Zoekresultaten 10881-10890 van de 48250 resultaten

  • ECLI:NL:TADRARL:2022:91 Raad van Discipline Arnhem-Leeuwarden 21-732/AL/GLD

    Eigen advocaat wordt verweten dat zij klaagster tijdens de behandeling van de zaak niet naar een advocaat die op basis van gefinancierde rechtshulp werkt heeft doorverwezen en dat zij klaagster niet heeft geïnformeerd over de kosten van de deurwaarder. Eerder was klaagster door een advocaat op basis van gefinancierde rechtshulp bijgestaan en zij was vervolgens welbewust naar verweerster overgestapt die geen toegevoegde zaken behandelt. Op grond van gedragsregel 18 lid 1 rust op een advocaat de plicht om een cliënt erop te wijzen dat deze mogelijk in aanmerking komt voor gefinancierde rechtsbijstand niet alleen bij aanvang van de zaak, maar ook steeds tussentijds wanneer daartoe aanleiding bestaat. Deze verplichting gaat echter niet zover dat ook in een situatie als deze, waarin een cliënt deze mogelijkheid kent en de weg om deze mogelijkheid te benutten zelfstandig kan bewandelen, van een advocaat verwacht moet worden dat hij zijn cliënt naar een advocaat die op basis van gefinancierde rechtshulp werkt doorstuurt. Op grond van gedragsregel 16 lid 1 is een advocaat gehouden om zijn cliënt op de hoogte te brengen van belangrijke informatie en dient hij belangrijke informatie en afspraken schriftelijk aan zijn cliënt te bevestigen. Deze verplichting geldt met name ook in financiële aangelegenheden en bevat mede de verplichting om een cliënt vooraf over de hoogte van de kosten van een in te schakelen deurwaarder te informeren. Het ontbreken van schriftelijke vastlegging komt voor risico van verweerster. In dit geval is niet komen vast te staan dat verweerster klaagster deugdelijk over de (aanzienlijke) kosten van de deurwaarder heeft geïnformeerd. Klachtonderdeel gegrond, waarschuwing.

  • ECLI:NL:TGZCTG:2022:108 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag C2020.258

    Klacht tegen psychiater. Klaagster is bekend met een schizo-affectieve stoornis en wordt ambulant behandeld door PsyQ. Klaagster verwijt verweerster in de kern dat zij als achterwacht van de crisisdienst heeft geweigerd klaagster ‘s nachts thuis te (laten) beoordelen en dat zij geen nazorg heeft geboden en geen contact met de familie heeft opgenomen om hun onvrede te bespreken. Het Regionaal Tuchtcollege heeft de klacht over de weigering thuis te komen beoordelen gegrond verklaard, aan verweerster de maatregel van berisping opgelegd en publicatie van de beslissing gelast. Zowel verweerster als klaagster komen in beroep maar alleen het beroep van verweerster slaagt. Het Centraal Tuchtcollege vernietigt de beslissing van het Regionaal Tuchtcollege, verklaart de klacht alsnog in zijn geheel ongegrond en gelast publicatie van de beslissing.

  • ECLI:NL:TADRARL:2022:92 Raad van Discipline Arnhem-Leeuwarden 21-562/AL/MN

    Naar het oordeel van de raad heeft verweerder de zaak van klaagster onvoldoende voortvarend behandeld na het verzoek van de deken om aan klaagster een second opinion te geven over de werkwijze van de haar aangewezen advocaat. Alhoewel voor de raad begrijpelijk is dat drukte en de beperkende maatregelen door corona in die periode bij verweerder tot vertraging hebben geleid, laat dat onverlet dat verweerder klaagster daarover actief had moeten informeren en niet een half jaar moeten wachten tot klaagster contact zou zoeken. Voor zover hij onvoldoende tijd had om klaagster binnen een redelijke termijn te adviseren, had hij dat met haar of met de deken vooraf moeten bespreken. Verweerder heeft dat niet gedaan en is op dit punt in de zorg voor de belangen van klaagster tekortgeschoten. Waarschuwing.

  • ECLI:NL:TADRARL:2021:368 Raad van Discipline Arnhem-Leeuwarden 21-054/AL/GLD

    Voorzittersbeslissing. Klacht gedeeltelijk niet ontvankelijk, in verband met de vervaltermijn van drie jaren, en gedeeltelijk kennelijk ongegrond.

