Zoekresultaten 1381-1390 van de 47599 resultaten

  • ECLI:NL:TAHVD:2025:261 Hof van Discipline 's Gravenhage 250406

    De voorzitter stelt vast dat deze klacht zodanig gebrekkig is geformuleerd dat niet duidelijk is wat de klacht precies inhoudt. De onderbouwing maakt een en ander niet bepaald inzichtelijker. De algemene verwijten en het onbehoorlijke taalgebruik maakt deze klacht naar het oordeel van de voorzitter niet voor verwijzing in aanmerking komt.

  • ECLI:NL:TGZRZWO:2025:163 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Zwolle Z2025/8558

    Klacht van de IGJ tegen een verpleegkundige gegrond. Maatregel: waarschuwing. De verpleegkundige werkte als begeleider en teamleider bij een instelling. De inspectie verwijt de verpleegkundige dat zij de professionele grenzen, die zij in acht behoort te nemen, heeft overschreden door gedurende de zorgrelatie met een cliënt privécontacten te hebben en direct nadat de zorgrelatie was beëindigd met deze cliënt een vriendschappelijke relatie aan te gaan. Klacht is gegrond. Er kan worden volstaan met een waarschuwing nu de verpleegkundige haar inschrijving in het BIG-register op eigen initiatief heeft laten doorhalen en zij bovendien al disciplinair gestraft is door haar vorige werkgever.

  • ECLI:NL:TADRAMS:2025:230 Raad van Discipline Amsterdam 25-754/A/A

    Voorzittersbeslissing; verweerder mocht de uitspraken van klaagster die (geanonimiseerd) gepubliceerd zijn op de website www.rechtspraak.nl gebruiken voor een artikel. Daarvoor hoefde hij geen toestemming van klaagster te vragen. Klacht is kennelijk ongegrond.

  • ECLI:NL:TADRAMS:2025:224 Raad van Discipline Amsterdam 25-445/A/A/D

    Raadsbeslissing; dekenbezwaar in alle onderdelen gegrond. Verweerder heeft in de eerste plaats bij zijn bijstand in de aandelenoverdracht niet voldaan aan de verplichtingen in de Wwft en in de Voda door geen (verscherpt) cliëntonderzoek te verrichten. In de tweede plaats heeft verweerder niet voldaan aan de zware zorgplicht die op hem rustte door als enige advocaat op te treden voor twee partijen om een echtscheiding tot stand te brengen. Daarbij heeft verweerder bovendien nagelaten belangrijke afspraken schriftelijk vast te leggen, hetgeen strijd met gedragsregel 16 lid 1 oplevert. In de derde plaats heeft verweerder zijn declaraties niet op de juiste wijze ingericht, doordat deze niet aan zijn cliënten waren gericht of niet duidelijk maakten wie als cliënt moest worden aangemerkt. Hiermee heeft verweerder gehandeld in strijd met gedragsregel 17 lid 2, artikel 7.5 van de Voda en de kernwaarde (financiële) integriteit. Tot slot heeft verweerder in het kader van een eerder opgelegde schorsing de deken niet volledig geïnformeerd over lopende dossiers en is verweerder in die periode van schorsing werkzaamheden blijven verrichten. Bij het bepalen van de hoogte van de maatregel zijn als verlichtende omstandigheden meegewogen dat de verwijtbare gedragingen inmiddels meer dan vijf jaar geleden hebben plaatsgevonden en verweerder daarna niet meer tuchtrechtelijk is veroordeeld. Ook is meegewogen dat verweerder zelfinzicht heeft getoond, zich heeft bijgeschoold, zijn werkwijze en zijn kantoorbeleid heeft aangepast waar het het factureren en de vastleggingen voor de Wwft en de Voda betreft. Verder is in het voordeel van verweerder meegewogen dat het tijdsverloop vanaf de start van het onderzoek van de deken (juli 2022) tot de daadwerkelijke indiening van het dekenbezwaar (juli 2025) erg lang is geweest en daarmee zeer belastend voor verweerder. Een schorsing van 26 weken, waarvan 13 weken voorwaardelijk, is passend bevonden.

  • ECLI:NL:TGZRZWO:2025:164 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Zwolle Z2025/8078

    Klacht tegen een verpleegkundige gegrond. Maatregel: schorsing, bijzondere voorwaarden. De verpleegkundige werkte op een gesloten opname-afdeling van een GGZ-instelling. De klacht is ingediend door de werkgever van de verpleegkundige. De verpleegkundige is een affectieve en seksuele relatie met een zeer kwetsbare patiënte aangegaan tijdens haar dienstverband, klacht is gegrond. Het college rekent het de verpleegkundige aan dat zij niet verschenen is in deze procedure en tegenover het college geen (zelf)inzicht heeft getoond in haar handelen. Maar mede gelet op de jonge leeftijd, onervarenheid en gebrek aan werkbegeleiding legt het college een schorsing van negen maanden op, waarvan zes maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar. Aan de schorsing zijn bijzondere voorwaarden verbonden op het gebied van nascholing.

