ECLI:NL:TGZRZWO:2025:163 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Zwolle Z2025/8558
| ECLI: | ECLI:NL:TGZRZWO:2025:163 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 16-12-2025 |
| Datum publicatie: | 18-12-2025 |
| Zaaknummer(s): | Z2025/8558 |
| Onderwerp: | Grensoverschrijdend gedrag |
| Beslissingen: | Gegrond, waarschuwing |
| Inhoudsindicatie: | Klacht van de IGJ tegen een verpleegkundige gegrond. Maatregel: waarschuwing. De verpleegkundige werkte als begeleider en teamleider bij een instelling. De inspectie verwijt de verpleegkundige dat zij de professionele grenzen, die zij in acht behoort te nemen, heeft overschreden door gedurende de zorgrelatie met een cliënt privécontacten te hebben en direct nadat de zorgrelatie was beëindigd met deze cliënt een vriendschappelijke relatie aan te gaan. Klacht is gegrond. Er kan worden volstaan met een waarschuwing nu de verpleegkundige haar inschrijving in het BIG-register op eigen initiatief heeft laten doorhalen en zij bovendien al disciplinair gestraft is door haar vorige werkgever. |
REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG
ZWOLLE
Beslissing van 16 december 2025 op de klacht van:
Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd,
gevestigd in Utrecht,
vertegenwoordigd door: mr. L. Antonides (senior juridisch adviseur) en mw. E. Blaauboer
(senior inspecteur),
klaagster, hierna ook: de inspectie,
tegen
A,
verpleegkundige,
(destijds) werkzaam in B,
verweerster, hierna: de verpleegkundige.
1. De zaak in het kort
1.1 De verpleegkundige werkte als begeleider en teamleider bij een instelling.
De inspectie ontving in augustus 2023 een melding over mogelijk (seksueel) grensoverschrijdend
gedrag door de verpleegkundige tegenover een cliënt. De inspectie verwijt de verpleegkundige
dat zij de professionele grenzen, die zij in acht behoort te nemen, heeft overschreden
door gedurende de zorgrelatie met een cliënt privécontacten te hebben en direct nadat
de zorgrelatie was beëindigd met deze cliënt een vriendschappelijke relatie aan te
gaan.
1.2 Het college komt tot het oordeel dat de klacht gegrond is en legt de verpleegkundige
de maatregel van een waarschuwing op. Hierna licht het college dat toe.
2. De procedure
2.1 Het college heeft de volgende stukken ontvangen:
- het klaagschrift met de bijlagen, ontvangen op 28 mei 2025;
- het verweerschrift met de bijlagen, ontvangen op 23 juni 2025;
- het proces-verbaal van het op 2 oktober 2025 gehouden mondelinge vooronderzoek.
2.2 De zaak is behandeld op de openbare zitting van 4 november 2025. Partijen
zijn verschenen. Zij hebben hun standpunten mondeling toegelicht. Klaagster heeft
pleitnotities voorgelezen en aan het college en de andere partij overhandigd.
3. De feiten
3.1 In 2015 startte de verpleegkundige bij C (hierna: de
instelling), waar haar broer algemeen directeur was. De verpleegkundige werkte daar als begeleider en teamleider. In het begin werkte de verpleegkundige als zzp’er en daarna op basis van een inleenovereenkomst tussen D en de instelling. Haar werkzaamheden bestonden voornamelijk uit leidinggevende, coördinerende en begeleidende taken.
3.2 Cliënt kwam in juli 2022 bij de instelling wonen. Hij was aangemeld door de afdeling Ambulante Forensische Psychiatrie E van F (hierna: de ambulante behandelinstelling), omdat hij niet in staat was zelfstandig te wonen. Cliënt had een methylfenidaatverslaving (ADHD-medicatie). De ambulante behandelinstelling bleef verantwoordelijk voor het hoofdbehandelaarschap en de instelling bood alleen begeleid wonen. De begeleiding bestond onder meer uit het bieden van dagstructuur en het verstrekken van medicatie aan cliënt. De verpleegkundige was samen met een collega hoofdbegeleider van cliënt.
3.3 Op 17 juni 2023 ging de verpleegkundige samen met cliënt een dag naar G.
Zij liet cliënt nadien bij haar thuis douchen, naar eigen zeggen omdat cliënt een
huidziekte had en hinder ondervond nadat hij in de zoute zee had gezwommen.