  • ECLI:NL:TADRAMS:2022:82 Raad van Discipline Amsterdam 21-901/A/A

    Raadsbeslissing. Ongegronde klacht advocaat wederpartij. In geschil is of verweerder de kernwaarden van de advocatuur heeft geschonden door in weerwil van de in het testament van de erflater neergelegde wens als advocaat van zijn echtgenote op te treden en in die hoedanigheid betrokken te zijn bij de afwikkeling van de nalatenschap. Hoewel de raad begrip heeft voor de spagaatpositie waarin klaagster (als executeur testamentair) verkeert door verweerders optreden als advocaat van zijn echtgenote in deze kwestie, betekent het enkele feit dat het de wens van de erflater is geweest dat verweerder als schoonzoon niet deelneemt aan de gesprekken over de verdeling van de nalatenschap, niet dat hij dan ook niet als advocaat van zijn echtgenote hierin mag optreden, los van de vraag of optreden voor directe familieleden wel verstandig is. Tegenover de vrije advocaatkeuze van de echtgenote van verweerder, heeft klaagster onvoldoende concreet gemaakt op welke wijze verweerder in zijn rol van advocaat van zijn echtgenote in dit concrete geval de integriteit van de beroepsgroep exact heeft geschaad.

  • ECLI:NL:TADRAMS:2022:83 Raad van Discipline Amsterdam 22-049/A/A

    Raadsbeslissing. Ongegronde klacht van een advocaat over een advocaat. Gedragsregel 7 draagt advocaten op zich niet onnodig grievend uit te laten. Hoewel voor advocaten de vrijheid van meningsuiting geldt, vindt deze zijn begrenzing in de plicht om zich in het kader van de beroepsuitoefening in het openbaar discreet en waardig op te stellen. Deze verplichting geldt onder meer jegens de eigen cliënt, jegens de wederpartij en jegens andere advocaten. Verweerder heeft zijn e-mails met de door hem gebezigde bewoordingen uitsluitend aan klager gestuurd en niet aan derden in een kwestie die zich tussen klager en verweerder afspeelt en niet over een zaak gaan waarin zij als advocaat namens cliënten optreden. De uitlatingen zijn dan ook niet in het kader van de beroepsuitoefening gedaan en evenmin in de openbaarheid. Deze omstandigheden hebben de raad tot de slotsom gebracht dat niet gezegd kan worden dat verweerder jegens klager tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld.

  • ECLI:NL:TGZRAMS:2022:74 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Amsterdam A2021/3556

    Klacht tegen een bedrijfsarts. Klaagster verwijt de bedrijfsarts dat hij onzorgvuldig heeft gehandeld, zo heeft hij onder meer geen probleemanalyse gemaakt, stelde hij zich niet onafhankelijk op en heeft hij zich onvoldoende ingespannen om klaagster goed te begeleiden. De bedrijfsarts voert verweer.

  • ECLI:NL:TADRSGR:2022:79 Raad van Discipline 's-Gravenhage 21-1044/DH/DH

    Klacht tegen een voormalig kantoorgenoot. Verweerder heeft zich schuldig gemaakt aan napleiten in een arbeidsgeschil tussen klager en verweerder. Verweerder heeft daarnaast, zonder redelijk doel en/of toestemming van klager, persoonlijke informatie van klager en informatie van cliënten van (het kantoor van) klager in procedures ingebracht. Berisping.

  • ECLI:NL:TADRAMS:2022:84 Raad van Discipline Amsterdam 22-040/A/NH

    Raadsbeslissing. Ongegronde klacht advocaat wederpartij. Voor zover klaagster verweerder verwijt ten onrechte beslag te hebben gelegd, geldt dat het aan de civiele rechter en niet aan de tuchtrechter is om de rechtmatigheid van een gelegd beslag te beoordelen. De toets door de tuchtrechter is op dit punt een terughoudende, namelijk het onnodig of onevenredig schaden van de belangen van de wederpartij zonder redelijk doel. Daarvan is niet gebleken. Voor zover klaagster meent dat sprake is van schending van gedragsregel 6 lid 2 is ook hiervan niet gebleken. De regel dat een advocaat gehouden is om alvorens hij overgaat tot het nemen van executiemaatregelen zijn wederpartij van zijn voornemen in kennis te stellen, geldt namelijk niet voor het leggen van conservatoir beslag, waarvan in dit geval sprake was. Tot slot heeft verweerder niet gehandeld in strijd met gedragsregel 8. Verweerder mocht afgaan op het feitenmateriaal dat zijn cliënte hem had verschaft.

  • ECLI:NL:TADRAMS:2022:85 Raad van Discipline Amsterdam 22-046/A/A

    Klacht tegen advocaat wederpartij. Klacht is gegrond. Belangenverstrengeling. Verweerder, althans zijn kantoor, was zowel advocaat van (de moedermaatschappij van) klaagsters als van de wederpartij van klaagsters. Verweerder heeft tuchtrechtelijk verwijtbaar gehandeld door zonder de vereiste instemming en in weerwil van de met het hoofd Juridische Zaken van klaagsters, tevens advocaat in dienstbetrekking, gemaakte afspraak in rechte tegen klaagsters opgetreden. Met zijn handelen heeft verweerder niet alleen gedragsregel 15 overtreden, maar ook anderszins onvoldoende inzicht getoond in het belang van de kernwaarde partijdigheid. Nadat verweerder klaagsters had gedagvaard en klaagsters bezwaar hebben gemaakt tegen zijn optreden, is verweerder doorgegaan met de procedure tegen klaagsters. Maatregel van berisping opgelegd.