Zoekresultaten 11531-11540 van de 48269 resultaten

  • ECLI:NL:TADRSHE:2022:39 Raad van Discipline 's-Hertogenbosch 21-900/DB/OB

    Verweerder heeft nagelaten tijdig een conclusie van antwoord in te dienen en heeft te laat uitstel gevraagd. Het uitstelverzoek werd afgewezen, evenals het verzoek om een mondelinge behandeling. Verweerder heeft klager daarover niet of onvoldoende geïnformeerd en heeft klager ook onvoldoende gewezen op de nadelige gevolgen van het niet voeren van verweer. Niet is komen vast te staan dat verweerder niet tijdig hoger beroep heeft ingesteld. Klachtonderdeel 3 ongegrond. Klacht voor het overige gegrond. Gelet op de ernst van het tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen en het tuchtrechtelijk verleden van verweerder wordt aan hem een schorsing van 8 weken, waarvan 4 weken voorwaardelijk opgelegd.

  • ECLI:NL:TAHVD:2022:47 Hof van Discipline 's Gravenhage 210347

    Artikel 13 beklag. Met de deken is het hof van oordeel dat klager onvoldoende heeft aangetoond dat hij de door het gerechtshof bedoelde hulp heeft gezocht en/of aan zichzelf heeft gewerkt. Niet is gebleken van feiten en omstandigheden op grond waarvan de door klager gewenste procedure ondanks die constatering een redelijke kans van slagen zou hebben. De in dit verband door klager overgelegde stukken doen hieraan niet af, nu zij op andere aspecten zien dan wat het gerechtshof bepalend heeft gevonden. Het voorgaande brengt met zich dat de deken gegronde redenen had om het verzoek tot aanwijzing van een advocaat af te wijzen. Het beklag van klager wordt daarom ongegrond verklaard.

  • ECLI:NL:TGZRZWO:2022:20 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Zwolle Z2021/3445

    Beklaagde is de huisarts van klager en heeft klager, die bekend was met drugsgebruik bij persoonlijkheidsstoornis en ASS een aantal malen op consult gehad met toegenomen klachten nadat het een periode wat beter was gegaan. De huisarts heeft getracht (extra) hulp te regelen, maar was daar nog niet in geslaagd op het moment dat het signaal kwam dat zich mogelijk een acute situatie voordeed. Beklaagde heeft hierop een huisbezoek afgelegd en de crisisdienst willen inschakelen. Toen deze aangaf op dat moment niet te kunnen komen heeft de huisarts de politie ingeschakeld. Uit het dossier blijkt dat de huisarts zich voldoende voortvarend heeft ingespannen bij het vinden van extra hulp voor klager. Het verwijt dat beklaagde de hulpvraag van klager totaal genegeerd heeft is ongegrond. Beklaagde kan niet kan worden verweten dat hij de politie heeft ingeschakeld. Dat beklaagde in de hectiek van het moment heeft nagelaten de vriendin van klager op de hoogte te stellen van de komst van de politie is onvoldoende voor het oordeel dat sprake is van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen. Kennelijk ongegrond.

  • ECLI:NL:TADRARL:2022:24 Raad van Discipline Arnhem-Leeuwarden 21-783/AL/MN

    De raad oordeelt weliswaar ruim 40 klachtonderdelen van klaagster over onder meer de kwaliteit van de werkzaamheden van verweerster ongegrond maar één essentieel klachtonderdeel gegrond. Verweerster heeft tijdens het intakegesprek en in de door klaagster ondertekende opdrachtbevestiging bevestigd dat voor de 1:160 BW-procedure een toevoeging wordt aangevraagd. Tegelijkertijd heeft verweerster in haar e-mails rond die periode aan klaagster voor aanvaarding van de zaak ook als voorwaarde gesteld dat die toevoeging (tussentijds) door verweerster zou worden ingetrokken na ontvangst van de door klaagster direct te innen achterstallige partneralimentatie, waardoor klaagster alsnog betalende cliënte van verweerster zou worden. Deze werkwijze oordeelt de raad niet alleen in strijd met artikel 46 Advocatenwet, in het bijzonder de gedragsregels 17 en 18, maar verhoudt zich ook niet met het systeem van gefinancierde rechtsbijstand. Een cliënt wordt ofwel bijgestaan op basis van gefinancierde rechtsbijstand dan wel op betalende basis. Niet alleen heeft verweerster met dit tuchtrechtelijk verweten handelen het toevoegingssysteem op ongeoorloofde wijze doorkruist, ook heeft verweerster klaagster op dwingende wijze en door tijdsdruk aangezet tot inning van de partneralimentatie door het LBIO omdat verweerster de zaak anders niet zou doen. Dit terwijl een toevoeging voor klaagster was aangevraagd, wat bij klaagster tot de nodige verwarring kan hebben geleid. Verweerster heeft ook in strijd met artikel 10a Advocatenwet gehandeld door schending van de kernwaarden partijdigheid en financiële integriteit. Dit leidt tot een berisping.

