Zoekresultaten 10921-10930 van de 48257 resultaten

  • ECLI:NL:TADRSHE:2022:76 Raad van Discipline 's-Hertogenbosch 21-541/DB/OB

    Raadsbeslissing. Klacht over eigen advocaat. Kwaliteit dienstverlening. Uit de grote hoeveelheid aan stukken, waaronder de tussen klaagster en verweerder gewisselde e-mails, leidt de raad af dat verweerder tijdens het onderhandelingstraject met mr. Van W. in het belang van klaagster heeft gehandeld en zich heeft ingezet om de echtscheiding op de kortst mogelijke termijn af te wikkelen met een voor klaagster zo gunstig mogelijk resultaat. Van enige onzorgvuldigheid tijdens de behartiging van klaagsters belangen is niet gebleken. Verder kan verweerder op grond van de overgelegde correspondentie, waaronder de diverse e-mails en de door klaagster overgelegde Whatsappberichten over de periode 25 oktober 2018 tot en met 5 maart 2020, tuchtrechtelijk geen verwijt kan worden gemaakt. Weliswaar heeft verweerder zich in sommige e-mails en apps op vrij directe wijze en in niet mis te verstane bewoordingen geuit, maar deze uitingen en bewoordingen overschrijden de grenzen van hetgeen een redelijk bekwame en redelijk handelende advocaat betaamt niet. Verweerder heeft in zijn aanpak van de echtscheidingsprocedure van klaagster gehandeld met de zorgvuldigheid die van een redelijk bekwame en redelijk handelende advocaat in de gegeven omstandigheden mag worden verwacht. Ook is het niet gebleken dat verweerder excessief heeft gedeclareerd door de kosten voor zijn werkzaamheden onnodig te laten oplopen en hoge kosten te berekenen voor gesprekken met mr. Van W. Klacht in alle onderdelen ongegrond.

  • ECLI:NL:TADRAMS:2022:73 Raad van Discipline Amsterdam 21-614/A/A 21-987/A/A

    Raadsbeslissing. Gegronde klacht over de rol van verweerder als advocaat-onderzoeker. Verweerder is door een bedrijf ingeschakeld om onderzoek te doen naar mogelijke fraude onder het bestuur van klaagster, die voor haar ontslag bij dat bedrijf werkzaam was als directeur. De voorzieningenrechter heeft in een van de vele procedures tussen klaagster en haar ex-werkgever geoordeeld dat het de werkgever verboden was langer gebruik te maken van de privé-gegevens die zich bevinden in de e-mailaccounts van klaagster en in andere privé stukken die zich op het kantoor bevinden. Het verbod stond niet in de weg aan een fraudeonderzoek door een onafhankelijk bureau. Klaagster heeft verweerder verweten dat hij niet kwalificeert als onafhankelijk bureau in de zin van dat vonnis, omdat hij niet voldeed aan de zware eisen die gelden voor een advocaat die handelt als onafhankelijk advocaat-onderzoeker. Naar het oordeel van de raad doelde de voorzieningenrechter in zijn vonnis met een onafhankelijk bureau niet op een werkgeversonderzoek door een advocaat die zich daarin alleen onafhankelijk ten opzichte van zijn cliënt-werkgever opstelde, maar had de voorzieningenrechter met het begrip onafhankelijk bureau het oog op een instantie die met goedvinden van beide partijen kan opereren. Als bij uitstek deskundig op het terrein van ondernemingsonderzoeken, mocht van verweerder verwacht worden dat hij dit verschil in onafhankelijkheid onderkende en dat hij zijn opdrachtgever en derden in heldere bewoordingen hierover informeerde. Verweerder heeft dit niet gedaan, maar juist geprobeerd beide hoedanigheden te combineren: zowel de hoedanigheid van onafhankelijk onderzoeker in de zin van het vonnis, met daarmee de mogelijkheid tot inzage en gebruik van de e-mailaccounts van klaagster en andere van haar privé-gegevens, als de hoedanigheid van advocaat van het bedrijf, met daarmee de mogelijkheid deze informatie ten behoeve van alleen het bedrijf jegens o.a. klaagster te gebruiken. Hiermee heeft verweerder geen acht geslagen op gedragsregel 9 die voorschrijft dat een advocaat ervoor dient te zorgen dat er geen misverstand kan bestaan over de hoedanigheid waarin hij in een gegeven situatie optreedt. Daarmee heeft verweerder in strijd gehandeld met de betamelijkheidsnorm neergelegd in artikel 46 Advocatenwet. Maatregel van een voorwaardelijke schorsing voor de duur van vier maanden en kostenveroordeling opgelegd.

