Zoekresultaten 11051-11060 van de 48274 resultaten
-
ECLI:NL:TGZRZWO:2022:48 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Zwolle Z2021/3153
- Datum publicatie: 12-05-2022
- Datum uitspraak: 09-05-2022
- ECLI:NL:TGZRZWO:2022:48
Klaagster, vertegenwoordigd door haar dochter, heeft een klacht ingediend tegen drie klinisch geriaters en twee arts assistenten. Beklaagde is een van de betreffende arts assistenten. Klaagster is eerder gediagnosticeerd met dementie en heeft maag-/darmklachten. Met deze klachten is zij, na meerdere onderzoeken, opgenomen geweest ter observatie. Beklaagde is als een van de dienstdoende arts assistenten bij de opname betrokken geweest. Klaagster verwijt hem onder meer een onjuiste weergave van de heteroanamnese en de klachten en het vervolgens uitzetten van een onjuist onderzoekstraject. Daarbij zou hij klaagster en haar dochter niet serieus hebben genomen. Ook maakt klaagster beklaagde verwijten over de diagnose, de behandeling, de conclusies uit het verrichte onderzoek en de bejegening van klaagster en haar dochter. Klaagster ging ervan uit dat de focus bij de opname zou liggen op haar maag-/darmklachten, maar in plaats daarvan werd de nadruk gelegd op het vergeten te eten en haar dementie.Het college acht de klacht in al zijn onderdelen kennelijk ongegrond. Van de contacten die beklaagde tijdens de visites met klaagster heeft gehad, ziet het college geen aanleiding voor het oordeel dat de door beklaagde genoteerde anamnese en klachten verkeerd in het dossier zijn genoteerd. Ook ziet het college geen aanleiding om de door beklaagde genoteerde aantekeningen van de bezoeken en het beleid onjuist te achten, dan wel te oordelen dat beklaagde klaagster (en haar dochter) niet serieus zou hebben genomen.Wat betreft de diagnose volgt het college beklaagde erin dat het vergeten te eten een verschijnsel is dat past bij dementie en dat dat in dit geval een reële mogelijkheid was. Beklaagde heeft dan ook op basis hiervan beleid kunnen uitzetten. Een en ander is telkens met klaagster afgesproken en zij heeft hiermee ingestemd. Ook ten aanzien van het uitgevoerde onderzoek (MMSE screening) en de daaruit getrokken conclusies heeft beklaagde niet tuchtrechtelijk verwijtbaar gehandeld.Van onheuse bejegening van de dochter van klaagster is geen sprake. Ook is niet gebleken dat beklaagde klaagster als wilsonbekwaam heeft behandeld.
-
ECLI:NL:TGZRZWO:2022:49 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Zwolle Z2021/3151
- Datum publicatie: 12-05-2022
- Datum uitspraak: 09-05-2022
- ECLI:NL:TGZRZWO:2022:49
Klaagster, vertegenwoordigd door haar dochter, heeft een klacht ingediend tegen drie klinisch geriaters en twee arts assistenten. Beklaagde is een van de betreffende geriaters. Klaagster is eerder gediagnosticeerd met dementie en is vanwege maag-/darmklachten meerdere malen bij beklaagde op consult geweest en door beklaagde onderzocht. Onder meer heeft beklaagde de PPI’s van klaagster aangepast en heeft zij een gastroscopie laten verrichten, waarbij maagzweren zijn aangetroffen. Nadat klaagster hiervoor was behandeld met medicijnen waren de maagzweren bij een gastroscopie ter controle niet meer te zien. Vanwege terugkerende buikpijnklachten is klaagster vervolgens, na verwijzing van beklaagde, opgenomen ter observatie.Klaagster verwijt beklaagde onder meer dat zij haar niet met voorrang heeft verwezen naar een MDL-arts en dat zij (te) laat een gastroscopie heeft aangevraagd. Ook maakt klaagster beklaagde meerdere verwijten omtrent het gebruik van de PPI’s. Zo meent klaagster dat er een reboundeffect is opgetreden doordat beklaagde het gebruik van de PPI’s ineens, zonder afbouwschema, heeft gestopt. Dit heeft volgens klaagster geleid tot haar maag-/darmklachten.Het college acht de klacht in al zijn onderdelen kennelijk ongegrond. Uit het dossier leidt het college af dat beklaagde bij uitstek heeft gekeken naar de maag-/darmklachten van klaagster. Het college acht het zorgvuldig dat beklaagde, nadat de maagzweren verdwenen waren, ook breder heeft gekeken naar een mogelijke oorzaak van de buikpijnklachten.Wat betreft het gebruik, staken en vervangen van de PPI’s blijkt uit het dossier dat dit telkens in overleg met en met goedkeuring van klaagster heeft plaatsgevonden. Mogelijke bijwerkingen heeft beklaagde nagevraagd bij de farmacotherapeut. Naar het oordeel van het college heeft beklaagde voldoende onderbouwd dat het reboundeffect in het geval van klaagster niet is opgetreden.
