Zoekresultaten 10631-10640 van de 48197 resultaten

  • ECLI:NL:TGDKG:2021:137 kamer voor gerechtsdeurwaarders Amsterdam C/13/679796 DW RK 20/69

    Het betaamt een gerechtsdeurwaarder om te reageren op een verzoek van de Kamer voor Gerechtsdeurwaarders daartoe. De klacht ziet gedeeltelijk op handelen of nalaten van de gerechtsdeurwaarder van meer dan drie jaren geleden en is daarom voor dat gedeelte niet-ontvankelijk. Voor het overige is de klacht ongegrond vanwege gebrek aan onderbouwing.

  • ECLI:NL:TADRSGR:2022:96 Raad van Discipline 's-Gravenhage 22-202/DH/RO

    Klacht over kantoorgenoot. De raad acht het niet tuchtrechtelijk verwijtbaar dat verweerder zich niet gehouden heeft gevoeld aan een door klager gestelde mondelinge afspraak tussen hem en mr. Y., waarvan hem het bestaan niet is gebleken. Klacht ongegrond.

  • ECLI:NL:TADRSGR:2022:97 Raad van Discipline 's-Gravenhage 22-222/DH/RO

    Voorzittersbeslissing. Klacht tegen de eigen advocaat over de kwaliteit van dienstverlening kennelijk ongegrond.

  • ECLI:NL:TADRSGR:2022:98 Raad van Discipline 's-Gravenhage 22-267/DH/DH

    Voorzittersbeslissing. Klacht tegen de eigen advocaat ingediend na de verval termijn en daarmee niet-ontvankelijk.

  • ECLI:NL:TGZRAMS:2022:75 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Amsterdam A2022/3871

    Klacht tegen een neuroloog. Verweerder is supervisor van zijn collega die bij klager de diagnose focale epilepsie heeft gesteld. Klager verwijt verweerder dat hij (en zijn collega) bij het stellen van de diagnose epilepsie onzorgvuldig en ondeskundig hebben gehandeld. Daarnaast was de nazorg en de communicatie na de diagnose zeer matig. Volgens het college mocht de collega van verweerder, op basis van het door hem uitgevoerde onderzoek, in redelijkheid tot de diagnose focale epilepsie komen. Verweerder heeft in voldoende mate invulling gegeven aan zijn taak als supervisor door de bevindingen en het te voeren beleid te bespreken met zijn collega en te accorderen. Dat de arts die een second opinion uitvoerde tot een andere diagnose kwam, betekent niet dat verweerder onzorgvuldig heeft gehandeld door de diagnose die door zijn collega was gesteld te onderschrijven. Wat betreft de nazorg en de communicatie komt het college tot de conclusie dat verweerder niks te verwijten valt. Klacht kennelijk ongegrond.

  • ECLI:NL:TADRSGR:2022:92 Raad van Discipline 's-Gravenhage 21-433/DH/RO

    Verweerder heeft een beroepsfout gemaakt door een fatale termijn te laten verlopen. Verder heeft verweerder een cliënte in verschillende zaken bijgestaan, maar niet op genoegzame wijze gecommuniceerd over zijn plan van aanpak. Verweerder heeft met zijn handelen en nalaten niet voldaan aan de eisen van professionaliteit en zorg die van hem als advocaat mogen worden verwacht. Schorsing voor de duur van twee weken.

  • ECLI:NL:TADRSGR:2022:99 Raad van Discipline 's-Gravenhage 22-270/DH/RO

    Voorzittersbeslissing. Klacht gedeeltelijk kennelijk niet ontvankelijk op grond van ne bis in idem en gedeeltelijk kennelijk ongegrond. Klager klaagt over iets waarover hij eerder ook heeft geklaagd. Volgens klager is echter sprake van nieuwe feiten. De voorzitter toetst aan het bij een verzoek tot herziening geldende kader.

