Zoekresultaten 11361-11370 van de 48280 resultaten
-
ECLI:NL:TADRARL:2022:37 Raad van Discipline Arnhem-Leeuwarden 21-631/AL/NN/D
- Datum publicatie: 04-04-2022
- Datum uitspraak: 04-04-2022
- ECLI:NL:TADRARL:2022:37
Dekenbezwaar. Verweerder heeft stelselmatig niet gereageerd op verzoeken van de deken om informatie over ontvangen klachten (gedragsregel 29 en art. 5:20 Awb). Ook heeft hij het de deken langdurig onmogelijk gemaakt om haar toezichthoudende taak ex artikel 45a Aw naar behoren uit te oefenen. Verweerder is verder zijn toezeggingen, ook gedaan tijdens de eerdere zittingen van de raad, telkens opnieuw niet nagekomen. Evenmin heeft verweerder tijdig aan de deken zijn plan van aanpak voor coaching voorgelegd. Naar het oordeel van de raad heeft verweerder, mede gelet op zijn tuchtrechtelijk verleden, opnieuw laten zien dat hij de verantwoordelijkheid als advocaat niet aan kan en de toezichthoudende taak van de deken niet respecteert. Verweerder is zijn toezegging tijdens de laatste zitting van de raad, dat hij zich per 1 april 2022 laat uitschrijven, nagekomen. De raad heeft aan verweerder een onvoorwaardelijke schorsing van 12 weken opgelegd, die uitgevoerd wordt zodra verweerder zich weer op het tableau inschrijft als advocaat.
-
ECLI:NL:TGDKG:2022:42 kamer voor gerechtsdeurwaarders Amsterdam C/13/708106 / DW RK 21/444 MdV/WdJ
- Datum publicatie: 04-04-2022
- Datum uitspraak: 01-04-2022
- ECLI:NL:TGDKG:2022:42
Beslissing op verzet. Klaagster beklaagt zich over het betekenen van een exploot, betwist de vordering en stelt dat sprake is van disproportionele kosten. De kamer is het met de beslissing van de voorzitter eens en verklaart het verzet ongegrond.
-
ECLI:NL:TGZRZWO:2022:34 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Zwolle Z2021/3258,3259,3260
- Datum publicatie: 04-04-2022
- Datum uitspraak: 01-04-2022
- ECLI:NL:TGZRZWO:2022:34
Klachten tegen internist-endocrinoloog en twee chirurgen-oncoloog. Als nevenbevinding bij de behandeling van borstkanker wordt een toen nog als goedaardig aangemerkte tumor in de bijnier gevonden. Klaagster verwijt beklaagden o.a. dat zij niet adequaat hebben geacteerd op die nevenbevinding. Volgens beklaagden moet onderscheid worden gemaakt tussen de in 2015 bij klaagster gediagnosticeerde borstkanker en de in 2017 bij haar geconstateerde leiomyosarcoom (wekedelen tumor), waarvan toen pas bleek dat die kwaadaardig was. In 2015 bestonden daarvoor geen objectieve aanwijzingen. Beklaagden stellen dat na de operatie in 2017 is gebleken dat het niet ging om een uitzaaiing van borstkanker maar om een uiterst zeldzame, ‘nieuwe’ bijniertumor, zijnde een wekedelen tumor die laaggradig was. Beklaagden betwisten dat de in 2020 vastgestelde uitzaaiingen het gevolg zijn van ondeugdelijk onderzoek of verkeerd operatief ingrijpen. In 2017 sprake was sprake van een uiterst zeldzame, onvoorzienbare ontwikkeling, te weten een plotseling versnelde tumorgroei (dedifferentiatie) van het leiomyosarcoom, aldus beklaagden. Het college oordeelt dat er naar objectieve maatstaven er geen reden was te veronderstellen dat de tumor in de bijnier in 2015 al kwaadaardig was. Volgens de toepasselijke richtlijnen hoefde geen rekening te worden gehouden met de zeldzame ontwikkeling die zich heeft voorgedaan. Het beleid is in alle fasen van de behandeling verdedigbaar geweest. Klachten ongegrond.
-
ECLI:NL:TGDKG:2022:43 kamer voor gerechtsdeurwaarders Amsterdam C/13/701156 / DW RK 21/163 MdV/WdJ
- Datum publicatie: 04-04-2022
- Datum uitspraak: 01-04-2022
- ECLI:NL:TGDKG:2022:43
Klager beklaagt zich erover dat de gerechtsdeurwaarder de beslagvrije voet niet met terugwerkende kracht toepast en de sinds het beslag teveel geïnde gelden niet terugstort. Klacht ongegrond.
