ECLI:NL:TGZRZWO:2025:164 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Zwolle Z2025/8078
| ECLI: | ECLI:NL:TGZRZWO:2025:164 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 16-12-2025 |
| Datum publicatie: | 18-12-2025 |
| Zaaknummer(s): | Z2025/8078 |
| Onderwerp: | Grensoverschrijdend gedrag |
| Beslissingen: | Gegrond, (voorwaardelijke) schorsing inschrijving register |
| Inhoudsindicatie: | Klacht tegen een verpleegkundige gegrond. Maatregel: schorsing, bijzondere voorwaarden. De verpleegkundige werkte op een gesloten opname-afdeling van een GGZ-instelling. De klacht is ingediend door de werkgever van de verpleegkundige. De verpleegkundige is een affectieve en seksuele relatie met een zeer kwetsbare patiënte aangegaan tijdens haar dienstverband, klacht is gegrond. Het college rekent het de verpleegkundige aan dat zij niet verschenen is in deze procedure en tegenover het college geen (zelf)inzicht heeft getoond in haar handelen. Maar mede gelet op de jonge leeftijd, onervarenheid en gebrek aan werkbegeleiding legt het college een schorsing van negen maanden op, waarvan zes maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar. Aan de schorsing zijn bijzondere voorwaarden verbonden op het gebied van nascholing. |
REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG
ZWOLLE
Beslissing van 16 december 2025 op de klacht van:
A,
gevestigd in B,
klaagster,
gemachtigde: C, werkzaam in B,
tegen
D,
verpleegkundige,
destijds werkzaam in E,
verweerster, hierna: de verpleegkundige.
1. De zaak in het kort
1.1 De verpleegkundige werkte op een gesloten opname-afdeling van een GGZ-instelling
(hierna: de kliniek). De klacht is ingediend door de werkgever van de verpleegkundige
en gaat over het aangaan van een affectieve en seksuele relatie met een patiënte tijdens
dit dienstverband.
1.2 Het college komt tot het oordeel dat de klacht gegrond is en legt de verpleegkundige
een schorsing van negen maanden op, waarvan zes maanden voorwaardelijk met een proeftijd
van twee jaar. Aan de schorsing zijn bijzondere voorwaarden verbonden. Hierna vermeldt
het college eerst hoe de procedure is verlopen. Daarna licht het college de beslissing
toe.
2. De procedure
2.1 Het college heeft de volgende stukken ontvangen:
- het klaagschrift met de bijlagen, ontvangen op 24 januari 2025;
- de brief van (de gemachtigde van) klaagster van 15 oktober 2025, ontvangen op
16 oktober 2025, met als bijlage het calamiteitenverslag.
2.2 De partijen hebben de gelegenheid gekregen om onder leiding van een secretaris
van het college met elkaar in gesprek te gaan (mondeling vooronderzoek). Daarvan hebben
zij geen gebruik gemaakt.
2.3 De zaak is behandeld op de openbare zitting van 4 november 2025. Namens klaagster
waren F (teammanager) en gemachtigde C aanwezig. Verweerster was afwezig zonder bericht
van verhindering. Namens klaagster zijn de standpunten mondeling toegelicht. De gemachtigde
van klaagster heeft pleitnotities voorgelezen en aan het college overhandigd.
3. De feiten
3.1 De verpleegkundige werkte vanaf half maart 2024, nadat zij net was afgestudeerd
als verpleegkundige, op de gesloten afdeling van de kliniek waar patiënten met zeer
complexe problematiek worden behandeld op basis van een zorgmachtiging. De patiënte
was op deze afdeling opgenomen van april tot en met eind juli 2024 wegens een stoornis
in polymiddelengebruik, borderline persoonlijkheidsstoornis en ADD. Zij heeft een
voorgeschiedenis van onder andere zeer gebrekkige emotieregulatie en grensoverschrijdend
seksueel en agressief gedrag.
3.2 Eind juli 2024 kwam aan het licht dat patiënte zich aan haar behandeling had
onttrokken en in die periode een week bij de verpleegkundige in huis verbleef. Klaagster
verrichtte via een incidentenonderzoekscommissie een intern onderzoek naar de situatie
en het handelen van de verpleegkundige, dat is vastgelegd in het calamiteitenverslag
van4 november 2024. Tijdens dit onderzoek werden verschillende gesprekken gevoerd
met de verpleegkundige (op 23 september en 25 september 2024) en met de betrokken
patiënte (op 13 augustus 2024).