-
ECLI:NL:TGZRAMS:2022:40 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Amsterdam A2021/3309
- Datum publicatie: 12-05-2022
- Datum uitspraak: 10-05-2022
- ECLI:NL:TGZRAMS:2022:40
Gedeeltelijk gegronde klacht tegen een specialist ouderengeneeskunde. Klaagster, moeder van een zoon met een zware handicap na een plotselinge hartstilstand, klaagt over de zorg en behandeling over haar zoon en de communicatie met de ouders. De specialist ouderengeneeskunde heeft onvoldoende laten blijken dat zij contact heeft gehad met externe specialisten over behandelopties voor de zoon van klaagster. Zij had op dit punt meer door moeten pakken, haar stappen duidelijker moeten communiceren richting de ouders en meer de regie moeten nemen. Het kan niet worden vastgesteld dat het handelen onder de maat was. Het college heeft oog voor de ingewikkelde positie van beklaagde als enige specialist ouderengeneeskunde in de instelling, maar gelet op de vertrouwensbreuk had zij toch meer initiatief moeten nemen tot een oplossing. De klacht over het medicatiebeleid slaagt niet. Klachten deels gegrond, waarschuwing.
-
ECLI:NL:TGZRZWO:2022:50 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Zwolle Z2021/3150
- Datum publicatie: 12-05-2022
- Datum uitspraak: 09-05-2022
- ECLI:NL:TGZRZWO:2022:50
Klacht tegen drie klinisch geriaters en twee arts assistenten. Beklaagde is een van de betreffende geriaters. Klaagster is eerder gediagnosticeerd met dementie en is vanwege maag-/darmklachten, na meerdere onderzoeken, opgenomen ter observatie. Beklaagde was in haar rol van supervisor van de dienstdoende arts assistenten bij deze opname betrokken. Klaagster, vertegenwoordigd door haar dochter, verwijt beklaagde dat zij een foute diagnose heeft gesteld, een onjuiste behandeling heeft uitgezet en opgelegd, onjuist onderzoek heeft uitgevoerd en foutieve conclusies heeft getrokken. Ook verwijt zij beklaagde dat zij de dochter van klaagster onheus heeft bejegend en klaagster als wilsonbekwaam heeft behandeld. Klaagster ging ervan uit dat de focus bij de opname zou liggen op haar maag-/darmklachten, maar in plaats daarvan werd de nadruk gelegd op het vergeten te eten en haar dementie.Het college acht de klacht in al zijn onderdelen kennelijk ongegrond. Het college volgt beklaagde erin dat het vergeten te eten een verschijnsel is dat past bij dementie en dat dat in dit geval een reële mogelijkheid was. Beklaagde heeft dan ook op basis hiervan beleid kunnen uitzetten dan wel als supervisor kunnen accorderen. Een en ander is telkens met klaagster afgesproken en zij heeft hiermee ingestemd. Beklaagde heeft op basis van de observaties tijdens de opname kunnen concluderen dat klaagster baat had bij maaltijdtoezicht. Van onheuse bejegening van de dochter van klaagster is geen sprake. Ook is niet gebleken dat beklaagde klaagster als wilsonbekwaam heeft behandeld.
-
ECLI:NL:TADRSGR:2022:70 Raad van Discipline 's-Gravenhage 22-203/DH/RO
- Datum publicatie: 11-05-2022
- Datum uitspraak: 11-05-2022
- ECLI:NL:TADRSGR:2022:70
Voorzittersbeslissing. Klacht over de advocaat van de wederpartij kennelijk ongegrond.