-
ECLI:NL:TGZRZWO:2022:35 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Zwolle Z2021/3237
- Datum publicatie: 04-04-2022
- Datum uitspraak: 01-04-2022
- ECLI:NL:TGZRZWO:2022:35
Klacht tegen GZ-psycholoog, inhoudende dat beklaagde een onjuiste diagnose heeft gesteld, geen medewerking heeft verleend aan een second opinion en zonder toestemming van klaagster het complete rapport aan de jeugdzorginstelling heeft doen toekomen. Het college oordeelt met betrekking tot klachtonderdeel A dat het rapport van beklaagde aan de daarvoor geldende criteria voldoet. De door beklaagde gehanteerde onderzoeksmethode naar de intelligentie van klaagster is te doen gebruikelijk en passend en beklaagde heeft in redelijkheid tot haar conclusie kunnen komen. Voorts is niet aannemelijk dat beklaagde voor het overige niet zou hebben willen meewerken aan een second opinion, bijvoorbeeld door haar onderzoeksresultaten ter beschikking te stellen. Ook klachtonderdeel B is ongegrond. Daar klachtonderdeel C inhoudt dat beklaagde haar geheimhoudingsplicht dan wel het blokkeringsrecht heeft geschonden, overweegt het college dat beklaagde gezien het haar gegeven advies door de jurist van het NIFP en de motivering als genoemd in het vonnis in kort geding van de voorzieningenrechter te Den Haag van 19 september 2016 (ECLI:NL:RBDHA:2016:11303) in de gegeven omstandigheden op grond van artikel 7.3.11, lid 4 van de Jeugdwet de inroeping door klaagster van haar blokkeringsrecht mocht passeren. Zij heeft daarbij delen die niet relevant waren voor de jeugdzorginstelling weggelaten, zodat beklaagde er blijk van heeft gegeven dat zij zich desalniettemin de belangen van klaagster heeft aangetrokken. Klachtonderdeel C is ongegrond.
-
ECLI:NL:TGDKG:2022:44 kamer voor gerechtsdeurwaarders Amsterdam C/13/684826 / DW RK 20/264 MdV/WdJ
- Datum publicatie: 04-04-2022
- Datum uitspraak: 01-04-2022
- ECLI:NL:TGDKG:2022:44
De kamer overweegt dat het geschil betreffende de facturatie niet het tuchtrecht raakt, maar een civielrechtelijke kwestie betreft. Het is niet tuchtrechtelijk laakbaar dat de gerechtsdeurwaarder niet heeft gewacht met het verrekenen van facturen totdat is beslist in de civiele procedure. Klacht ongegrond.
-
ECLI:NL:TGZRZWO:2022:36 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Zwolle Z2021/0019
- Datum publicatie: 04-04-2022
- Datum uitspraak: 01-04-2022
- ECLI:NL:TGZRZWO:2022:36
Klaagster heeft klachten ingediend tegen drie artsen die betrokken zijn geweest bij de opname en behandeling van haar moeder (patiënte) die tijdens de opname in het ziekenhuis is overleden.De onderhavige klacht is gericht tegen de arts-assistent die betrokken was op de avond van de opname van patiënte. Klaagster verwijt beklaagde dat zij ten onrechte met de vochttoediening is gestopt, dat zij heeft nagelaten patiënte te stabiliseren, haar gedurende de nacht aan haar lot heeft overgelaten en dat zij op een misleidende wijze heeft gecommuniceerd.Omdat patiënte in zeer zwakke conditie was op het moment van opname en daarnaast een cardiale voorgeschiedenis had met atriumfibrilleren, pacemaker en een aortaklepstenose, was de door beklaagde in overleg met haar supervisor genomen beslissing het infuus te staken zorgvuldig. Het blijven toedienen van extra vocht via een infuus zou bij een patiënt in deze conditie namelijk een te grote belasting voor het hart kunnen betekenen, terwijl het bestaan van ernstige dehydratie op grond van de bevindingen en na toediening van extra vocht niet (langer) waarschijnlijk was. Omdat ondanks de gedane onderzoeken geen verklaring voor de toestand van patiënte (zoals een ontsteking, longembolie etc.) kon worden gevonden, was er naast het door beklaagde ingezette beleid geen aanvullend medisch ingrijpen aangewezen. Patiënte is vervolgens opgenomen op de afdeling geriatrie, zodat ook niet kan worden geconcludeerd dat zij door toedoen van beklaagde aan haar lot over is gelaten. Van misleidende communicatie is geen sprake. Klacht (kennelijk) ongegrond.