3.3 De verpleegkundige en patiënte spraken voor het eerst half mei 2024 af buiten de kliniek tijdens het verlof van patiënte. Zij zagen elkaar ook bij de verpleegkundige thuis. In die tijd ontstond ook het seksuele en intieme contact. De verpleegkundige voelde zich onder druk gezet door patiënte. De toestand van patiënte verslechterde. Nadat zij zich op 19 mei 2024 aan haar behandeling had onttrokken en alcohol had gebruikt, werden haar vrijheden gedurende een maand ingetrokken. De verpleegkundige en patiënte onderhielden contact via de telefoon en Instagram.
3.4 Eind juni ging patiënte met weekendverlof. De verpleegkundige en patiënte
zagen elkaar na de dienst van de verpleegkundige. Patiënte keerde op 30 juni 2024
niet terug naar de kliniek en had wederom een terugval. Op 22 juli 2024 hadden de
verpleegkundige en patiënte met elkaar afgesproken in het huis van de moeder van de
verpleegkundige. Patiënte was weggelopen tijdens begeleide vrijheden. Op 24 juli 2024
meldde de verpleegkundige zich ziek op haar werk. Hierna escaleerde de situatie tussen
de verpleegkundige en patiënte. Patiënte gaf bij de kliniek aan al de hele week bij
de verpleegkundige te verblijven en een relatie met haar te hebben. Ook werd de politie
ingeschakeld. Begin augustus 2024 werd patiënte overgeplaatst.
3.5 De verpleegkundige had een tijdelijke aanstelling tot en met 13 maart 2025.
Klaagster besloot wegens de gebeurtenissen de arbeidsovereenkomst niet voort te zetten. De verpleegkundige is ziek uit dienst getreden. Op 7 januari 2025 deed klaagster een melding ‘Geweld in de zorgrelatie’ bij de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ).
4. De klacht en de reactie van de verpleegkundige
4.1 Klaagster verwijt de verpleegkundige dat zij ten opzichte van een aan haar zorg toevertrouwde patiënte de grenzen van een professionele relatie heeft geschonden door in de periode van eind april 2024 tot en met eind juli 2024 in het geheim een intieme en seksuele relatie aan te gaan met patiënte.
4.2 De reactie van de verpleegkundige is onbekend, omdat zij geen verweer heeft gevoerd.
4.3 Het college gaat hieronder verder in op de standpunten van partijen.
5. De overwegingen van het college
De criteria voor de beoordeling
5.1 De vraag is of de verpleegkundige de zorg heeft verleend die van haar verwacht mocht worden. De norm daarvoor is een redelijk bekwame en redelijk handelende verpleegkundige. Bij de beoordeling wordt rekening gehouden met de voor de zorgverlener geldende beroepsnormen en andere professionele standaarden. Het beoordelingskader
5.2 Binnen een behandelrelatie bevindt de patiënt zich in een afhankelijke positie ten opzichte van de zorgverlener. Daarom mag van een intieme relatie tussen beiden geen sprake zijn. Het is aan de zorgverlener om de grenzen van de behandelrelatie te bewaken. Dit uitgangspunt vloeit voort uit artikel 7:453 Burgerlijk Wetboek (goed hulpverlenerschap).
5.3 Voor verpleegkundigen is deze norm verder uitgewerkt in de Nederlandse Beroepscode
van Verpleegkundigen en Verzorgenden. In paragraaf 2.4 van deze code staat:
"Als verpleegkundige/verzorgende neem ik in mijn relatie met de zorgvrager (en/of
zijn vertegenwoordiger) professionele grenzen in acht. Dat betekent onder andere dat
ik
• geen misbruik maak van de afhankelijke positie van de zorgvrager
• geen intieme en/of seksuele relatie aanga met de zorgvrager
• mij niet schuldig maak aan intimidatie of geweld
• geen gift in natura, geld of geschenk van de zorgvrager of diens sociale netwerk
accepteer dat meer is dan een symbolisch gebaar van dank • geen financiële banden
van welke aard dan ook aanga met de zorgvrager
• aan de zorgvrager mijn eigen grenzen duidelijk maak
• mijn collega’s of leidinggevende om hulp vraag als ik merk dat de professionele
grenzen dreigen te vervagen of overschreden dreigen te worden."
5.4 Daarnaast waren ten tijde van de behandelrelatie toepasselijke beroepsnormen opgenomen in de brochure van de inspectie “Het mag niet, het mag nooit: seksueel grensoverschrijdend gedrag in de gezondheidszorg” uit 2016 en aangepast in februari 2023.
