aanvaard dat hiervan kan worden afgeweken op grond van in wrakingsprotocollen beschreven situaties. De raad beoordeelde het verzoek als kennelijk ongegrond en heeft het verzoek onder verwijzing naar artikel 4 van het Wrakingsprotocol raden van discipline zonder mondelinge behandeling ter zitting afgewezen. Het hof acht geen omstandigheden aanwezig die maken dat de wrakingskamer daartoe niet kon overgaan. Het hof is van oordeel dat er geen grond aanwezig is voor doorbreking van het appelverbod en dat verzoeker dan ook in zijn hoger beroep niet kan worden ontvangen. Dit betekent dat het hof niet toekomt aan de beoordeling van de beroepsgrond van verzoeker dat de wrakingskamer het wrakingsverzoek ten onrechte ‘kennelijk ongegrond’ heeft verklaard,

  • ECLI:NL:TNORAMS:2020:15 Kamer voor het notariaat Amsterdam 675686/NT 19-54 en 675688/NT 19-55

    5.5 De voorzitter constateert dat, zoals klagers zelf ook in punt 2 van hun nieuwe klaagschrift toelichten, de huidige klacht uitsluitend ziet op feiten die na de kamerbeslissing van 5 juni 2018 aan het licht zijn gekomen maar die de notarissen in de voorafgaande procedure ten onrechte hebben verzwegen of waarover zij andersluidende mededelingen hebben gedaan. Daarmee stellen klagers zelf voorop, dat het feiten betreft die volgens hen bij de tuchtrechtelijke beoordeling van het handelen en/of nalaten van de notarissen waarover klagers reeds hebben geklaagd relevant hadden kunnen zijn. De nieuw aangedragen feiten, wat daar verder van zij en kort gezegd neerkomende op het achteraf bij klagers bekend worden dat notaris [B] en notaris [C] niet alleen kantoorgenoten maar ook elkaars levenspartners zijn en de nieuw verkregen informatie over het adviseurschap van notaris [B] en het door hem onderkennen van en waarschuwen voor het risico dat ABN AMRO de investering van klagers zou gebruiken om de overstand in te lopen en niet opnieuw een overstand toe te staan, betreffen feiten en omstandigheden die ook volgens klagers de tuchtrechtelijke beoordeling van datgene waarover klagers eerder hebben geklaagd anders (kunnen) inkleuren. Dat geldt ook voor het huidige klachtonderdeel dat notaris [C] (ook) een financieel belang in [D b.v.] had via een door haar (vennootschap) verstrekte achtergestelde lening. Voor zover daar in de vorige procedure niet expliciet over is geklaagd, heeft dit nieuwe feit, wat daar verder van zij, evenals het feit dat zij levenspartner van notaris [B] is, evenzeer betrekking op de stelling dat notaris [C] niet had mogen meewerken aan de [D b.v.]-akte en deze niet had mogen verlijden, hetgeen reeds tuchtrechtelijk beoordeeld is. Aldus richten de nieuwe klachten zich tegen hetzelfde feitencomplex waarover eerder is geklaagd en is het ne bis in idem-beginsel toepasselijk, zodat klagers in hun klacht niet-ontvankelijk dienen te worden verklaard.

  • ECLI:NL:TAHVD:2021:107 Hof van Discipline 's-Hertogenbosch 200246

    Klacht over de eigen advocaat. De klacht bestaat in hoger beroep uit 8 klachtonderdelen die zien op de kwaliteit van de dienstverlening en communicatie naar klager en het aanvragen van een toevoeging. In een tussenbeslissing heeft hof het oordeel van de raad onderschreven dat verweerster tuchtrechtelijk verwijtbaar en in strijd met de kernwaarde (financiële) integriteit heeft gehandeld. Verweerster heeft haar voorlichtingsplicht wat betreft de financiën jegens klager ernstig verzaakt. Daarnaast heeft verweerster in strijd met de gedragsregels gehandeld door een toevoeging aan te vragen en te ontvangen zonder klager daarvan op de hoogte te stellen en honorarium bij klager in rekening te brengen. Tevens is verweerster tekort geschoten door geen verweerschrift in de procedure van klager in te dienen zonder daar met klager helder en duidelijk over te communiceren. Gelet op de ernst van de gedragingen overweegt het hof dat de door de raad opgelegde maatregel van een berisping hem vooralsnog te licht voorkomt. Een, al dan niet (deels) voorwaardelijke, schorsing ligt volgens het hof meer in de rede. Teneinde zich een oordeel te kunnen vormen over welke voorwaarde(n) passend en geboden zijn, heeft het hof in een tussenbeslissing verweerster een aantal vragen gesteld. Vervolgens heeft verweerster haar hoger beroep ingetrokken en aangeboden aan klager het bedrag van € 12.457,73 dat hij aan honorarium aan haar heeft betaald terug te betalen. In de eindbeslissing heeft het hof geoordeeld dat door de intrekking niet meer inhoudelijk op het beroep hoeft te worden beslist en de uitspraak van de raad onherroepelijk is.

  • ECLI:NL:TAHVD:2021:108 Hof van Discipline 's-Hertogenbosch 210151

    Herstelbeslissing. Het zaaknummer stond abusievelijk onjuist vermeld in de kop van de beslissing.

  • ECLI:NL:TADRAMS:2021:130 Raad van Discipline Amsterdam 20-925/A/A

    Ongegrond verzet