ECLI:NL:TGZCTG:2026:95 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag C2025/3014

ECLI: ECLI:NL:TGZCTG:2026:95
Datum uitspraak: 07-05-2026
Datum publicatie: 11-05-2026
Zaaknummer(s): C2025/3014
Onderwerp: Onjuiste behandeling/verkeerde diagnose
Beslissingen: Ongegrond/afwijzing
Inhoudsindicatie: Verzet tegen een voorzittersbeslissing in de zaak tegen een huisarts. Het Regionaal Tuchtcollege heeft de klacht van klager kennelijk ongegrond verklaard omdat niet is komen vast te staan dat de griepprik verkeerd is gezet of dat de huisarts verkeerde instructies met betrekking tot het plaatsen van de prik heeft gegeven. De voorzitter van het Centraal Tuchtcollege heeft het beroep van klager afgewezen. Het Centraal Tuchtcollege verklaart het door klager ingestelde verzet ongegrond.

C E N T R A A L  T U C H T C O L L E G E
voor de Gezondheidszorg


Beslissing in de zaak onder nummer C2025/3014 van:
A., wonende in B.,
appellant, klager in eerste aanleg,
hierna: klager,

tegen

D., huisarts,
werkzaam in B.,
verweerster in beide instanties, 
hierna: de huisarts,
gemachtigde: mr. L. Greebe, verbonden aan 
DAS Rechtsbijstand te Amsterdam.

1.    Verloop van de procedure

1.1    Klager heeft op 30 december 2024 bij het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg in Amsterdam een klacht ingediend tegen de huisarts. Bij beslissing van 2 september 2025, onder nummer A2025/8100 (ECLI:NL:TGZRAMS:2025:218) heeft dat college de klacht kennelijk ongegrond verklaard.

1.2    Klager heeft beroep ingesteld tegen deze beslissing. De voorzitter van het Centraal Tuchtcollege heeft bij beslissing van 10 december 2025 het beroep afgewezen. Tegen deze beslissing heeft klager verzet aangetekend. 

1.3    Het Centraal Tuchtcollege heeft het verzet buiten aanwezigheid van partijen in raadkamer beoordeeld.

2.    Beoordeling van het verzet

2.1    De voorzitter van het Centraal Tuchtcollege heeft in de beslissing van 10 december 2025 het volgende overwogen: 

“3.1     Tijdens de jaarlijkse griepvaccinatie komen er honderden patiënten naar de huisartsenpraktijk. Klager was die dag een van de vele personen die de griepprik kreeg. Klager beschrijft zelf ook dat hij met ongeveer veertien personen in de rij stond. Griepprikken worden door de doktersassistente gezet.

3.2    Klager is ervan overtuigd dat hij een andere prik heeft gekregen dan de griepprik omdat de assistente aan zijn rechterkant stond en zei: “nu ga ik het anders doen’’ en vervolgens achter zijn rug om naar zijn linkerkant liep. De huisarts heeft in de procedure bij het regionaal Tuchtcollege uitgelegd dat tijdens het zetten van de griepprikken sommige patiënten ook een prik tegen pneumokokken krijgen en de assistente mogelijk in de war is geweest in welke arm ze de griepprik ging zetten.

3.3    Voor het oordeel dat de huisarts tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld moet eerst voldoende aannemelijk zijn dat het verweten handelen feitelijk heeft plaatsgevonden. Dat is nu in deze zaak niet het geval. Gelet op de beschreven gang van zaken is niet goed voorstelbaar dat de assistente klager een prik heeft gegeven met een andere samenstelling dan de reguliere griepprik. Zowel het dossier als de verklaringen van partijen bieden hier geen aanknopingspunten voor. Het is erg spijtig dat klager zoveel klachten ervaart, maar het is niet aannemelijk dat deze klachten een rechtstreeks gevolg zijn van de griepprik. 

3.4     Op basis van het bovenstaande komt de voorzitter tot het oordeel dat het beroep niet kan leiden tot een andere beslissing dan die van het Regionaal Tuchtcollege. Het beroep wordt daarom afgewezen.’’ 

2.2    Klager is het niet eens met deze beslissing van de voorzitter. 

2.3     Het Centraal Tuchtcollege heeft kennisgenomen van het procesdossier in eerste aanleg, het beroepschrift van 15 oktober 2025, de e-mail van klager van 15 oktober 2025 en twee e-mails met het verzetschrift van 18 december 2025.

2.4    Een verzet is gegrond als in redelijkheid moet worden betwijfeld of de beslissing van de voorzitter juist is. Twijfel kan bijvoorbeeld bestaan als de voorzitter een verkeerd toetsingskader heeft toegepast of de beslissing heeft gebaseerd op onjuiste of onvolledige feiten. In zijn verzetschrift heeft klager geen verzetgronden aangevoerd die het college aanleiding geven om aan de juistheid van de voorzittersbeslissing van 10 december 2025 te twijfelen. Het verzet levert ook verder geen nieuwe gezichtspunten op, zodat er geen plaats is voor een nadere inhoudelijke beoordeling van de klacht. Het Centraal Tuchtcollege zal het verzet daarom ongegrond verklaren. 

3.    Beslissing

Het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg:

verklaart het verzet ongegrond.

Deze beslissing is op 7 mei 2026 genomen door: E.J. Daalder, voorzitter, A.S. Gratama en L. van Dijk, leden-juristen en M.K. Dees en D. van Sleeuwen, leden-beroepsgenoten, en bijgestaan door 
K.M. ten Pas, secretaris.

        Voorzitter   w.g.                    Secretaris  w.g.