-
ECLI:NL:TADRSGR:2022:64 Raad van Discipline 's-Gravenhage 21-710/DH/RO
- Datum publicatie: 11-05-2022
- Datum uitspraak: 09-05-2022
- ECLI:NL:TADRSGR:2022:64
Verzet ongegrond.
-
ECLI:NL:TADRSGR:2022:65 Raad van Discipline 's-Gravenhage 21-751/DH/RO
- Datum publicatie: 11-05-2022
- Datum uitspraak: 09-05-2022
- ECLI:NL:TADRSGR:2022:65
Verzet ongegrond. De raad overweegt in deze zaak dat klager 1 misbruik maakt van recht. Klager heeft de afgelopen jaren over het handelen van verweerder elf maal bij de deken klachten ingediend die zagen op een veelheid gedragingen van verweerder in meerdere dossiers. Het (grootste deel van) de klachten vond telkens grond in hetzelfde feitencomplex. De meeste klachten zijn ongegrond dan wel niet-ontvankelijk verklaard. Aan de klachtonderdelen die wel gegrond zijn verklaard is tot dusver geen maatregel verbonden.Klager heeft in een brief van 25 april 2018 aan de deken laten weten dat wanneer verweerder ervoor kiest zich niet als advocaat terug te trekken, hij met klachten geconfronteerd zal blijven worden. De voorzitter van de raad heeft, net als de deken, gepoogd om een bemiddelingsgesprek te laten plaatsvinden. Dit is niet gelukt, omdat klager daaraan geen, althans onvoldoende voortvarend, medewerking verleende. De raad heeft verder ervaren dat klager stelselmatig belemmeringen opwerpt bij de zittingsplanning in de vorm van de opgave van onevenredig veel verhinderdata en aanhoudingsverzoeken, die laatste niet zelden op het laatste moment. De raad kan zich niet aan de indruk onttrekken dat klager daarmee vooral beoogt aan verweerder zoveel mogelijk nadeel toe te brengen. Klager gebruikt het tuchtrecht, kortom, als middel om het leven van verweerder zuur te maken met als ultieme doel terugtrekking door verweerder.Het tuchtrecht is daarvoor echter niet bedoeld. Gebruikmaking van het tuchtrecht op deze wijze is naar het oordeel van de raad in feite misbruik van recht. Klager moet er daarom rekening mee houden dat een volgende klacht tegen verweerder door de deken respectievelijk de raad niet meer in behandeling zal worden genomen.
-
ECLI:NL:TADRSGR:2022:66 Raad van Discipline 's-Gravenhage 21-752/DH/RO
- Datum publicatie: 11-05-2022
- Datum uitspraak: 09-05-2022
- ECLI:NL:TADRSGR:2022:66
Verzet ongegrond. De raad overweegt in deze zaak dat klager misbruik maakt van recht. Klager heeft de afgelopen jaren over het handelen van verweerder elf maal bij de deken klachten ingediend die zagen op een veelheid gedragingen van verweerder in meerdere dossiers. Het (grootste deel van) de klachten vond telkens grond in hetzelfde feitencomplex. De meeste klachten zijn ongegrond dan wel niet-ontvankelijk verklaard. Aan de klachtonderdelen die wel gegrond zijn verklaard is tot dusver geen maatregel verbonden.Klager heeft in een brief van 25 april 2018 aan de deken laten weten dat wanneer verweerder ervoor kiest zich niet als advocaat terug te trekken, hij met klachten geconfronteerd zal blijven worden. De voorzitter van de raad heeft, net als de deken, gepoogd om een bemiddelingsgesprek te laten plaatsvinden. Dit is niet gelukt, omdat klager daaraan geen, althans onvoldoende voortvarend, medewerking verleende. De raad heeft verder ervaren dat klager stelselmatig belemmeringen opwerpt bij de zittingsplanning in de vorm van de opgave van onevenredig veel verhinderdata en aanhoudingsverzoeken, die laatste niet zelden op het laatste moment. De raad kan zich niet aan de indruk onttrekken dat klager daarmee vooral beoogt aan verweerder zoveel mogelijk nadeel toe te brengen. Klager gebruikt het tuchtrecht, kortom, als middel om het leven van verweerder zuur te maken met als ultieme doel terugtrekking door verweerder.Het tuchtrecht is daarvoor echter niet bedoeld. Gebruikmaking van het tuchtrecht op deze wijze is naar het oordeel van de raad in feite misbruik van recht. Klager moet er daarom rekening mee houden dat een volgende klacht tegen verweerder door de deken respectievelijk de raad niet meer in behandeling zal worden genomen.