  • ECLI:NL:TADRAMS:2022:80 Raad van Discipline Amsterdam 21-826/A/A 21-827/A/A

    klacht tegen advocaten wederpartij. Verweerders zouden de regels van een eerlijk proces hebben geschonden, alsmede de belangen van een van de klagers nodeloos en op ontoelaatbare wijze hebben geschaad. De klachten worden ongegrond verklaard.

  • ECLI:NL:TADRSHE:2022:77 Raad van Discipline 's-Hertogenbosch 22-141/DB/LI

    Klaagster heeft onvoldoende met concrete feiten en omstandigheden onderbouwd dat de advocaat haar tegen haar wil ertoe heeft aangezet om een regeling te accepteren die niet overeenkwam met de opdracht/wens van klaagster en eerder gedane toezeggingen door die advocaat. Evenmin kan worden vastgesteld dat er sprake is van excessief declareren, onvoldoende informatie en het behartigen van tegenstrijdige belangen.Klacht ongegrond

  • ECLI:NL:TADRAMS:2022:74 Raad van Discipline Amsterdam 21-645/A/A 21-646/A/A

    Raadsbeslissing. Gedeeltelijk gegronde klacht over de dienstverlening van de eigen advocaat. Voor wat betreft de vaktechnische kwaliteit is geen sprake van breed gedragen, schriftelijk vastgelegde professionele standaarden. De raad toetst of verweerder heeft gehandeld met de zorgvuldigheid die van een redelijk bekwame en redelijk handelende advocaat in de gegeven omstandigheden mag worden verwacht. De raad is voorts niet bevoegd declaratiegeschillen te beslechten, maar kan wel beoordelen of sprake is van excessief declareren. Verweerder heeft verder ten onrechte een beroep gedaan op het retentierecht (gedragsregel 28). Het is vaste jurisprudentie dat een advocaat slechts behoedzaam van zijn retentierecht gebruik maakt. Bovendien is hij, indien zijn declaratie niet is voldaan en hij zich beroept op zijn retentierecht, niettemin verplicht om het dossier af te geven aan de opvolgend advocaat onder door de deken te stellen voorwaarden. Het stond verweerder aldus in beginsel vrij zich te beroepen op zijn retentierecht, maar toen hem bij herhaling was verzocht om afgifte van het dossier was hij hiertoe verplicht na overleg met de deken en onder door de deken te stellen voorwaarden. Niet gebleken is dat verweerder de deken verzocht heeft om voorwaarden aan de dossieroverdracht te stellen. Tot het over te dragen dossier behoort ook het concept dat nog niet gereed is. Met uitzondering van interne memo’s die slechts bestemd zijn als geheugensteun voor de advocaat, heeft de cliënt recht op door de advocaat geproduceerde (concept-)stukken waarvoor de cliënt heeft betaald (of gaat betalen), of waarvoor zekerheid is gesteld. Dit geldt zeker voor stukken die bruikbaar zijn voor de opvolgend advocaat. Maatregel waarschuwing en kostenveroordeling opgelegd.

  • ECLI:NL:TADRSHE:2022:78 Raad van Discipline 's-Hertogenbosch 21-992/DB/ZWB

    Voorzitter heeft beslist voordat de termijn, waarbinnen door partijen stukken konden worden ingediend, was verstreken.Verzet gegrond.Klacht over advocaat in hoedanigheid van (voormalig) deken. Het staat een advocaat vrij om in zijn verweer op een tegen hem ingediende klacht datgene naar voren te brengen wat hij in het kader van zijn verweer van belang acht. Dit is slechts anders indien de advocaat de deken dan wel de tuchtrechter bewust misleidt. Hiervan is in deze niet gebleken.Klacht ongegrond

  • ECLI:NL:TGZRZWO:2022:63 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Zwolle Z2021/3049

