Zoekresultaten 34921-34930 van de 48274 resultaten

  • ECLI:NL:TADRARL:2013:14 Raad van Discipline Arnhem-Leeuwarden 176/12

    Een advocaat dient zijn cliënt geregeld te informeren over de stand van zaken en vragen te beantwoorden. Ook als een advocaat niet langer wenst op te treden voor een cliënt, is hij verantwoordelijk voor de gang van zaken tot het moment van beëindiging. Bij overdracht van een zaak aan een andere advocat kan een advocaat niet volstaan met het toesturen van het dossier, maar dient te attenderen op belangrijke stukken, die in verband met het verstrijken van een termijn van belang kunnen zijn.

  • ECLI:NL:TADRARL:2013:9 Raad van Discipline Arnhem-Leeuwarden 146/12

    De advocaat van de wederpartij mag in beginsel afgaan op de informatie die zijn/haar cliënt hem verstrekt zonder gehouden te zijn deze op de juistheid ervan te controleren. De beklaagde advocaat had in casu wel moeten onderzoeken of verstrekte informatie juist was. Op grond van schriftelijke stukken was er aanleiding tot een dergelijk onderzoek.Verzet gegrond, klacht ongegrond.

  • ECLI:NL:TGDKG:2014:37 kamer voor gerechtsdeurwaarders Amsterdam GDW295.2012

    Tussenbeslissing: De beroepsorganisatie verwijt twee van haar leden buitensporig hoge executiekosten aan schuldenaren te berekenen en buitenproportionele ambtshandelingen te verrichten. De beroepsorganisatie vermoed dat door deze leden een bestendig kantoorbeleid wordt gevoerd dat erop is gericht hoge executiekosten te maken. De Kamer is van oordeel dat gelet op de omstandigheden en stellingen en de ter zitting hierop gegeven nadere toelichting dat een nader onderzoek is aangewezen naar de vraag of het door de beroepsorganisatie geuite vermoeden juist is. Het Bureau Financieel Toezicht (BFT) wordt met het onderzoek belast. (zie verder: ECLI:NL:RBAMS:2013:YB0924). Eindbeslissing: Uit het door het BFT opgemaakte rapport van bevindingen blijkt dat de gerechtsdeurwaarders in een groot aantal dossiers kosten in rekening hebben gebracht waarvoor de wet geen ruimte biedt. Verder blijkt uit het rapport dat het combineren van overbetekeningen bij de gerechtsdeurwaarders niet gebruikelijk was, althans dat de kosten van de overbetekeningen niet in alle gevallen werden beperkt tot de kosten van één overbetekening. Ook heeft in een groot aantal zaken geen overbetekening plaatsgevonden. De door de gerechtsdeurwaarders daarvoor gegeven verklaring acht de Kamer onvoldoende. Dat er over een langere periode meerdere beslagen worden gelegd is op zich niet laakbaar. Uit de bevindingen van het BFT blijkt echter dat door de gerechtsdeurwaarders in 2010 en 2011 structureel (vrijwel gelijktijdig) beslag is gelegd onder 2 banken tegelijk. Na dit in eerste instantie te hebben ontkend, zijn de gerechtsdeurwaarders ter zitting van 18 december 2012 terug gekomen op het eerder ingenomen standpunt en hebben zij dit erkend. De Kamer is van oordeel dat het standaard beslag leggen onder twee banken tegelijk gedurende een langere periode onjuist is en tuchtrechtelijk laakbaar. De hoeveelheid en de periode waarin de beslagen werden gelegd, maakt dat het tot het bedrijfsbeleid kan worden gerekend om dit te doen. Dat er kosten zijn gecrediteerd doet hieraan niet af. Immers creditering ten behoeve van schuldenaren (die uiteindelijk de rekening hebben betaald) is gesteld noch gebleken. De Kamer komt tot het oordeel dat het handelen van de gerechtsdeurwaarders tuchtrechtelijk laakbaar is. Gelet op de aard (blijkens het rapport op structurele wijze in duizenden zaken meerdere beslagen leggen) en de ernst van dit handelen, acht het de Kamer in dit geval het opleggen van een schorsing een passende maatregel. De Kamer heeft daarbij mede in aanmerking genomen dat er ontruimingskosten in rekening worden gebracht waar tegenover een tarief noch (wettelijke) legitimatie bestaat. De gerechtsdeurwaarders doen hier ernstige afbreuk aan het vertrouwen dat door het publiek in de gerechtsdeurwaarder als bekleder van een openbaar ambt wordt gesteld. Schorsing van drie maanden opgelegd aan beide gerechtsdeurwaarders

