Zoekresultaten 1-10 van de 3331 resultaten

  • ECLI:NL:TADRARL:2026:58 Raad van Discipline Arnhem-Leeuwarden 25-484/AL/NN/D

    Verweerster heeft in drie zaken samengewerkt met een voormalige advocaten. Deze voormalige advocaat is vóór deze samenwerking door de Raad van Discipline van het tableau geschrapt en hij was ten tijde van deze samenwerking daarom geen advocaat meer. Desondanks heeft de voormalige advocaat deze zaken behandeld en dat gebeurde niet onder de verantwoordelijkheid van verweerster. Zij heeft in die zaken feitelijk slechts gefungeerd als doorgeefluik. Verweerster heeft hiermee gehandeld in strijd met artikel 46 Advocatenwet en de kernwaarden onafhankelijkheid, deskundigheid en integriteit. De raad rekent dit verweerster zwaar aan. Bij de oplegging van de maatregel houdt de raad verder sterk rekening met het tuchtrechtelijke verleden van verweerster. De raad heeft haar tweemaal een voorwaardelijke schorsing opgelegd. Eén van die veroordelingen zag - net als de onderhavige zaak - mede op een samenwerking die ertoe heeft geleid dat zij niet volledig onafhankelijk is geweest en de kernwaarden onafhankelijkheid, partijdigheid, deskundigheid en integriteit in gevaar heeft gebracht. Verder neemt de raad in aanmerking dat verweerster het verwijtbare van haar handelen niet inziet. Tijdens het onderzoek van de deken, in het door haar ingediende verweerschrift (waarin alle verwijzingen naar jurisprudentie onjuist of niet relevant zijn) en op de zitting van de raad heeft zij volhard in haar stelling dat zij op een correcte wijze heeft gehandeld. De raad is - rekening houdend met alle feiten en omstandigheden - van oordeel dat alleen kan worden volstaan met een onvoorwaardelijke schorsing. De raad zal verweerster een schorsing opleggen voor de duur van twaalf weken.

  • ECLI:NL:TADRAMS:2026:47 Raad van Discipline Amsterdam 25-757/A/A 25-758/A/A

    Raadsbeslissing. Klacht over de kwaliteit van dienstverlening van de eigen advocaat is deels niet-ontvankelijk en deels ongegrond. Dat verweerder 1 juridische kernpunten over het hoofd heeft gezien of dat het advies van verweerder 1 op enige andere wijze niet voldeed aan de vereiste deskundigheid, is de raad niet gebleken. Klachtonderdeel a) is daarom ongegrond. De raad stelt verder vast dat het e-mailbericht van 24 april 2025, met daarin opgenomen een schikkingsvoorstel aan klager, is geschreven door verweerder 2 in de hoedanigheid van klachtenfunctionaris. Verweerder 1 heeft deze e-mail niet mede ondertekend en het is de raad niet gebleken dat hij betrokkenheid heeft gehad bij het opstellen van dit bericht, noch dat hij zich op andere wijze intimiderend of agressief jegens klager zou hebben uitgelaten. Klachtonderdeel b) is ten aanzien van verweerder 1 daarom niet-ontvankelijk. Voor wat betreft verweerder 2 is de raad van oordeel dat geen sprake is van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen. Verweerder 2 heeft in het e-mailbericht van 24 april 2025 geprobeerd het geschil met klager in der minne te schikken door een afkoopbedrag voor te stellen tegen finale kwijting, waaronder het afzien van een klacht door klager. Verweerder 2 heeft daarbij naar het oordeel van de raad gemotiveerd toegelicht dat het doel hiervan was om het geschil met klager te beëindigen zonder dat er nog zou worden “nagetrapt”. Naar het oordeel van de raad mocht verweerder 2 dit voorstel zo doen. Dat klager dit als intimiderend heeft ervaren, maakt niet dat sprake is van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen. Klachtonderdeel b) is ten aanzien van verweerder 2 daarom ongegrond.

  • ECLI:NL:TADRSHE:2026:31 Raad van Discipline 's-Hertogenbosch 25-452/DB/LI

    Verzet. De voorzitter heeft bij de beoordeling van de klacht de juiste maatstaf toegepast en voorts rekening gehouden met alle relevante feiten en omstandigheden van het geval. Daarmee hoeft in redelijkheid niet te worden betwijfeld of de beslissing van de voorzitter juist is. Verzet ongegrond.

  • ECLI:NL:TADRAMS:2026:48 Raad van Discipline Amsterdam 26-033/A/A

    Voorzittersbeslissing. Klacht is (kennelijk) niet-ontvankelijk. Er is sprake van misbruik van recht en van een schending van het ne bis in idem-beginsel. Deze klacht ziet (wederom) op het handelen van verweerder in het geschil tussen klager en F. Daarnaast is (ook) sprake van een overschrijding van de termijn zoals genoemd in artikel 46g lid 1 onder a Advocatenwet.

