Zoekresultaten 13931-13940 van de 48172 resultaten

  • ECLI:NL:TGZCTG:2021:58 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag c2019.342

    Klaagster is in haar auto van achteren aangereden door een verzekerd motorvoertuig. Zij heeft bij de verzekeraar een letselschadeclaim ingediend De verzekeraar heeft de aansprakelijkheid van haar verzekerde voor het ongeval erkend. Tussen klaagster en de verzekeraar is een geschil ontstaan over de afwikkeling van de schade. Dat geschil betreft onder meer het causale verband tussen het ongeval en de medische klachten van beklaagde. Klaagster verwijt de verzekeringsarts dat hij: a. een onzorgvuldige dossiervoering heeft aangehouden; b. onrechtmatig persoonsgegevens als onderdeel van het medisch dossier heeft verwerkt; c. zonder medische vakkennis, zonder eigen medisch onderzoek en zonder toetsbare raadpleging van een consulent vergaande en niet onderbouwde conclusies op het vakgebied van de orthopedie heeft getrokken; d. in strijd met de gangbare inzichten zoals o.a. verwoord in de richtlijnen van het GAV, de GBL2.0 en rechtspraak heeft aangedrongen op volledige verstrekking van de medisch voorgeschiedenis (patiëntenkaart) van klaagster; e. de professionele standaard uit het oog heeft verloren. Het Regionaal Tuchtcollege heeft de klacht ongegrond verklaard. Het Centraal Tuchtcollege verwerpt het beroep van klaagster.

  • ECLI:NL:TGZRAMS:2002:10 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Amsterdam 2020/220

    Klaagster verwijt verweerster, GZ-psychologe en leidinggevende van een traumacentrum, onder meer dat zij zonder toestemming met de ouders van klaagster heeft gepraat, haar ouders bij haar behandeling heeft betrokken en dat zij ongeoorloofd in haar dossier gekeken. Verweerster voert verweer. Deels gegrond, berisping

  • ECLI:NL:TGZCTG:2021:65 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag c2020.155

    Klacht tegen verzekeringsarts bezwaar en beroep bij het UWV. Klager heeft zich ziekgemeld voor zijn werk als vrachtwagenchauffeur. De verzekeringsarts heeft in het kader van een bezwaarprocedure een medische rapportage over klager opgesteld en een aangepaste Functionele Mogelijkhedenlijst. Hij heeft in een overleg met de arbeidsdeskundige aangegeven dat het werken met een soldeerbout geen belemmering is. Klager verwijt de verzekeringsarts dat hij: (1) miskent dat klager bij het werken met een hete soldeerbout een groot risico loopt op 3e en 4e graads brandwonden, mede vanwege wisselend psychofarmacagebruik; (2) hem emotioneel mishandeld en gediscrimineerd heeft; (3) onvoldoende kennis heeft van de ernst van 3e en 4e graads brandwonden; (4) klagers vertrouwen in de medische stand heeft geschonden. Het Regionaal Tuchtcollege verklaart de klacht ongegrond. Het Centraal Tuchtcollege handhaaft deze beslissing.

  • ECLI:NL:TGZCTG:2021:59 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag c2020.116

    Klacht tegen huisarts. Het Regionaal Tuchtcollege heeft de klacht van klaagster dat verweerster geen zorg verleent en haar niet doorverwijst naar een specialist voor een second opinion kennelijk ongegrond verklaard. Het Centraal Tuchtcollege staakt de behandeling van het door klaagster ingestelde beroep vanwege het feit dat klaagster inmiddels is overleden en het college geen redenen aan het algemeen belang ontleend aanwezig acht die vergen dat de behandeling van het beroep moet worden voortgezet.

  • ECLI:NL:TGZRZWO:2021:37 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Zwolle 050/2020

    Klacht tegen arts, werkzaam als specialist ouderengeneeskunde betreffende de zorg voor patiënte geboren in 1933 en overleden in 2019. De klacht betreft de medicamenteuze behandeling en de communicatie beklaagde. Beklaagde ernstig tekortgeschoten.

  • ECLI:NL:TGZCTG:2021:60 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag c2020.121

    Klacht tegen huisarts. De klacht betreft de behandeling van klaagster door de huisarts die volgens klaagster te veel nadruk zou leggen op psychiatrische ziekteoorzaken. Klaagster woont bij haar ouders. Klaagster en haar moeder zijn patiënt in de huisartsenpraktijk van beklaagde. De moeder van klaagster is klaagsters gemachtigde in deze procedure. Klaagster verwijt beklaagde: 1) dat hij zegt dat klaagster en haar moeder niet willen inzien dat klaagster psychiatrisch ziek is, 2) dat hij de endocrinologische klachten van klaagster niet onderzoekt, en 3) dat hij ‘Veilig Thuis’ heeft ingeschakeld. Het Regionaal Tuchtcollege heeft de klacht ongegrond verklaard. Het Centraal Tuchtcollege verwerpt het door klaagster ingestelde beroep.