Beoordeling van het verweten handelen
5.5 Het college is van oordeel dat de klacht gegrond is. De verpleegkundige heeft gehandeld in strijd met de beroepsnormen en daarmee ook in strijd met de zorg die zij ingevolge artikel 47 lid 1 van de Wet BIG had behoren te betrachten. Het college benadrukt dat de reden dat het aangaan van een seksuele en intieme relatie door een (professionele) zorgverlener met een patiënt niet is toegestaan, is dat bij een dergelijke relatie sprake is van een ongelijkwaardige verhouding waarin de patiënt zich in een afhankelijke, kwetsbare positie bevindt. Met haar handelen heeft de verpleegkundige de behandelrelatie van patiënte ernstig geschaad en heeft zij de professionele grenzen overschreden. Uit het calamiteitenverslag volgt dat de verpleegkundige heeft erkend dat zij een grensoverschrijdende relatie is aangegaan met patiënte. Zij heeft daarmee misbruik gemaakt van haar positie als hulpverlener tegenover een patiënte die in psychiatrisch opzicht zeer kwetsbaar was en die aan haar zorg was toevertrouwd. Bovendien heeft de verpleegkundige pas openheid van zaken gegeven nadat patiënte de relatie bekendmaakte.
Slotsom
5.6 Uit de overwegingen hiervoor volgt dat de klacht gegrond is.
Maatregel
5.7 Nu de klacht gegrond is moet het college oordelen welke maatregel gelet
op de aard en de ernst van het handelen naar verwachting voldoende effect zal hebben
om herhaling te voorkomen. Voor de veiligheid en het welzijn van patiënten is het
noodzakelijk dat een zorgverlener de professionele grenzen van de beroepsgroep respecteert
en in acht neemt. De ernst van de verweten gedragingen rechtvaardigt als uitgangspunt
een maatregel die een beroepsbeperking meebrengt, zoals een (al dan niet voorwaardelijke)
schorsing.
5.8 Het college bepaalt dat inschrijving van de verpleegkundige in het BIG-register
wordt geschorst voor de duur van negen maanden, waarvan zes maanden voorwaardelijk
met een proeftijd van twee jaar. De bevoegdheid om de aan de inschrijving verbonden
bevoegdheden uit te oefenen wordt dus geschorst voor de duur van drie maanden. De
overige zes maanden van de schorsing worden niet uitgevoerd, onder de voorwaarde dat
de verpleegkundige zich binnen een periode van twee jaren niet opnieuw schuldig zal
maken aan een tuchtrechtelijk verwijtbare gedraging. Ook geldt als bijzondere voorwaarde
dat zij nascholing gaat volgen op het terrein van professionele grenzen door ten minste
twee cursussen/trainingen bij een erkende zorgopleider. Deze cursussen/trainingen
dienen gericht te zijn op:
a) bewustwording van het thema afstand en nabijheid; het overschrijden van de persoonlijke
en professionele grenzen binnen of vlak na een behandelrelatie en het herkennen van
signalen die mogelijk leiden tot overschrijding van de professionele grenzen; en
b) mentale weerbaarheid als zorgverlener.
5.9 Voor het college weegt enerzijds als verzwarend mee dat bij klaagster bekend was dat het een patiënte betrof die niet lang voor haar overplaatsing naar de kliniek ook een relatie met een andere zorgverlener had gehad. Dat de verpleegkundige tijdens het calimiteitenonderzoek heeft gezegd dat zij geen weerstand kon bieden aan patiënte, vindt het college daarom niet zwaarwegend, mede gezien de lange periode waarin het seksuele en intieme contact herhaaldelijk heeft plaatsgevonden. Bovendien heeft de verpleegkundige de patiënte thuis en bij haar familie ontvangen en onderdak geboden, ondanks dat patiënte met een zorgmachtiging diende te verblijven in de kliniek. De verpleegkundige heeft het verblijf van patiënte bij haar thuis in eerste instantie bewust verzwegen voor haar werkgever. Daarnaast rekent het college de verpleegkundige aan dat zij niet verschenen is in deze procedure en tegenover het college geen (zelf)inzicht heeft getoond in haar handelen.
5.10 Voor het college weegt anderzijds als verzachtend mee de bijzondere werkomstandigheden van de verpleegkundige, namelijk haar jonge leeftijd en dat zij als kort daarvoor afgestudeerde verpleegkundige zonder relevante werkervaring op een afdeling voor patiënten met complexe problematiek is gaan werken. Ook ontbrak het aan de nodige begeleiding vanuit de kliniek voor de verpleegkundige, mede gezien het zeer beperkte wervings- en selectieproces voor de relatief zware functie waarmee zij haar loopbaan is begonnen. Zo was er pas zes maanden na de maand proeftijd van de verpleegkundige weer aandacht voor haar ontwikkeling en functioneren, waartussen het handelen in deze zaak heeft plaatsgevonden.
5.11 Dit alles in aanmerking genomen en het feit dat de verpleegkundige nog aan
de start van haar carrière staat en er naar verwachting bij haar ruimte voor verbetering
en het ontwikkelen van inzicht zal bestaan, wil het college haar nog perspectief in
haar vakgebied bieden door de maatregel van (voorwaardelijke) schorsing met bijzondere
voorwaarden op te leggen.