  • ECLI:NL:TNORSHE:2026:6 Kamer voor het notariaat 's-Hertogenbosch SHE/2026/01

    De klager heeft meerdere klachten ingediend over het handelen van de notaris als privépersoon. Daarbij heeft de klager zich grievend en respectloos uitgelaten over de notaris. Voorzittersbeslissing: klacht kennelijk niet-ontvankelijk wegens misbruik van klachtrecht. Van de notaris kan in redelijkheid niet langer worden gevraagd dat hij zich blijft verweren tegen dit soort “processtukken”. Mogelijke volgende klachten die voortvloeien uit of samenhangen met de bestaande privégeschillen en processtukken waarin de klager zich grievend en respectloos uitlaat over de notaris zal de kamer niet meer in behandeling nemen.

  • ECLI:NL:TADRAMS:2026:49 Raad van Discipline Amsterdam 25-903/A/A

    Voorzittersbeslissing; klacht over de kwaliteit van dienstverlening kennelijk ongegrond. Verweerder heeft de belangen van klager behartigd met de zorgvuldigheid die van een redelijk bekwaam en redelijk handelende advocaat in de gegeven omstandigheden mocht worden verwacht. Verweerder heeft klager adequaat geïnformeerd over hoe klagers zaak ervoor stond en welk verweer het beste kon worden gevoerd om ontruiming te voorkomen. Dat verweerder klager niet in al zijn wensen en eisen heeft gevolgd, leidt niet tot de conclusie dat verweerder is tekortgeschoten in zijn dienstverlening. Aan verweerder komt als dominus litis immers de vrijheid toe de zaak te behandelen zoals hem dat juist voorkomt.

  • ECLI:NL:TADRAMS:2026:50 Raad van Discipline Amsterdam 26-077/A/NH

    Voorzittersbeslissing; klacht is niet-ontvankelijk vanwege overschrijding driejaarstermijn.

  • ECLI:NL:TADRSHE:2026:28 Raad van Discipline 's-Hertogenbosch 22-432/DB/ZWB/D

    Dekenbezwaar. Ontvankelijkheid: Verweerder heeft aangevoerd dat de deken geen belang heeft bij beoordeling van het dekenbezwaar nu het alsnog verkrijgen van een stageverklaring, vereist om als advocaat hernieuwd op het tableau te kunnen worden ingeschreven, een feitelijke onmogelijkheid is geworden. Verweerder heeft daarnaast aangevoerd dat er evenmin een algemeen belang bestaat bij het verkrijgen van een inhoudelijk oordeel van de raad, omdat het onderwerp van het dekenbezwaar (integriteit en strafbare feiten) geen verfijning, verheldering of toelichting van de bestaande tuchtrechtspraak behoeft. De raad is van oordeel dat de deken wel ontvankelijk is. Dat de kans op een hernieuwde inschrijving van verweerder op het tableau thans reeds nihil is, maakt naar het oordeel van de raad niet dat de deken bij het vragen van een tuchtrechtelijke reactie geen belang (meer) heeft. Gezien de ernst van de door de rechtbank bewezen verklaarde strafbare feiten is het algemeen belang bij het geven van een tuchtrechtelijke reactie en het daarmee samenhangende signaal aan de beroepsgroep en het publiek naar het oordeel van de raad gegeven, ook indien die tuchtrechtelijke reactie geen verfijning, verheldering of toelichting van bestaande tuchtrechtspraak oplevert.Inhoudelijk: Verweerder heeft zich schuldig gemaakt aan de handel in cocaïne, het witwassen van grote geldbedragen en aan ondergronds bankieren, waarbij hij financiële regelgeving heeft overtreden, die bedoeld is om de integriteit van het betalingsverkeer in de maatschappij te waarborgen. Deze strafbare feiten zijn in het licht van de beroepsuitoefening absoluut ongeoorloofd en ondermijnen het vertrouwen in de advocatuur.Verweerder voldoet niet aan de in de Voda gestelde eisen om het beroep van advocaat uit te mogen oefenen, doordat hij niet beschikt over een verklaring van voltooide stage en doordat hij geen kantoor houdt. Verweerder heeft de belangen van zijn cliënten geschaad, althans heeft het risico genomen deze belangen te schaden, doordat hij heeft geweigerd zijn medewerking te verlenen aan een behoorlijke waarneming van zijn praktijk tijdens zijn detentie. De gegrond bevonden tuchtrechtelijk verwijten leveren een schending op van de kernwaarden van de advocatuur. Gegrond. Schrapping.

