Zoekresultaten 11111-11120 van de 48274 resultaten

  • ECLI:NL:TADRSHE:2022:70 Raad van Discipline 's-Hertogenbosch 22-138/DB/ZWB

    Voorzittersbeslissing. Klacht over het handelen van verweerder in zijn hoedanigheden van klachtenfunctionaris en kantoorverantwoordelijke. Verweerder heeft zich in zijn hoedanigheden van klachtenfunctionaris en kantoorverantwoordelijke niet zodanig gedragen dat daarmee het vertrouwen in de advocatuur wordt geschaad. Verweerder heeft gemotiveerd uiteengezet waarom hij de klacht over mr. S. ongegrond acht. Daarbij is niet gebleken dat verweerder geen acht heeft geslagen op stukken die klager bij zijn klacht heeft gevoegd. Uit de klacht blijkt dat klager het niet met verweerders oordeel over de klacht eens is, maar dat betekent niet dat verweerder met zijn beoordeling van de klacht het vertrouwen in de advocatuur heeft geschaad. Verder heeft verweerder, door de aansprakelijkstelling meteen bij de verzekeraar te melden, in zijn hoedanigheid van kantoorverantwoordelijke juist gehandeld. Verweerder is tuchtrechtelijk alleen verantwoording verschuldigd over zijn eigen handelen en niet ook over het handelen van zijn kantoorgenote. Klacht deels kennelijk ongegrond en deels kennelijk niet-ontvankelijk.

  • ECLI:NL:TADRAMS:2022:56 Raad van Discipline Amsterdam 21-693/A/NH

    Ongegrond verzet

  • ECLI:NL:TGZRAMS:2022:66 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Amsterdam A2021/3241

    Klacht tegen een arts assistent in opleiding tot psychiater. Klager is de vader van de patiënte van verweerster. Patiënte is opgenomen op de medisch psychiatrische unit voor kinderen en jeugdigen van het ziekenhuis. Het ouderlijk gezag was destijds geschorst. Klager verwijt verweerster dat zij het bezoek van klager aan zijn dochter ten onrechte heeft geweigerd. Verweerster voert verweer.

  • ECLI:NL:TADRARL:2021:362 Raad van Discipline Arnhem-Leeuwarden 21-053/AL/GLD

    Voorzittersbeslissing. Klacht gedeeltelijk niet ontvankelijk gelet op de vervaltermijn van drie jaren en voor het overige kennelijk ongegrond.

  • ECLI:NL:TADRARL:2022:61 Raad van Discipline Arnhem-Leeuwarden 21-512/AL/OV

    Raadsbeslissing. Klacht over eigen advocaat. Eén klachtonderdeel is niet ontvankelijk verklaard omdat deze niet binnen de termijn van drie jaar is ingediend. Een ander klachtonderdeel is wel ontvankelijk. Daarover overweegt de raad dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld door niet tijdig de dossiers van zijn oud cliënt aan zijn nieuwe advocaat te sturen. Ook heeft verweerder meermaals niet gereageerd op verzoeken om informatie van die advocaat. Klachtonderdeel gegrond. Waarschuwing.

  • ECLI:NL:TADRAMS:2022:57 Raad van Discipline Amsterdam 21-875/A/A

    Raadsbeslissing. Betreft een ongegronde klacht over de advocaat van de wederpartij. Hoewel denkbaar is dat de aangifte tegen klagers minder aanvallend en in met meer distantie gebrachte bewoordingen was gedaan, kunnen de bewoordingen niet als onnodig grievend worden aangemerkt. Van een onnodig grievende uitlating is sprake als bewoordingen apert onjuist, zeer kwetsend of neerbuigend zijn, dan wel als grievende bewoordingen in redelijkheid geen bijdrage kunnen leveren aan het debat waarin de bewoordingen zijn gebruikt. Hiervan is de raad niet gebleken. Evenmin heeft verweerder gehandeld in strijd met de kernwaarde onafhankelijkheid door zich in de aangifte in de ‘ik-vorm’ uit te drukken.