    Klacht tegen psychiater. Klager verblijft in een tbs-kliniek, waar hij aanvankelijk op vrijwillige basis antipsychotische medicatie gebruikte. Omdat klager hier veel moeite mee had, is zijn behandelend psychiater een onderzoek gestart naar de mogelijkheden van een medicatievrije episode. In het kader van dit onderzoek heeft beklaagde een second opinion verricht. In dit verband heeft hij klager gezien en dossieronderzoek verricht. Beklaagde heeft op basis van zijn onderzoek geconcludeerd dat behandeling met antipsychotica noodzakelijk is en dat, wanneer klager dit niet vrijwillig accepteert, behandeling onder dwang gerechtvaardigd is. Klager verwijt beklaagde dat hij hem niet serieus heeft genomen. Volgens klager heeft beklaagde in 15 minuten een diagnose gesteld. Ook meent klager dat beklaagde onvoldoende onafhankelijk is opgetreden, omdat hij heeft gehandeld op basis het medisch dossier van zijn behandelaren.Klacht kennelijk ongegrond. Het verzoek om een second opinion betrof expliciet niet een vraag naar (de juistheid van) de gestelde diagnose, maar een vraag naar de noodzaak van dwangbehandeling met antipsychotica. Beklaagde heeft op basis van de onderzoeksbevindingen, de beschikbare stukken, de dreiging van fysieke agressie en het feit dat klager niet vrijwillig medicatie wilde nemen, kunnen concluderen dat dwangmedicatie gerechtvaardigd was. Niet gebleken is dat het onderzoek niet onafhankelijk is geweest.

  • ECLI:NL:TADRARL:2022:86 Raad van Discipline Arnhem-Leeuwarden 21-1038/AL/GLD/D

    Dekenbezwaar. Verweerder heeft het hem verweten handelen erkend. Door de raad is dan ook komen vast te staan dat verweerder jarenlang in strijd heeft gehandeld met de kernwaarden (financiële) integriteit, onafhankelijkheid en deskundigheid/professionaliteit als bedoeld in artikel 10a Advocatenwet. Daarnaast heeft hij in strijd met artikel 46 Advocatenwet niet de zorg jegens zijn cliënten in acht genomen zoals van een advocaat verwacht mag worden. Daarbij heeft verweerder bepalingen in de Voda en gedragsregels geschonden en door zijn handelwijze het vertrouwen in de advocatuur en in zijn eigen beroepsgroep geschaad. Ook heeft verweerder de deken gefrustreerd in haar toezichthoudende taak door niet van meet af aan volledig de door haar verzochte inlichtingen te verstrekken. De raad verklaart alle bezwaren van de deken dan ook gegrond. Aan verweerder wordt, ondanks begrip voor zijn persoonlijke situatie en zijn eigen vertrek uit de advocatuur, de maatregel van schrapping opgelegd.

  • ECLI:NL:TGZRZWO:2022:57 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Zwolle Z2021/3220

    Bij klaagster is in 2018 in beide knieën een patellofemorale prothese geplaatst. Vanwege aanhoudende klachten aan de knieën is zij door de huisarts verwezen voor een second opinion. Beklaagde heeft haar in dat kader gezien en onderzocht. Beklaagde concludeerde dat sprake was van een vorderende artrose van beide knieën bij recent geplaatste patellofemorale prothesen. Hij achtte revisie naar een totale knieprothese onzeker qua uitkomst omdat er nog geen endstage artrose was. Hij sprak een controle af na een half jaar. Daarna sprak beklaagde een controle af voor weer een jaar later. De omstandigheid dat bij een latere operatie aan de linkerknie de prothese los bleek te zitten betekent niet dat beklaagde kan worden verweten dat hij dit niet heeft geconstateerd dan wel hiernaar geen specifiek onderzoek heeft gedaan. Nader onderzoek naar loslating van de prothese hoefde alleen te worden gedaan als er aanwijzingen waren voor zo’n loslating. Dat was niet het geval. Er was ook geen reden aan te nemen dat de klachten werden veroorzaakt door een endorotatie van de prothese. Gelet op de bevindingen was er evenmin aanleiding hiernaar (nader) onderzoek te doen. Het college heeft voorts niet kunnen vaststellen dat beklaagde de terugkoppeling van het eerste consult zonder toestemming van klaagster met de eerste chirurg heeft gedeeld. Klacht kennelijk ongegrond.

  • ECLI:NL:TADRSGR:2022:77 Raad van Discipline 's-Gravenhage 21-942/DH/RO

    Verzet ongegrond.