  • ECLI:NL:TGZRZWO:2021:38 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Zwolle 158/2020

    Klacht tegen huisarts. Niet-gezagdragende vader benadert zijn eigen huisarts (die niet de huisarts van de minderjarige zoon is) om met spoed zoon te zien vanwege vermeende mishandeling door moeder. Moeder, die evenmin gezag heeft, klaagt onder andere erover dat beklaagde zonder toestemming van de voogd het kind heeft onderzocht, informatie over het kind aan vader heeft meegegeven en de meldcode kindermishandeling niet heeft gevolgd. Het college oordeelt dat beklaagde een juiste afweging heeft gemaakt om te beslissen de zoon te zien om te beoordelen of er daadwerkelijk sprake was van een spoedsituatie. Dat dit achteraf niet zo bleek te zijn, doet daaraan niet af. Vervolgens heeft beklaagde een dossiernotitie meegegeven waarin beklaagde heeft genoteerd wat de zoon tijdens het consult in het bijzijn van vader heeft verklaard. Dit is niet klachtwaardig omdat ook een niet-gezagdragende ouder recht heeft op bepaalde informatie over het minderjarige kind. Dat vader de notitie later inbracht in een gerechtelijke procedure, doet daaraan niet af. Tot slot acht het college het in deze context niet klachtwaardig dat de meldcode kindermishandeling is gevolgd. Het kind en zijn situatie waren bij Jeugdbescherming en Reclassering al bekend. Bovendien heeft klager tijdens het consult op verzoek van vader, die het kind daar weer moest terugbrengen, contact met die instelling gehad. Het volgen van de meldcode had in deze casus geen toegevoegde waarde. Klachten ongegrond.

  • ECLI:NL:TNORAMS:2020:11 Kamer voor het notariaat Amsterdam 680436 / 20-3

    De kamer overweegt dat, hoewel sprake is van een beroepsfout en het weliswaar de verantwoordelijkheid van de notaris is om zijn kantoororganisatie zo in te richten dat dergelijke fouten worden voorkomen, niet iedere beroepsfout zonder meer tuchtrechtelijk verwijtbaar moet worden geacht. De notaris heeft weliswaar, gelet op de eerder gedane toezegging slechts tot uitkering over te gaan bij akkoord van partijen, een onjuiste beslissing genomen met betrekking tot het uitkeren van het beslagen bedrag, maar gelet op de omstandigheid dat hij op dat moment als vaste waarnemer in een andere standplaats werkzaam was, zijn medewerkster de desbetreffende e-mail niet op de juiste plaats in het dossier had verwerkt en hij dus niet wist dat aan klager was toegezegd dat het geld niet zou worden uitgekeerd, is het handelen van de notaris naar het oordeel van de kamer niet (ook) tuchtrechtelijk verwijtbaar. Daar komt bij dat de notaris zijn fout jegens klager heeft erkend, hij zijn kantoororganisatie direct daarna zodanig heeft ingericht dat dit soort (communicatie)fouten in de toekomst niet meer zullen plaatsvinden en dat klager het aan [B] uitgekeerde bedrag inmiddels heeft ontvangen. De kamer acht dit klachtonderdeel dan ook ongegrond.

  • ECLI:NL:TNORAMS:2020:12 Kamer voor het notariaat Amsterdam 680437/NT 20-4 en 680438/NT 20-5

    De Stichting heeft als hypotheekhouder het recht van parate executie zoals bepaald in artikel 3:268 Burgerlijk Wetboek (BW). De notariële hypotheekakten dienen als executoriale titel zodat de Stichting op die basis bevoegd is executiemaatregelen tegen klager te treffen, tenzij zij misbruik maakt van die bevoegdheid. Op 9 mei 2018 heeft de Stichting executoriaal beslag gelegd ten laste van klager. Daaraan was op 2 mei 2018 een betalingsbevel voorafgegaan, zoals voorgeschreven in artikel 502 Rv. De veiling is aangezegd op 3 januari 2020, dus meer dan een jaar later. In artikel 503 Rv is voorgeschreven dat een betalingsbevel moet worden vernieuwd als de schuldeiser een jaar na het bevel heeft laten verlopen. In dit geval echter is de uitwinning na het betalingsbevel tijdig – immers 7 dagen later – gestart door het executoriaal beslag. Vervolgens is bij herstelexploot van 28 februari 2020 klager aangekondigd dat op 5 maart 2020 de twee percelen grond zouden worden geveild. Daarmee is – anders dan klager meent – de executoriale verkoop en openbaarmaking op juiste wijze door de notarissen vastgesteld en openbaar gemaakt. Dit klachtonderdeel is dan ook ongegrond.

  • ECLI:NL:TNORAMS:2020:13 Kamer voor het notariaat Amsterdam 685061 / NT 20-27

    De kamer overweegt dat de notaris er ook voor had kunnen kiezen om (klager uitdrukkelijk te adviseren) de overdracht uit te stellen, hetgeen - gegeven de omstandigheden - in het belang van klager was. In feite heeft klager de aandelen immers voor het bedrag van € 1,- geleverd terwijl de waarde daarvan € 16.022,- volgens de balans van 1 september 2016 bedraagt. Het is de taak en verantwoordelijkheid van de notaris om klager dan voor te lichten en klager te bevragen om welke reden hij het risico nam de aandelen in feite (bijna) voor niets weg te geven. Dat heeft de notaris niet gedaan. De kamer acht dit klachtonderdeel dus gegrond.