  • ECLI:NL:TGZCTG:2025:221 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag C2025/2558

    Ongegronde klacht tegen een psychiater. De dochter van klaagster is door suïcide overleden. De dochter van klaagster is drie keer opgenomen in een instelling voor mensen met een lichtelijk verstandelijke beperking. De psychiater was tijdens deze opnames betrokken bij de zorg voor de dochter. Klaagster verwijt de psychiater dat hij geen goede en adequate zorg heeft geleverd wat betreft de diagnose, de medicatie en de klachten van haar dochter. Het Regionaal Tuchtcollege heeft de klacht ongegrond verklaard. Het Centraal Tuchtcollege is het eens met deze beslissing en verwerpt het beroep van klaagster.

  • ECLI:NL:TGZCTG:2025:215 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag C2024/2673

    Klagers verbleven in 2012 met hun twee minderjarige dochters in een AZC. Klagers en hun jongste dochter zijn verschillende keren bij de praktijkverpleegkundige van het AZC geweest en eenmaal bij de huisartsenpost. Op twee momenten heeft de praktijkverpleegkundige over het ingezette beleid contact gehad met de huisarts. De dag na het bezoek aan de huisartsenpost is het gezin overgeplaatst naar een detentiecentrum in verband met uitzetting. Nadat het gezin is uitgezet naar bleek zeer kort na aankomst de jongste dochter aan lymfoblastaire leukemie te lijden, waaraan zij in 2014 is overleden. Klagers verwijten de arts dat hij tekort is geschoten in de zorg aan de jongste dochter door onvoldoende onderzoek te hebben verricht, ten onrechte niet doorverwezen te hebben en niet de juiste diagnose gesteld te hebben. Het Regionaal Tuchtcollege heeft de klacht ongegrond verklaard. Het Centraal Tuchtcollege is het eens met deze beslissing en verwerpt het beroep van klagers.

  • ECLI:NL:TGZRSHE:2025:145 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg 's-Hertogenbosch H2024/7297

    Deels gegronde klacht huisarts. Klaagster, haar ex-partner en hun minderjarige dochter waren patiënt bij de huisarts. Klaagster verwijt verweerder dat hij de ex-partner zou hebben geadviseerd een melding te doen bij Veilig Thuis. Klaagster verwijt verweerder dat hij de gestelde zorgsignalen niet heeft getoetst alvorens te melden. Volgens klaagster heeft verweerder de KNMG-Meldcode niet gevolgd. Ook verwijt klaagster verweerder dat hij haar zonder reden zou hebben geadviseerd een andere huisarts te zoeken en dat verweerder ten onrechte heeft gesteld dat zij haar medisch dossier zou hebben gemanipuleerd. Verweerder heeft de dochter doorverwezen voor specialistische hulp zonder toestemming van klaagster. College oordeelt het laatste klachtonderdeel gegrond, de overige klachtonderdelen ongegrond.

  • ECLI:NL:TGZCTG:2025:222 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag C2024/2559

    Klacht tegen een GZ-psycholoog. De dochter van klaagster is door suïcide overleden. De dochter van klaagster is drie keer opgenomen in een instelling voor mensen met een lichtelijk verstandelijke beperking. De GZ-psycholoog was tijdens de laatste opname als hoofdbehandelaar betrokken bij de zorg voor de dochter. Klaagster verwijt de GZ-psycholoog dat zij geen adequate zorg en begeleiding heeft geboden en na het weglopen van haar dochter niet direct alarm heeft geslagen en de politie heeft ingeschakeld. Het Regionaal Tuchtcollege heeft de klacht ongegrond verklaard. Het Centraal Tuchtcollege is het eens met deze beslissing en verwerpt het beroep van klaagster.

  • ECLI:NL:TGZCTG:2025:216 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag C2024/2674

    Klagers verbleven vanaf in 2012 met hun twee minderjarige dochters in een AZC. Klagers en hun jongste dochter zijn verschillende keren bij de praktijkverpleegkundige van het AZC geweest en eenmaal bij de huisartsenpost. De dag na het bezoek aan de huisartsenpost is het gezin overgeplaatst naar een detentiecentrum in verband met uitzetting. De jongste dochter is daar gezien door de arts. Het gezin is drie dagen later uitgezet, waar zeer kort na aankomst bleek dat de jongste dochter aan lymfoblastaire leukemie leed. Zij is in 2014 overleden. Klagers verwijten de arts dat hij tekort is geschoten in de zorg aan de jongste dochter door onvoldoende onderzoek te hebben verricht, ten onrechte niet doorverwezen te hebben en niet de juiste diagnose gesteld te hebben. Het Regionaal Tuchtcollege heeft de klacht ongegrond verklaard. Het Centraal Tuchtcollege is het eens met deze beslissing en verwerpt het beroep van klagers.