  • ECLI:NL:TACAKN:2014:24 Accountantskamer Zwolle 13/2415 Wtra AK

    Klachten over handelen/nalaten accountant van een voormalige cliënt die wordt verdacht van BTW-fraude. De eisen van een behoorlijke tuchtprocedure houden in dat voor de tuchtrechter en voor de accountant tegen wie de klacht is gericht, boven iedere twijfel is verheven op welke (voormalige) cliënt van de accountant de klager het oog heeft en in samenhang daarmee op welk handelen of nalaten van die accountant. In deze zaak is aan deze eis niet voldaan doordat in de stukken uit privacyoverwegingen alleen de eerste letter van de naam van de voormalige cliënt zichtbaar is. Betrokkene heeft ter zitting een naam genoemd die strookt met wat er zichtbaar is van de naam in de stukken. Ook dat is niet voldoende doordat klager niet heeft bevestigd dat het om de persoon gaat die betrokkene heeft genoemd. De privacy van de cliënt is afdoende gewaarborgd doordat de voorzitter en de leden van de Ack gehouden zijn tot geheimhouding en doordat bepaald kan worden dat de zitting met gesloten deuren plaatsvindt. Klager krijgt de gelegenheid alsnog uitsluitsel te verschaffen over de identiteit van de voormalige cliënt. Uit het bepaalde in artikel 6 EVRM vloeit niet voort dat in een procedure voor de tuchtrechter op grond van de Wtra tot de bij het klaagschrift over te leggen stukken als bedoeld in artikel 22, derde lid, van de Wtra, in alle gevallen alle of een aantal van de stukken van de strafzaak tegen de voormalige cliënt van betrokkene moeten worden gerekend. Tot de stukken in de zin van artikel 22, derde lid, van de Wtra, behoren de stukken die voor de tuchtrechter van belang kunnen zijn om tot een uitspraak te komen en de stukken waarmee het aan de klacht ten grondslag liggende handelen of nalaten en de strijdigheid van dit handelen of nalaten met de beroeps- en/of gedragsregels die de klager geschonden acht, aannemelijk worden gemaakt. Een verzoek van de accountant tegen wie de klacht is gericht om een bepaald stuk alsnog in het geding te laten brengen, moet als regel worden gemotiveerd en zal mede in het licht van het voorgaande worden beoordeeld. Daarbij wordt in het aanmerking genomen dat de accountant veelal aanknopingspunten voor de onderbouwing van zijn verweer kan ontlenen aan het dossier van de cliënt waarover hij of zijn kantoor beschikt. Gelet op het vorenstaande is er geen grond om klager te verzoeken “de onderliggende stukken uit het strafdossier” over te leggen. Het ontbreken van die stukken leidt niet tot niet-ontvankelijkheid van klager of de klacht. Met het oog op het oordeel over de ontvankelijkheid van de klacht in het licht van de driejaarstermijn wenst de Ack wel nader te worden geïnformeerd over het tijdstip waarop klager kennis droeg van de gegevens waarop het vermoeden van artikel 22, eerste lid, van de Wtra, kan worden gefundeerd.

  • ECLI:NL:TGZRZWO:2014:32 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Zwolle 095/2013

    klacht tegen neurochirurg. Klager verwijt verweerder dat hij hem aan zijn lot heeft overgelaten toen de operatie in zijn kliniek niet mogelijk bleek. Klacht ongegrond.

  • ECLI:NL:TGZRZWO:2014:33 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Zwolle 298/2012

    Klaagster was onder behandeling bij de oogarts vanwege seniele maculadegeneratie. De klacht betreft onvoldoende onderzoek ( fluorescentie angiografie, FAG) en informatie. Klacht gedeeltelijk gegrond.

  • ECLI:NL:TGZRZWO:2014:34 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Zwolle 145/2013

    Klacht van IGZ tegen verpleegkundige vanwege grensoverschrijdend gedrag. Klacht gegrond. In het kader van de op te leggen maatregel dient meegewogen te worden dat verweerster door het verlies van haar werk niet alleen bij klaagster, maar binnen de zorg in brede zin, al zwaar gestraft is. Zij heeft haar baan bij klaagster door ontslag op staande voet als ook haar nieuwe baan verloren en heeft zelfs haar baan in de Thuiszorg, op advies van de IGZ, opgezegd. Hoezeer de kans op recidive door het college nooit met zekerheid kan worden uitgesloten, zijn er geen dan wel onvoldoende aanwijzingen om een gerede kans op recidive aan te nemen. De enkele omstandigheid dat verweerster, ondanks uitgebreide regelgeving en aandacht die door klaagster, ook specifiek binnen de afdeling psychiatrie aan deze problematiek werd gegeven, toch de fout is ingegaan, zoals door klaagster gesteld, is daartoe niet voldoende. Andere aanwijzingen voor een risico op recidive zijn gesteld noch gebleken. Zonder op de laakbaarheid van het handelen van verweerster te willen afdoen, is het college van oordeel dat zij onder de hiervoor geschetste gegeven omstandigheden van oordeel is dat een berisping een passende maatregel is. Een waarschuwing acht het college te licht nu verweerster heeft nagelaten de ontstane situatie te melden. Een (voorwaardelijke) schorsing of doorhaling acht het college gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, te zwaar.

  • ECLI:NL:TAHVD:2014:74 Hof van Discipline 's-Hertogenbosch 6823

    Klachten over gebrekkige dienstverlening in echtscheidingsprocedure en over declaraties. Ongegrond.

  • ECLI:NL:TAHVD:2014:55 Hof van Discipline 's-Hertogenbosch 6822

    Bekrachtiging ongegrondverklaring. Klachten over dienstverlening en financiële afwikkeling.

  • ECLI:NL:TAHVD:2014:68 Hof van Discipline 's-Hertogenbosch 6903

    Bekrachtiging ongegrondverklaring. Klachtonderdeel over excessief declareren.