3.4 Van 19 juni 2023 tot 21 juni 2023 werd de verpleegkundige op non-actief
gesteld door de instelling. De ambulante behandelinstelling zette het begeleid wonen
bij de instelling vervolgens stop vanwege de verslaving van cliënt. Eind juni 2023
werd de zorg aan cliënt bij de instelling gestaakt. Wel bleef hij onder behandeling
van de ambulante behandelinstelling. Cliënt had op dat moment geen verblijfplaats
en woonde op straat. De moeder van cliënt nam contact op met de verpleegkundige met
de vraag om cliënt te helpen. De verpleegkundige ging hiermee akkoord. Vervolgens
werd cliënt met hulp van de verpleegkundige opgenomen op een gesloten forensische
High Intensive Care afdeling. Verder kwam de verpleegkundige regelmatig bij de ouders
van cliënt thuis, waar hij ook was. Zij belden regelmatig en cliënt nam ook zelf contact
met de verpleegkundige op.
3.5 Op 19 augustus 2023 ontving de inspectie een anonieme melding over de verpleegkundige, dat sprake zou zijn van het aangaan van een (seksuele) relatie met cliënt. De inspectie heeft vervolgens onderzoek gedaan.
3.6 Op 7 september 2023 haalde de verpleegkundige cliënt op in H op verzoek
van zijn ouders. Naar eigen zeggen deed de verpleegkundige dit als vriendin van de
familie in haar vrije tijd.
3.7 De verpleegkundige meldde zich ziek voor haar werk bij de instelling op
11 september 2023. Op 21 september 2023 ontving de verpleegkundige een brief met de mededeling dat de inleenovereenkomst met onmiddellijke ingang was beëindigd. Ook na het beëindigen van de inleenovereenkomst bracht de zorgverlener cliënt af en toe naar de ambulante behandelinstelling om zijn medicatie op te halen.
3.8 De verpleegkundige deed op 19 oktober 2023 een melding bij de politie omdat
zij zich onveilig voelde met cliënt die op dat moment onaangekondigd en onder invloed
in haar woning was. Hij wilde niet meer weg.
3.9 Op 24 juli 2025 heeft de verpleegkundige zich uitgeschreven uit het BIG-register.
4. De klacht en de reactie van de verpleegkundige
4.1 Klaagster verwijt de verpleegkundige dat zij de professionele grenzen, die
zij in acht behoort te nemen, heeft overschreden door gedurende de zorgrelatie met
cliënt privécontact te hebben en direct nadat de zorgrelatie was geëindigd, met deze
cliënt een vriendschappelijke relatie aan te gaan. Er is geen afkoelingsperiode in
acht genomen. Klaagster meent dat de voor verpleegkundigen toepasselijke beroepscode,
de Nationale Beroepscode voor Verpleegkundigen en Verzorgenden en haar eigen brochure
“Het mag niet, het mag nooit”, helder zijn over het bewaken van professionele grenzen
en het niet-onderhouden van privécontacten met cliënten en patiënten. De inspectie
verzoekt ook het college rekening te houden met:
- onvoldoende zelfinzicht en reflectief vermogen bij de verpleegkundige; en
- het niet treffen van passende maatregelen.
4.2 De verpleegkundige erkent dat zij de afkoelingsperiode niet in acht heeft genomen, maar haar intentie was om cliënt te helpen. Volgens de verpleegkundige zou cliënt op straat zijn komen te staan, als zij niet was ingegaan op het verzoek van de ouders om voor hem adequate hulp te vinden. Binnen de instelling was dit bovendien de geldende cultuur. Zij heeft geen verpleegkundige handelingen uitgevoerd, maar was enkel begeleider en teamleider. Bij de behandeling ter zitting heeft zij aangegeven dat zij wel wist dat er een afkoelingsperiode in acht moest worden genomen. Zij geeft aan dat zij - zoals voor haar gebruikelijk is - vol voor het belang van de cliënt is gegaan en dat cliënt daar baat bij had. Zij heeft cliënt geen schade berokkend.