  • ECLI:NL:TADRARL:2022:62 Raad van Discipline Arnhem-Leeuwarden 21-506/AL/MN

    Verweerster heeft in strijd met art. 46 Aw, in het bijzonder de gedragsregels 16 lid 3 en 18 leden 1 en 2 gehandeld door naast het aanvragen van een toevoeging voor klaagster in diezelfde procedure een declaratie aan haar te sturen. Het verzenden van een declaratie is zonder meer het 'bedingen' van een vergoeding als bedoeld in lid 2 van gedragsregel 18, maar verhoudt zich ook niet met het systeem van gefinancierde rechtsbijstand. Een cliënt wordt ofwel bijgestaan op basis van gefinancierde rechtsbijstand dan wel op betalende basis. Na aanvragen van een toevoeging is het aan de Raad voor Rechtsbijstand voorbehouden om na afloop van de zaak op grond van het behaalde eindresultaat te beoordelen of de toevoeging terecht is verstrekt. Zo niet, dan moet de cliënt de advocaat alsnog betalen indien daarover bij aanvaarding van de zaak prijsafspraken zijn gemaakt. Klaagster heeft niet uitdrukkelijk afstand gedaan van haar recht op gefinancierde rechtsbijstand. Verweerster had na afloop van de zaak de voorwaardelijk verleende toevoeging voor definitieve vaststelling ter beoordeling aan de Raad voor Rechtsbijstand voor moeten leggen, wat zij niet heeft gedaan. Nog los van de vraag of de Raad voor Rechtsbijstand in de resultaatsbeoordeling ook te ontvangen bruto partneralimentatie betrekt, zoals verweerster stelt, is verweerster ten onrechte op de stoel van de Raad voor Rechtsbijstand gaan zitten. Daardoor heeft zij klaagster ook nog de mogelijkheid ontnomen om bij een beslissing tot intrekking van de toevoeging bezwaar daartegen te maken. Van kwade bedoelingen van verweerster is de raad niet gebleken. De raad acht gezien de ernst van het aan verweerster verweten handelen een maartregel van berisping passend.

  • ECLI:NL:TADRAMS:2022:58 Raad van Discipline Amsterdam 21-984/A/A 21-985/A/A/D

    Raadsbeslissing en dekenbezwaar. In de klacht en het dekenbezwaar wordt verweerder verweten in strijd te hebben gehandeld met gedragsregel 18 door aanzienlijke bedragen aan klager te declareren en daarnaast zijn werkzaamheden bij de Raad voor Rechtsbijstand in rekening te brengen. De raad acht klager, anders dan verweerder heeft gesteld, ontvankelijk in zijn klacht. Nu in de opdrachtbevestiging uitsluitend bevestigd wordt aan klager dat verweerder met hem is overeengekomen dat hij betalend voor klager zou optreden en niet gesproken wordt over de mogelijkheid van gefinancierde rechtshulp waarvoor klager in aanmerking kwam en dus niet is vastgelegd dat klager verkoos om geen gebruik te maken van de mogelijkheid van gefinancierde rechtsbijstand, heeft klager wel degelijk een rechtstreeks belang bij de klacht. Naar het oordeel van de raad heeft verweerder gehandeld in strijd met de zorg die hij als advocaat had behoren te betrachten en bovendien in strijd met artikel 10a sub d Advocatenwet en de kernwaarde integriteit door zijn werkzaamheden en bij klager en bij de Raad voor Rechtsbijstand te declareren. Dat verweerder de toevoeging dacht te hebben ingetrokken, maar dit door een misverstand niet is gebeurd, acht de raad niet aannemelijk gemaakt. De klacht en het dekenbezwaar zijn dan ook gegrond. Gelet op de ernst van de gedragingen en de grote (financiële) gevolgen voor klager, acht de raad een schorsing van substantiële duur passend. Vanwege het (nagenoeg) blanco tuchtrechtelijk verleden van verweerder zal de raad de schorsing van vier maanden in voorwaardelijke vorm opleggen. Indien verweerder nog een keer de tuchtrechtelijke grens overschrijdt zal dit dan ook consequenties hebben. De raad heeft verweerder ook twee bijzondere voorwaarden opgelegd; de eerste bijzondere voorwaarde luidt dat verweerder de door hem veroorzaakte schade, te weten het ten onrechte door hem aan klager in rekening gebrachte en door klager aan hem betaalde bedrag tot de maximumhoogte van het in artikel 48b lid 1 Advocatenwet genoemde bedrag van € 5000,-, aan klager zal vergoeden, binnen twee weken na het onherroepelijk worden van deze beslissing, door overboeking op klagers bankrekening. De tweede bijzondere voorwaarde houdt in dat verweerder de aan klager gestuurde declaraties (voor het totaal gefactureerde bedrag, dus ook boven het bedrag van € 5000,-) zal crediteren.

  • ECLI:NL:TADRARL:2022:63 Raad van Discipline Arnhem-Leeuwarden 21-053/AL/GLD

    Ongegrond verzet. Naar het oordeel van de raad heeft de voorzitter de verjaringsbepalingen van artikel 46g leden 1 en 2 Aw goed toegepast.

  • ECLI:NL:TADRAMS:2022:59 Raad van Discipline Amsterdam 22-014/A/A

    Raadsbeslissing. Ongegronde klacht over de eigen advocaat. Niet gebleken is dat zich onbeschoft jegens klager heeft gedragen. Daarnaast heeft verweerder niet tuchtrechtelijk verwijtbaar gehandeld door de wijze waarop hij zich aan klagers zaak heeft onttrokken. Uit het verweer blijkt afdoende dat er geen vertrouwensbasis meer was tussen klager en verweerder en verweerder zodoende geen andere keuze had dan zich aan de zaak te onttrekken. Daarbij stelt de raad vast dat verweerder zorgvuldig heeft gehandeld door zijn beslissing tijdig kenbaar te maken aan klager, klager meerdere malen erop te wijzen dat hij op zoek moet gaan naar een andere advocaat en er bovendien voor te zorgen dat de zitting werd uitgesteld.