-
ECLI:NL:TADRSGR:2022:60 Raad van Discipline 's-Gravenhage 21-748/DH/DH
- Datum publicatie: 11-05-2022
- Datum uitspraak: 02-05-2022
- ECLI:NL:TADRSGR:2022:60
Klacht over de eigen advocaat. Opdrachtbevestiging niet in strijd met artikel 46 Advocatenwet. Het stond verweerder vrij om anderen in te schakelen. Geen sprake van onoverzichtelijke of onduidelijke declaraties. Verweerder heeft de facturen op naam van klagers praktijkvennootschap gesteld, terwijl klager in persoon als opdrachtgever kan worden aangemerkt. De raad verwijst naar een tweetal uitspraken van het Hof van Discipline over de inrichting van een declaratie. De raad oordeelt dat klager in persoon formeel als cliënt is aan te merken, terwijl zijn praktijkvennootschap dat in materiële zin is. Gelet op die verwevenheid kan klagers praktijkvennootschap niet als ‘derde’ worden aangemerkt. Klacht ongegrond.
-
ECLI:NL:TADRSGR:2022:67 Raad van Discipline 's-Gravenhage 21-837/DH/RO
- Datum publicatie: 11-05-2022
- Datum uitspraak: 09-05-2022
- ECLI:NL:TADRSGR:2022:67
Verweerder heeft onzorgvuldig gehandeld rondom een aanhoudingsverzoek. De raad legt geen maatregel op.Klager heeft de afgelopen jaren over het handelen van verweerder elf maal bij de deken klachten ingediend die zagen op een veelheid van gedragingen van verweerder in meerdere dossiers. Het (grootste deel van) de klachten vond telkens grond in hetzelfde feitencomplex. De meeste klachten zijn ongegrond dan wel niet-ontvankelijk verklaard. Aan de klachtonderdelen die wel gegrond zijn verklaard is tot dusver geen maatregel verbonden.Klager heeft in een brief van 25 april 2018 aan de deken laten weten dat wanneer verweerder ervoor kiest zich niet als advocaat terug te trekken, hij met klachten geconfronteerd zal blijven worden. De voorzitter van de raad heeft, net als de deken, gepoogd om een bemiddelingsgesprek te laten plaatsvinden. Dit is niet gelukt, omdat klager daaraan geen, althans onvoldoende voortvarend, medewerking verleende. De raad heeft verder ervaren dat klager stelselmatig belemmeringen opwerpt bij de zittingsplanning in de vorm van de opgave van onevenredig veel verhinderdata en aanhoudingsverzoeken, die laatste niet zelden op het laatste moment. De raad kan zich niet aan de indruk onttrekken dat klager daarmee vooral beoogt aan verweerder zoveel mogelijk nadeel toe te brengen. Klager gebruikt het tuchtrecht, kortom, als middel om het leven van verweerder zuur te maken met als ultieme doel terugtrekking door verweerder.Het tuchtrecht is daarvoor echter niet bedoeld. Gebruikmaking van het tuchtrecht op deze wijze is naar het oordeel van de raad in feite misbruik van recht. De raad ziet hierin grond om in deze klachtzaak, hoewel gedeeltelijk gegrond, aan verweerder geen maatregel op te leggen. De raad neemt daarbij in aanmerking dat klagers door de gang van zaken rondom het uitstelverzoek van 11 december 2019 zoals hiervoor in 5.6 al toegelicht niet of nauwelijks in hun belangen zijn geschaad. Klager moet er verder rekening mee houden dat een volgende klacht tegen verweerder door de deken respectievelijk de raad niet meer in behandeling zal worden genomen.
- Vorige pagina zoekresultaten
- Pagina: 1
- ...
- Pagina: 1105
- Pagina: 1106
- Pagina: 1107
- ...
- Pagina: 4828
- Volgende pagina zoekresultaten