  • ECLI:NL:TAHVD:2022:48 Hof van Discipline 's Gravenhage 210368 210369

    Appelverbod. Het hof stelt vast dat wat door klager wordt aangevoerd uitsluitend ziet op de inhoudelijke beoordeling van het onderliggende geschil. Wat klager aanvoert, levert daarmee naar vaste jurisprudentie geen grond op voor doorbreking van het appelverbod.

  • ECLI:NL:TADRARL:2022:25 Raad van Discipline Arnhem-Leeuwarden 21-535/AL/MN/D

    Dekenbezwaar, waaraan een uitgebreide klacht van klaagster tegen verweerster (21-783/AL/MN) ten grondslag ligt. Verweerster heeft naar het oordeel van de raad tuchtrechtelijk verwijtbaar gehandeld jegens klaagster door naast het aanvragen van een toevoeging voor klaagster bij aanvaarding van de zaak ook als voorwaarde te stellen dat die toevoeging (tussentijds) door verweerster zou worden ingetrokken na ontvangst door klaagster van door haar nog te innen achterstallige partneralimentatie, waardoor klaagster alsnog een betalende cliënte zou zijn. De raad oordeelt deze handelwijze niet alleen in strijd met artikel 46 Advocatenwet, in het bijzonder de gedragsregels 17 en 18, maar dit verhoudt zich ook niet met het systeem van gefinancierde rechtsbijstand. Een cliënt wordt ofwel bijgestaan op basis van gefinancierde rechtsbijstand dan wel op betalende basis. Met dergelijk handelen heeft verweerster het aanzien van de advocatuur geschaad door ook in strijd te handelen met de kernwaarden (financiële) integriteit en partijdigheid ex artikel 10a Advocatenwet. De overige dekenbezwaren worden ongegrond geoordeeld. Omdat de raad over hetzelfde tuchtrechtelijke verwijt in de klachtzaak een berisping heeft opgelegd, wordt in het dekenbezwaar geen maatregel opgelegd.

  • ECLI:NL:TAHVD:2022:49 Hof van Discipline 's Gravenhage 210388

    Artikel 13 beklag. De deken heeft in de afwijzende beslissing gemotiveerd aangegeven waarom hij het instellen van hoger beroep op de door klager aangevoerde gronden kansloos acht. De nu aangevoerde beklaggronden tegen deze beslissing, zoals onder 3.5 zijn aangehaald, zijn onbegrijpelijk. Het is niet de eerste keer dat klager een bij voorbaat kansloze procedure begint. ​​​Het hof zal het beklag tegen de beslissing van de deken van 20 december 2021 daarom niet ongegrond verklaren, maar het beklag wegens misbruik van klachtrecht buiten behandeling stellen.

  • ECLI:NL:TAHVD:2022:50 Hof van Discipline 's Gravenhage 210389

    Artikel 13 beklag. ​​​​Vooropgesteld wordt dat niet is gebleken dat klager de vereiste inspanning heeft verricht om zelf een advocaat te vinden voor de behartiging van zijn belangen in zijn zaak. Verder heeft de deken er terecht op gewezen dat artikel 398 aanhef en onder ten tweede van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering bepaalt dat partijen beroep in cassatie kunnen instellen van vonnissen die in eerste ressort op tegenspraak zijn gewezen, indien partijen nadien zijn overeengekomen het hoger beroep over te slaan. Het is alleszins begrijpelijk dat namens de deken bij klager de bevestiging is gevraagd dat de wederpartij instemt met sprongcassatie. ​​​​​​Tot slot heeft de deken er terecht op gewezen dat klager nu geen belang meer heeft bij aanwijzing van een advocaat omdat de cassatietermijn inmiddels is verstreken. Het beklag wordt ongegrond verklaard.

  • ECLI:NL:TADRSGR:2022:26 Raad van Discipline 's-Gravenhage 21-909/DH/RO

    Advocaat klaagt over advocaat. Naar het oordeel van de raad heeft verweerder zich tegenover klager niet welwillend opgesteld door de gevraagde stukken niet over te dragen, ondanks herhaalde verzoeken. Berisping.

  • ECLI:NL:TGZCTG:2022:41 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag C2021.1052

    Klacht tegen neuroloog. Klaagster heeft in 2013 een onjuiste MRI-uitslag gekregen waardoor zij pas in 2020 bekend is geworden met het feit dat zij een tumor in haar hoofd had. Zij heeft in verband met de behandeling door verweerder meerdere klachten tegen hem geformuleerd en het Regionaal Tuchtcollege heeft de klachten die betrekking hebben op het doorgeven van de onjuiste uitslag gegrond verklaard en aan verweerder de maatregel van waarschuwing opgelegd.Het beroep van klaagster betreft drie in eerste aanleg ongegrond verklaarde klachtonderdelen, waaronder de klacht dat verweerder onvoldoende zorgvuldig heeft gehandeld door een nieuw medicijn voor te schrijven terwijl er daarvoor in het geval van klaagster een contra-indicatie bestond. Het Centraal Tuchtcollege verklaart dit deel van het beroep gegrond en verwerpt het beroep voor het overige. De maatregel van waarschuwing blijft gehandhaafd.