-
ECLI:NL:TGDKG:2022:45 kamer voor gerechtsdeurwaarders Amsterdam C/13/711290 / DW RK 21/572 MdV/WdJ
- Datum publicatie: 04-04-2022
- Datum uitspraak: 01-04-2022
- ECLI:NL:TGDKG:2022:45
De gerechtsdeurwaarders hebben in de periode 2016-2019 in een flink aantal dossiers meerdere bankbeslagen tegelijk gelegd, zonder gerechtvaardigd vermoeden dat de debiteur bij de betreffende banken een rekening had. De kamer merkt op dat het gerechtshof eerder in 2014 aan de gerechtsdeurwaarders een schorsing heeft opgelegd van vijf respectievelijk twee maanden, omdat structureel en in een groot aantal dossiers direct bij aanvang van de executie, vrijwel gelijktijdig, telkens onder twee banken beslag was gelegd. De kamer moet vaststellen dat na deze uitspraak de gerechtsdeurwaarders hun werkwijze op dit punt blijkbaar niet hebben veranderd, maar ermee zijn doorgegaan. De gerechtsdeurwaarders hebben ten onrechte in de berekening van de liquiditeits- en solvabiliteitscijfers de vorderingen van hun praktijkvennootschap op de aandeelhouders meegenomen. De gerechtsdeurwaarders hebben nog aangevoerd dat de liquiditeitsratio ruim boven de norm ligt als de (latente) BTW-schuld over de mutatie van het onderhanden werk niet, zoals steeds is gedaan, wordt opgenomen in de rubriek ‘kortlopende schulden’ maar wordt geschaard onder de rubriek ‘schulden op lange termijn’. Dit verweer is echter onvoldoende onderbouwd. De gerechtsdeurwaarders hebben in de periode 2016-2019 een zeer groot gedeelte van de derdenbeslagen niet tijdig overbetekend. Ook in de periode vóór 2016 was sprake van veelvuldig en structureel te laat overbetekenen, zoals is vastgesteld in de eerder aangehaalde uitspraak van het gerechtshof. De in 2014 door het hof gelaakte handelwijze is nog een aantal jaren voortgezet, om pas in 2020 te worden aangepast.De gerechtsdeurwaarders hebben in strijd met de Bestuursregel geen volledige financiële dekking aangehouden voor out of pocket-kosten.De gerechtsdeurwaarders hebben in de periode 2016-2019 beslagen gelegd zonder het DBR te raadplegen.Bovenstaande klachtonderdelen zijn gegrond. Gelet op de ernst van het vastgestelde tuchtrechtelijk verwijtbare handelen, waarbij wordt betrokken dat voor een deel sprake is van voortzetting of herhaling van handelen dat al in 2014 zwaar is bestraft, kan naar het oordeel van de kamer niet worden volstaan met een lichtere maatregel dan die van schorsing. Alles afwegende, acht de kamer een schorsing voor de maximale duur van een jaar passend en geboden.*****UITSPRAAK IN HOGER BEROEP: 7 maart 2023, ECLI:NL:GHAMS:2023:466,[ Het hof:- vernietigt de bestreden beslissing, met uitzondering van de kostenveroordeling;en, opnieuw beslissende:- verklaart klachtonderdelen a (tweede onderdeel), b, d, e en f gegrond;- legt aan gerechtsdeurwaarder 1 de maatregel van schorsing in de uitoefening van het ambt op voor de duur van vijf maanden, ingaande op 1 april 2023 om 0.00 uur en eindigend op 31 augustus 2023 om 23.59 uur;- legt aan gerechtsdeurwaarder 2 de maatregel van berisping op;- verklaart klachtonderdelen a (eerste onderdeel) en c ongegrond ]*****
-
ECLI:NL:TGZRZWO:2022:37 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Zwolle Z2021/0017
- Datum publicatie: 04-04-2022
- Datum uitspraak: 01-04-2022
- ECLI:NL:TGZRZWO:2022:37
Klaagster heeft klachten ingediend tegen drie artsen die betrokken zijn geweest bij de opname en behandeling van haar moeder (patiënte) die tijdens de opname in het ziekenhuis is overleden.De onderhavige klacht is gericht tegen de klinisch geriater. Klaagster verwijt haar onder meer dat zij er ten onrechte van uit is gegaan dat patiënte veel vocht vasthield, dat zij met het alleen toedienen van plasmedicatie een onjuiste behandeling heeft gekozen, dat zij klaagster onjuist heeft geïnformeerd en dat zij niet heeft geprobeerd met patiënte te communiceren. Het college oordeelt dat er voldoende aanwijzingen bestonden dat sprake was van enige mate van overvulling bij hartfalen. Het door beklaagde ingezette beleid van toediening van plasmedicatie en monitoring was daarmee geïndiceerd. Omdat andere oorzaken voor de toestand van patiënte al waren uitgesloten dan wel zeer onwaarschijnlijk waren was er behoudens het door beklaagde ingezette beleid geen aanvullend medisch ingrijpen aangewezen. Klacht (kennelijk) ongegrond.
-
ECLI:NL:TADRSHE:2022:52 Raad van Discipline 's-Hertogenbosch 22-189/DB/OB
- Datum publicatie: 04-04-2022
- Datum uitspraak: 28-03-2022
- ECLI:NL:TADRSHE:2022:52
Toewijzing verzoek artikel 60b Advocatenwet. Verweerster is onbereikbaar en spoorloos verdwenen. Voldoende gebleken dat verweerster tijdelijk of blijvend niet in staat is haar praktijk behoorlijk uit te kunnen oefenen. In de gegeven omstandigheden acht de raad een schorsing van verweerster proportioneel.
- Vorige pagina zoekresultaten
- Pagina: 1
- ...
- Pagina: 1136
- Pagina: 1137
- Pagina: 1138
- ...
- Pagina: 4828
- Volgende pagina zoekresultaten