Zoekresultaten 14651-14660 van de 48147 resultaten

  • ECLI:NL:TNORSHE:2020:29 Kamer voor het notariaat 's-Hertogenbosch SHE/2019/45

    Het BFT verwijt de notaris kort gezegd: onzorgvuldig handelen in strijd met artikel 17 Wna, artikel 43 Wna en overige bepalingen; II. handelen in strijd met het provisieverbod ex artikel 9 Verordening beroeps- en gedragsregels 2011 (Vbg 2011) en artikel 19 Vbg 2011; III. passeren zonder ontheffing ex artikel 29 lid 4 Wna. Klachtonderdeel I wordt ongegrond verklaard, omdat de zes subonderdelen van dit klachtonderdeel allemaal betrekking hebben op door de kandidaat-notaris in zijn hoedanigheid van waarnemer gepasseerde akten in ófwel het protocol van de notaris ófwel het protocol van de oud-notaris. Ten aanzien van de notaris is de kamer van oordeel dat haar in deze gevallen geen tuchtrechtelijke verwijten kunnen worden gemaakt. Een waarnemend kandidaat‑notaris handelt in beginsel namelijk niet onder de verantwoordelijkheid van de waargenomen notaris of een andere notaris. Daar komt bij dat gesteld noch gebleken is dat de notaris bemoeienis heeft gehad met het opstellen en passeren van de betreffende akten in haar eigen protocol dan wel het protocol van de oud-notaris. Klachtonderdeel II wordt gegrond verklaard. De kamer is van oordeel dat de notaris in strijd heeft gehandeld met het provisieverbod van artikel 9 Vbg 2011 en dat zij niet heeft gezorgd voor een juiste presentatie van het notariskantoor. Klachtonderdeel III wordt ongegrond verklaard. De notaris mocht vertrouwen op de beslissing van de voorzitter van de kamer Den Haag van 30 december 2016. Bij deze beslissing heeft de voorzitter, in afwachting van de verlening van de ontheffing door de kamer - ambtshalve en met spoed - een ordemaatregel getroffen, omdat vanaf 1 januari 2017 in de waarneming van het protocol van de oud-notaris moest worden voorzien. In die beslissing worden geen beperkingen (zoals het niet mogen passeren van akten) opgelegd aan de tot waarnemer benoemde notaris. Tegen deze achtergrond heeft het BFT onvoldoende onderbouwd dat de notaris in de periode van 1 tot en met 17 januari 2017 onzorgvuldig heeft gehandeld door akten te passeren in het protocol van de oud-notaris. De kamer heeft aan de notaris de maatregel van waarschuwing opgelegd

  • ECLI:NL:TGZREIN:2020:75 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Eindhoven 2039

    Verzekeringsarts wordt onder meer verweten dat zij als arts in de rapportage bevooroordeeld is over de onderzoeksmethodes, diagnostiek en therapie van het behandelcentrum waar klager onder behandeling is. Criteria rapportage. Rapportage voldoet daar niet aan. Door de bedoelde (door het college vetgedrukte) passage in de rapportage op te nemen heeft verweerster de indruk gewekt dat zij met dit rapport over het hoofd van klager heen de stichting in diskrediet wil brengen. Dat had verweerster moeten nalaten en het is begrijpelijk dat klager deze passage als ongenuanceerd en denigrerend heeft ervaren en dat hij daardoor twijfels heeft gekregen over haar onafhankelijkheid. Gedeeltelijk gegrond. Waarschuwing.

  • ECLI:NL:TGZREIN:2020:77 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Eindhoven 2005

    Tandarts wordt door ex-patiënten verweten dat hij ondanks herhaalde verzoeken om hun patiëntendossiers toe te sturen, geen medische informatie heeft verstrekt en op geen enkele manier bereikbaar was. De tandarts heeft de medische dossiers ten onrechte en zonder toestemming van klagers aan derden verstrekt en laten vernietigen. Zeer onzorgvuldig handelen. Niet naleving van wettelijke regels inzake dossierplicht en regels omtrent verstrekken van medische gegevens. Mentale toestand van tandarts. Het behoort tot de professionele rol van de tandarts om in geval van psychische problemen op tijd maatregelen te nemen of hulp te zoeken. Schorsing van 12 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk.

  • ECLI:NL:TGZRAMS:2020:158 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Amsterdam 2020/112

    Klaagster verwijt verweerder dat hij tekortgeschoten is in zijn informatieplicht betreffende de bij haar verrichte liposuctie, nu zij lipoedeem heeft. Ook had verweerder volgens haar eerst andere behandelopties moeten voorstellen en heeft hij de liposuctie niet goed uitgevoerd. Klacht ongegrond.