Publicatie
5.12 In het algemeen belang zal deze beslissing worden gepubliceerd. Dit algemeen
belang is erin gelegen dat andere zorgverleners en zorginstellingen mogelijk iets
van deze zaak kunnen leren. De publicatie zal plaatsvinden zonder vermelding van namen
of andere tot personen of instanties herleidbare gegevens.
6. De beslissing
Het college:
- verklaart de klacht gegrond;
- schorst de bevoegdheid van verweerster om de aan de inschrijving verbonden bevoegdheden uit te oefenen voor de duur van negen maanden;
- beveelt dat een gedeelte van zes maanden van deze maatregel niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij het bevoegde regionale tuchtcollege later anders mocht bepalen, omdat de verpleegkundige voor het einde van een proeftijd van twee jaren:
a) zich schuldig heeft gemaakt aan enig handelen of nalaten dat in strijd is met de goede zorg die zij als verpleegkundige behoort te betrachten, of in strijd is met hetgeen een behoorlijk beroepsbeoefenaar betaamt; en/of
b) zich niet heeft gehouden aan de navolgende bijzondere voorwaarde:
- de verpleegkundige volgt en rondt binnen zes maanden nadat deze beslissing onherroepelijk is geworden af, een cursus/training over het thema afstand en nabijheid in de zorg evenals een cursus/training over mentale weerbaarheid als zorgverlener. Als deze twee cursussen niet binnen zes maanden na het onherroepelijk worden van deze beslissing kan/kunnen zijn gevolgd en afgerond wegens haar huidige arbeidsongeschiktheid, dan geldt dat de verpleegkundige binnen zes maanden nadat zij weer arbeidsgeschikt is deze cursussen/trainingen zal moeten afronden. De verpleegkundige informeert de IGJ uit eigen beweging binnen de genoemde termijn van zes maanden over de nakoming van deze voorwaarde door overlegging van bewijzen van deelname en certificaten, of dat deze nakoming niet lukt door haar arbeidsongeschiktheid, voorzien van bewijsstukken, waarbij zij de IGJ onverwijld informeert zodra zij weer arbeidsgeschikt is en alsnog binnen de termijn van zes maanden aan deze verplichting kan voldoen;
- draagt de IGJ op toezicht te houden op de voorwaarden onder a) en b);
- bepaalt dat de proeftijd uitsluitend loopt gedurende de periode dat de verpleegkundige
in het register is ingeschreven en bevoegd is de daaraan verbonden bevoegdheden
uit
te oefenen;
- bepaalt dat deze beslissing, nadat die onherroepelijk is geworden, zonder vermelding
van namen of andere herleidbare gegevens in de Nederlandse Staatscourant zal worden
bekendgemaakt en ter publicatie zal worden aangeboden aan het Tijdschrift voor Gezondheidsrecht,
Gezondheidszorg Jurisprudentie, Medisch Contact, V&VN Magazine en Nurse Academy GGZ.
Deze beslissing is gegeven door P.A.H. Lemaire, voorzitter, J.R. Hurenkamp, lid-jurist,
G.C. van der Weerd, S. Geul en R. Broeren-Woudstra, leden-beroepsgenoten, bijgestaan door M.C. Sijtsema, secretaris, en in het openbaar uitgesproken op 16 december 2025.
secretaris
voorzitter
Tegen deze beslissing kan in de volgende gevallen schriftelijk beroep worden ingesteld bij het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg:
- Heeft u de klacht ingediend? Dan kunt u in beroep als
- het college u of uw klacht geheel of gedeeltelijk niet-ontvankelijk heeft verklaard, of
- als de klacht geheel of gedeeltelijk ongegrond is verklaard,
- het college kennelijk onbevoegd is, of
- voor zover de klacht kennelijk van onvoldoende gewicht is.
Bij een gedeeltelijke niet-ontvankelijkverklaring of een gedeeltelijke ongegrondverklaring kan uw beroep alleen betrekking hebben op dat deel van de beslissing.
- Is de klacht tegen u gericht? Dan kunt u altijd in beroep.
- Ook de inspecteur van de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd kan beroep instellen.
U moet het beroepschrift richten aan het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg,
maar opsturen naar de secretaris van het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg
te Zwolle. Daar moet het zijn ontvangen binnen zes weken nadat de beslissing aan u
is verstuurd.
Als u beroep instelt, moet u € 50,- griffierecht betalen aan het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg. U ontvangt hierover bericht. Als u geheel of gedeeltelijk in het gelijk wordt gesteld, wordt het griffierecht aan u terugbetaald.