  • ECLI:NL:TNORAMS:2026:1 Kamer voor het notariaat Amsterdam 773915 / NT 25-24

    Klager stelt dat hij door de notaris is geïnformeerd dat de koopsom A-B € 7.025.000 zou bedragen, terwijl uit de leveringsakte blijkt dat de koopsom daadwerkelijk € 8.000.000 bedroeg. De notaris zou een gedeelte van de ‘winst’ van € 775.000 (het verschil van € 975.000 verminderd met de verstrekte leningen à € 200.000) in privé hebben behouden. Ten tweede verwijt klager de notaris schending van de notariële zorgplicht en onafhankelijkheid. Door zichzelf dan wel zijn echtgenote financieel te bevoordelen bij een transactie waarbij hij als notaris optrad, heeft de notaris ernstig in strijd gehandeld met de kernwaarden van het notarisambt: onafhankelijkheid, onpartijdigheid en integriteit. Klager verwijt de notaris tot slot ook belangenverstrengeling vanwege het actief betrekken van zijn echtgenote bij een financiële transactie waarvoor de notaris zelf verantwoordelijk was. Dit als apart verwoord klachtonderdeel verwijst uitsluitend naar het handelen van de notaris dat reeds aan de orde is gekomen bij de klachtonderdelen 1 en 2 en wordt daarom niet als een afzonderlijk klachtonderdeel gezien. De kamer oordeelt dat klager niet-ontvankelijk is in alle klachtonderdelen. De vennootschappen [naam klager] Holding B.V. en [X B.V.] waren betrokken bij de verstrekte leningen waar dit klachtonderdeel op ziet. Vast staat echter dat klager als privépersoon klaagt en niet namens [naam klager] Holding B.V. of [X B.V.]. Dit heeft klager desgevraagd expliciet bevestigd. Dat hij als privépersoon is benadeeld is verder onvoldoende aannemelijk geworden. Dat hij mogelijk aandeelhouder is (geweest) van genoemde vennootschappen is zonder nadere omstandigheden onvoldoende. Ook voor het tweede klachtonderdeel geldt dat klager als privépersoon klaagt over een transactie – in dit geval [naam theater] Transactie – waarbij hij niet in privé betrokken was. [Vennootschap A] was wél bij deze transactie betrokken; klager vertegenwoordigde deze vennootschap als zelfstandig bevoegd bestuurder. Ter zitting heeft klager echter niet duidelijk gemaakt waarom hij als privépersoon een voldoende belang heeft bij deze klacht. De kamer oordeelt daarom dat klager ook niet-ontvankelijk is in dit klachtonderdeel. Ten overvloede overweegt de kamer dat ook als klager wel ontvankelijk zou zijn in de klachtonderdelen deze ongegrond zouden zijn. Klager heeft geen stukken overlegd die de klachtonderdelen onderbouwen of toegelicht waar dit dan uit blijkt.

  • ECLI:NL:TADRSHE:2026:29 Raad van Discipline 's-Hertogenbosch 25-829/DB/MN

    Raadsbeslissing. Klacht over de advocaat van de wederpartij. Niet gebleken dat verweerder in of buiten rechte informatie heeft verstrekt waarvan hij weet, althans behoort te weten, dat deze onjuist is, noch dat hij zich onnodig grievend over klager heeft uitgelaten. Als door klager erkend staat vast dat hij meerdere klachten tegen L heeft ingediend. Het stond verweerder vrij om in het kader van de behartiging van de belangen van zijn cliënt de context te schetsen in dat verband melding te maken van het aantal ingediende klachten. Verder staat vast dat het Openbaar Ministerie in de sepotbeslissing heeft vermeld dat niet tot de verdere vervolging van klager werd overgegaan omdat er naar het oordeel van het Openbaar Ministerie onvoldoende bewijs was. Klager heeft zich beklaagd over L omdat deze in de visie van klager aan de kinderen had moeten melden dat klager onschuldig was bevonden. Het was de taak van verweerder om namens L tegen die klacht verweer te voeren en in dat verband in het verweerschrift de feitelijke grondslag van die klacht te weerleggen. Dat heeft verweerder ook gedaan. Verweerder heeft namens L gesteld: “Daarin staat niet dat klager onschuldig is bevonden. Er staat dat er onvoldoende bewijs is. Dat is wezenlijk iets anders. Klager kon dus sowieso niet aan wie dan ook de mededeling doen dat klager onschuldig was bevonden.” Die stelling is niet feitelijk onjuist en mocht verweerder in het kader van de behartiging van de belangen van zijn cliënt poneren. Ongegrond.