  • ECLI:NL:TGZRAMS:2020:156 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Amsterdam 2020/149

    Klaagster dient een klacht in tegen haar huisarts, met onder andere het verwijt dat de huisarts heeft miskend dat zij ernstig is verminkt, klaagster niet de juiste informatie heeft gegeven en niet heeft gezien dat zij een baarmoederverzakking heeft. De huisarts, verweerster, voert verweer. Het college heeft uit het door verweerster overgelegde dossier kunnen afleiden dat verweerster klaagster meerdere keren lichamelijk heeft onderzocht en bij herhaling geen bijzonderheden - anders dan een voorover gekantelde baarmoeder - heeft aangetroffen, hetgeen bovendien werd bevestigd door de later bij door de gynaecoloog laten maken TVE. Het college overweegt dat uit de volledige en zorgvuldige beschrijving die verweerster van de lichamelijke onderzoeken heeft gegeven, volgt dat deze lege artis zijn uitgevoerd. Ook is het college van oordeel dat de door verweerster gedane suggestie dat de (psychische) impact van hetgeen klaagster is overkomen inderdaad van invloed kan zijn op het verloop van de menstruatie, de beleving van pijnklachten (en het al dat niet kunnen inbrengen van een tampon) geen onjuiste conclusie geweest. Het college verklaart de klachten kennelijk ongegrond.

  • ECLI:NL:TGZREIN:2020:76 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Eindhoven 19190

    “Klacht tegen orthodontist. Klaagster verwijt verweerder dat hij 1) haar niet, althans onvoldoende heeft geïnformeerd over de voorgeschreven behandeling, zodat er geen sprake is van informed consent, 2) haar na de diagnose wortelresorptie niet heeft geïnformeerd over de te verwachten gevolgen en risico’s daarvan en de behandeling ten onrechte en zonder overleg heeft voortgezet en 3) zijn dossierplicht heeft geschonden. Klacht ongegrond, voldaan aan vereisten van artt. 7:448 BW en 7:454 lid 1 BW.”

  • ECLI:NL:TGZCTG:2020:226 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag c2019.380

    Klacht tegen huisarts. De klacht heeft betrekking op de behandeling van de moeder van klaagster. Patiënte is na een korte tijdelijke opname in het ziekenhuis teruggekeerd naar het woonzorgcentrum waar zij voordien verbleef. Zij is daar na korte tijd overleden. Klaagster verwijt de huisarts dat hij onzorgvuldig heeft gehandeld en tekort is geschoten in de zorg voor patiënte. Het Regionaal Tuchtcollege heeft de klacht kennelijk niet-ontvankelijk verklaard omdat klaagster niet heeft gespecificeerd op welke momenten en hoe de huisarts ten opzichte van patiënte heeft gehandeld, terwijl de huisarts aangeeft niet betrokken te zijn geweest bij de zorg voor patiënte. Het Centraal Tuchtcollege verwerpt het beroep van klaagster.

  • ECLI:NL:TADRARL:2020:209 Raad van Discipline Arnhem-Leeuwarden 20-274

    Voorzittersbeslissing. Niet gebleken dat verweerder bewust onjuiste stukken in het geding heeft gebracht, noch dat hij niet heeft gehandeld zoals het een behoorlijk advocaat betaamt. Kennelijk ongegrond.

  • ECLI:NL:TAHVD:2020:251 Hof van Discipline 's-Hertogenbosch 200125W

    Wrakingsverzoek. Naar het hof begrijpt legt verzoeker – kort en zakelijk vertaald - aan zijn wrakingsverzoek ten grondslag dat de brieven van 19 oktober en 3 november 2020 van het hof bedreigend overkomen en dat de voorzitter misbruik maakt van zijn machtspositie. In de brief van 19 oktober 2020 is vastgelegd hetgeen ter zitting van 12 oktober is besproken. De wrakingskamer vermag, gelet op het proces-verbaal van de zitting van 12 oktober 2020 en de door partijen geschetste gang van zaken, niet in te zien dat de inhoud van deze brief de objectief gerechtvaardigde vrees oplevert dat de voorzitter jegens verzoeker vooringenomenheid koestert. Het wrakingsverzoek slaagt niet.

  • ECLI:NL:TGZRSGR:2020:145 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag 2020-025

    Ongegronde klacht tegen een arts. Het College is van oordeel dat beklaagde in redelijkheid heeft kunnen oordelen dat het ziekteverzuim van klaagster voortkwam uit een arbeidsconflict. Van buitensluiten van de behandelend psychiater is naar het oordeel van het College geen sprake. Ook voor het overige is niet gebleken dat beklaagde klaagster onzorgvuldig en partijdig heeft behandeld. Het is in het geval van een arbeidsconflict de taak van een bedrijfsarts om zich terughoudend op te stellen. Klacht ongegrond verklaard.