4.3 Het college gaat hieronder verder in op de standpunten van partijen.
5. De overwegingen van het college
De criteria voor de beoordeling
5.1 De vraag is of de verpleegkundige de zorg heeft verleend die van haar verwacht mocht worden. De norm daarvoor is een redelijk bekwame en redelijk handelende verpleegkundige. Bij de beoordeling wordt rekening gehouden met de voor de zorgverlener geldende beroepsnormen en andere professionele standaarden. Hoewel de verpleegkundige nu niet meer staat ingeschreven in het BIG-register, blijft zij voor haar handelen in de periode dat zij wel was ingeschreven onderworpen aan het tuchtrecht (art. 47 lid 4 van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg). Het beoordelingskader
5.2 Binnen een behandelrelatie bevindt de patiënt zich in een afhankelijke positie ten opzichte van de zorgverlener. Het is aan de zorgverlener om de grenzen van de behandelrelatie te bewaken. Dit uitgangspunt vloeit voort uit artikel 7:453 Burgerlijk Wetboek (goed hulpverlenerschap).
5.3 Voor verpleegkundigen is deze norm verder uitgewerkt in de Nederlandse Beroepscode
van Verpleegkundigen en Verzorgenden. In paragraaf 2.4 van deze code staat:
"Als verpleegkundige/verzorgende neem ik in mijn relatie met de zorgvrager (en/of
zijn vertegenwoordiger) professionele grenzen in acht. Dat betekent onder andere dat
ik
• geen misbruik maak van de afhankelijke positie van de zorgvrager
• geen intieme en/of seksuele relatie aanga met de zorgvrager
• mij niet schuldig maak aan intimidatie of geweld
• geen gift in natura, geld of geschenk van de zorgvrager of diens sociale netwerk
accepteer dat meer is dan een symbolisch gebaar van dank • geen financiële banden
van welke aard dan ook aanga met de zorgvrager
• aan de zorgvrager mijn eigen grenzen duidelijk maak
• mijn collega’s of leidinggevende om hulp vraag als ik merk dat de professionele
grenzen dreigen te vervagen of overschreden dreigen te worden."
De beoordeling door het college
5.4 Het college merkt op dat zowel de Gedragscode Jongerenzorg als de Gedragscode
D, die in deze zaak beide van toepassing zijn, duidelijk maken dat privécontacten
met cliënten niet zijn toegestaan (klaagschrift bijlage 9, pagina 1). Ook de Nationale
Beroepscode voor Verpleegkundigen en Verzorgenden schrijft voor dat de professionele
grenzen in acht worden genomen en dat een verpleegkundige collegiale hulp vraagt indien
de professionele grenzen dreigen te vervagen. De ratio van deze codes is onder andere
dat in een zorg-/cliëntrelatie altijd het gevaar op de loer ligt van onder andere
ongelijke verhoudingen. Ook kan de professionele dienstverlening negatief worden beïnvloed.
De regels dienen ook tot bescherming van de zorgverlener zelf.
5.5 De verpleegkundige heeft bij de behandeling van de zaak ter zitting uitgelegd dat zij vol is gegaan voor het belang van cliënt en dat deze er baat bij heeft gehad. Het gaat nu goed met hem. De verpleegkundige geeft aan dat zij altijd het belang van een cliënt voorop stelt en minder bezig is met de gedragsregels. Zo heeft zij inderdaad geen afkoelingsperiode gehanteerd. Zij realiseert zich dat haar manier van werken niet meer in deze tijd past. Daarom heeft zij ervoor gekozen haar BIG-registratie door te halen. Ze benadrukt dat zij cliënt geen schade heeft toegebracht, integendeel. Van een seksuele relatie was geen sprake. Wat betreft het uitstapje naar G geeft zij aan dat zij dit vooraf met de manager heeft besproken. Dit was inderdaad in eigen privétijd. Het bij haar thuis douchen kon niet anders, omdat cliënt veel last had van het zeezout op zijn huid en in nood zat.
5.6 Het college is van oordeel dat de verpleegkundige haar professionele grenzen tegenover cliënt onvoldoende heeft bewaakt door vriendschappelijke betrekkingen met cliënt aan te gaan. Daarmee is de klacht gegrond. Het college onderschrijft dat er geen reden is om aan te nemen dat er ook sprake was van een seksuele relatie. Het college is er verder van overtuigd geraakt dat de verpleegkundige goede intenties had en zich behulpzaam heeft willen opstellen naar cliënt en zijn familie toe. Het college merkt ook op dat die houding alleen niet voldoende is. Een BIG-geregistreerde zorgverlener dient de beroepscodes in acht te nemen ter bescherming van cliënt, maar ook van zichzelf en collega’s. Dat het, naar de verpleegkundige zegt, goed is afgelopen en cliënt geen schade heeft berokkend, is iets wat naar het oordeel van het college een oordeel achteraf is en bovendien moeilijk objectief kan worden vastgesteld. Het is daarom belangrijk dat de verpleegkundige, voor zover een cliënt wordt begeleid buiten de woonvorm waar het in deze zaak over gaat, dat eerst bespreekt op de werkvloer, waarborgen treft om de professionele afstand en grenzen te bewaken en dat op zorgvuldige wijze documenteert, zodat daar geen enkele verwarring over kan ontstaan.