  • ECLI:NL:TGZRAMS:2022:82 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Amsterdam A2022/3794

    Klacht grensoverschrijdend gedrag. Schorsing. De kern van de klacht betreft seksueel misbruik door de verpleegkundige. De verpleegkundige erkent een (seksuele) relatie te hebben gehad met klager. De verpleegkundige wist wel dat zij geen relatie mocht aangaan met een cliënt tijdens de behandelrelatie, maar zij heeft pas na de melding bij de inspectie kennisgenomen van het protocol en de gedragscode. Het college overweegt dat van seksueel misbruik niet alleen sprake is bij dwang, maar ook als seksueel contact plaats heeft binnen een afhankelijkheidsrelatie. De verpleegkundige geen toereikende afkoelingsperiode in acht genomen en, in strijd met de gedragsregels, van de relatie ook geen melding gemaakt bij de instelling. De verpleegkundige heeft daarom gehandeld in strijd met de zorg die zij ingevolge artikel 47 lid 1 van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg jegens de cliënt had behoren te betrachten. Dat de verpleegkundige klager zou hebben voorgelogen of valse aangifte zou hebben gedaan, kan het college niet vaststellen. Klager verwijt de verpleegkundige ook dat zij hem geen verdere uitleg wil geven, zodat hij de relatieperiode kan afsluiten. Uit de door de verpleegkundige overgelegde stukken is voldoende aannemelijk geworden dat klager daarna verschillende strafbare feiten jegens de verpleegkundige heeft gepleegd. Gelet daarop kan redelijkerwijs niet meer van haar worden gevergd dat zij nog met klager in gesprek gaat. Deze klachtonderdelen zijn alle ongegrond. Wat betreft de maatregel overweegt het college dat het voor de veiligheid en het welzijn van cliënten/patiënten noodzakelijk is dat een zorgverlener de professionele grenzen van de beroepsgroep respecteert en in acht neemt. Dit geldt in het bijzonder voor een verpleegkundige die werkzaam is in de geestelijke gezondheidszorg – en in dit geval in een forensisch-psychiatrische instelling –, vanwege de verhoogde kwetsbaarheid van de aan haar zorg toevertrouwde cliënten. De ernst van de verweten gedragingen rechtvaardigt als uitgangspunt, vanwege het gevaar voor cliënten en de nadelige gevolgen voor de cliënt in dit concrete geval, een maatregel die een beroepsbeperking meebrengt, zoals een schorsing. De inspectie heeft ook een klacht ingediend tegen de verpleegkundige in verband met deze zaak, bekend onder zaaknummer A2021/3865, die op dezelfde zitting afzonderlijk is behandeld. Omdat het in deze zaak en in de door de inspectie ingediende tuchtklacht om hetzelfde feitencomplex gaat, zal het college in deze zaak – evenals in die andere zaak – de helft van de genoemde duur van de schorsing opleggen.

  • ECLI:NL:TGZRAMS:2022:76 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Amsterdam A2022/3872

    Klacht tegen een AIOS neurologie. Klager verwijt verweerder dat hij bij het stellen van de diagnose epilepsie onzorgvuldig en ondeskundig heeft gehandeld. Daarnaast was de nazorg en de communicatie na de diagnose zeer matig. Volgens het college mocht verweerder, op basis van het door hem uitgevoerde onderzoek, in redelijkheid tot de diagnose focale epilepsie komen. Daarbij komt dat hij zijn anamnese, neurologisch onderzoek, conclusie en beleid met zijn supervisor heeft besproken en deze hier achter stond. Dat de arts die een second opinion uitvoerde tot een andere diagnose kwam, betekent niet dat verweerder onzorgvuldig heeft gehandeld. Wat betreft de nazorg en de communicatie komt het college tot de conclusie dat verweerder niks te verwijten valt. Klacht kennelijk ongegrond.

  • ECLI:NL:TADRSGR:2022:93 Raad van Discipline 's-Gravenhage 22-091/DH/DH/D

    Dekenbezwaar. Verweerster heeft niet gehandeld zoals een advocaat betaamt. Verweerster reageert stelselmatig niet op berichten en verzoeken van de deken ten aanzien van verschillende aangelegenheden. Verweerster belemmert de deken in haar toezichthoudende taak. Verweerster reageert ook niet op verzoeken van cliënten en collegae/confrères, waardoor cliëntenbelangen in het geding komen. Inmiddels lijkt het zich een herhalend patroon van onbereikbaarheid te zijn geworden. Berisping.