5.7 Uit de overwegingen hiervoor volgt dat de klacht gegrond is.
Maatregel
5.8 Nu de klacht gegrond is, staat het college voor de vraag welke maatregel
passend is. Dat de verpleegkundige zich heeft uitgeschreven uit het BIG-register belet
het college niet om een maatregel op te (kunnen) leggen. De verpleegkundige heeft
op eigen kompas gekoerst en de regel dat zij geen vriendschappelijke relaties met
een cliënt mag aangaan genegeerd, omdat zij meende dat dit geen kwaad kon. Zij heeft
daarmee over het hoofd gezien dat het in acht nemen van professionele grenzen belangrijk
is voor de bescherming van cliënten en patiënten, maar ook van zorgverleners zelf.
Dat dit in dit geval niet schadelijk voor cliënt lijkt te zijn geweest, doet daaraan
niet af. Het college overweegt dat een berisping op zijn plaats zou zijn. Nu de verpleegkundige
echter haar inschrijving in het BIG-register op eigen initiatief heeft laten doorhalen
en zij bovendien al disciplinair gestraft is door haar vorige werkgever, volstaat
het college met een waarschuwing.
Publicatie
5.9 In het algemeen belang zal deze beslissing worden gepubliceerd. Dit algemeen
belang is erin gelegen dat de norm om geen vriendschappelijke relaties met patiënten
en cliënten aan te gaan, nog eens onderstreept wordt. De publicatie zal plaatsvinden
zonder vermelding van namen of andere tot personen of instanties herleidbare gegevens.
6. De beslissing
Het college:
- verklaart de klacht gegrond;
- legt de verpleegkundige de maatregel op van een waarschuwing;
- bepaalt dat deze beslissing, nadat die onherroepelijk is geworden, zonder vermelding van namen of andere herleidbare gegevens in de Nederlandse Staatscourant zal worden bekendgemaakt en ter publicatie zal worden aangeboden aan de tijdschriften Tijdschrift voor Gezondheidsrecht, Gezondheidszorg Jurisprudentie, Medisch Contact en V&VN Magazine.
Deze beslissing is gegeven door P.A.H. Lemaire, voorzitter, J.R. Hurenkamp, lid-jurist,
G.C. van der Weerd, S. Geul en R. Broeren-Woudstra, leden-beroepsgenoten, bijgestaan
door M.C. Sijtsema, secretaris, en in het openbaar uitgesproken op 16 december 2025.
secretaris
voorzitter
Tegen deze beslissing kan in de volgende gevallen schriftelijk beroep worden ingesteld bij het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg:
- Heeft u de klacht ingediend? Dan kunt u in beroep als
- het college u of uw klacht geheel of gedeeltelijk niet-ontvankelijk heeft verklaard, of
- als de klacht geheel of gedeeltelijk ongegrond is verklaard,
- het college kennelijk onbevoegd is, of
- voor zover de klacht kennelijk van onvoldoende gewicht is.
Bij een gedeeltelijke niet-ontvankelijkverklaring of een gedeeltelijke ongegrondverklaring kan uw beroep alleen betrekking hebben op dat deel van de beslissing.
- Is de klacht tegen u gericht? Dan kunt u altijd in beroep.
- Ook de inspecteur van de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd kan beroep instellen.
U moet het beroepschrift richten aan het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg,
maar opsturen naar de secretaris van het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg
te Zwolle. Daar moet het zijn ontvangen binnen zes weken nadat de beslissing aan u
is verstuurd.
Als u beroep instelt, moet u € 50,- griffierecht betalen aan het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg. U ontvangt hierover bericht. Als u geheel of gedeeltelijk in het gelijk wordt gesteld, wordt het griffierecht aan u terugbetaald.