ECLI:NL:TGZCTG:2026:93 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag C2025/3002 Verzet
| ECLI: | ECLI:NL:TGZCTG:2026:93 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 07-05-2026 |
| Datum publicatie: | 11-05-2026 |
| Zaaknummer(s): | C2025/3002 Verzet |
| Onderwerp: | Onjuiste behandeling/verkeerde diagnose |
| Beslissingen: | Ongegrond/afwijzing |
| Inhoudsindicatie: | Verzet tegen een voorzittersbeslissing in de zaak tegen een huisarts. Het Regionaal Tuchtcollege heeft klager niet-ontvankelijk verklaard omdat er een periode van meer dan tien jaren is verstreken sinds het gestelde handelen (of nalaten) is geschied. De voorzitter van het Centraal Tuchtcollege heeft het beroep van klager afgewezen. Het Centraal Tuchtcollege verklaart het door klager ingestelde verzet ongegrond. |
C E N T R A A L T U C H T C O L L E G E
voor de Gezondheidszorg
Beslissing in de zaak onder nummer C2025/3002 van:
A., wonende te B.,
appellant, klager in eerste aanleg,
hierna: klager,
tegen
C., destijds huisarts,
destijds werkzaam te B.,
verweerder in beide instanties,
hierna: de huisarts,
gemachtigde: mr. T.A.M. van Oosterhout, werkzaam te Utrecht.
1. Verloop van de procedure
1.1 Klager heeft op 28 oktober 2024 bij het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg te Amsterdam tegen de huisarts een klacht ingediend. Bij beslissing van 2 september 2025, onder nummer A2024/7789 heeft het Regionaal Tuchtcollege klager kennelijk niet-ontvankelijk verklaard in zijn klacht.
1.2 Klager is in beroep gekomen tegen deze beslissing. De voorzitter van het Centraal Tuchtcollege heeft bij beslissing van 30 januari 2026 het beroep afgewezen. Tegen deze beslissing heeft klager verzet aangetekend.
1.3 Het Centraal Tuchtcollege heeft het verzet buiten aanwezigheid van partijen in raadkamer beoordeeld.
2. Beoordeling van het verzet
2.1 De voorzitter van het Centraal Tuchtcollege heeft in de beslissing van 30 januari 2026 het beroep van klager afgewezen. De voorzitter heeft hierover overwogen:
3.3 Het staat vast dat het verweten handelen begin (10) oktober 20214 (lees: 2014, CTG) heeft plaatsgevonden, terwijl het klaagschrift op 28 oktober 2024 door het Regionaal Tuchtcollege is ontvangen. Tussen het verweten handelen en het indienen van de klacht zijn dus meer dan tien jaren verstreken. Klager heeft in dit verband naar voren gebracht dat er van verjaring geen sprake kan zijn omdat hij tot 31 maart 2017 in E. heeft verbleven en dat alles wat is voorgevallen in E. niet los van elkaar gezien kan worden. Het Centraal Tuchtcollege begrijpt dat klager alle gedragingen in onderling verband en samenhang ziet, maar in de wet BIG staat duidelijk dat de tienjaarstermijn gaat lopen vanaf de dag dat de verweten gedraging heeft plaatsgevonden. Dit leidt tot de conclusie dat het Regionaal Tuchtcollege terecht en op goede gronden heeft geoordeeld dat klager niet ontvankelijk is in zijn klacht.
3.4 Op basis van het bovenstaande komt de voorzitter tot het oordeel dat het beroep niet kan leiden tot een andere beslissing dan die van de voorzitter van het Regionaal Tuchtcollege. Het beroep wordt daarom afgewezen.”
2.2 Klager is het niet eens met deze beslissing. Klager betoogt in verzet dat de verweten gedraging niet enkel een eenmalig handelen betreft in oktober 2014, maar dat het onderdeel uitmaakt van een zorgrelatie en behandelcontext die voortduurde tot 31 maart 2017, gedurende zijn verblijf in het verpleeghuis. Gelet hierop bestaat er in ieder geval redelijke twijfel over het aanvangsmoment van de verjaring. Gezien deze juridische twijfel had de voorzitter van het Centraal Tuchtcollege de zaak daarom niet alleen mogen afdoen. Met deze handelswijze wordt de toegang tot de tuchtrechter voor klager beperkt.
2.3 Het Centraal Tuchtcollege heeft kennisgenomen van het procesdossier in eerste aanleg, het beroepschrift, het aanvullend beroepschrift en het verzetschrift.
2.4 Een verzet is gegrond als in redelijkheid moet worden betwijfeld of de beslissing van de voorzitter juist is. Twijfel kan bijvoorbeeld bestaan als de voorzitter een verkeerd toetsingskader heeft toegepast of de beslissing heeft gebaseerd op onjuiste of onvolledige feiten.
2.5 Het Centraal Tuchtcollege acht het verzet ongegrond. In de beslissing van de voorzitter staat duidelijk vermeld hoe de verjaringstermijn in de Wet BIG geïnterpreteerd moet worden. Daarbij heeft de voorzitter de relevante feiten en omstandigheden meegewogen, evenals het standpunt van klager dat alles wat is voorgevallen in E. niet los van elkaar gezien kan worden. In verzet voert klager hetzelfde aan. Het verzet tegen de beslissing van de voorzitter levert daarom geen nieuwe gezichtspunten op, zodat er geen plaats is voor nader onderzoek naar of een nadere inhoudelijke beoordeling van de klacht. Evenmin is de toegang tot de tuchtrechter op deze wijze beperkt voor klager. Immers, de voorzitter heeft terecht en op goede gronden geoordeeld dat het beroep van klager niet kan leiden tot een andere beslissing dan die van het Regionaal Tuchtcollege, zodat zij op grond van artikel 73a van de Wet BIG de bevoegdheid had het beroep af te wijzen. Het Centraal Tuchtcollege zal het verzet daarom ongegrond verklaren.
3. Beslissing
Het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg:
verklaart het verzet ongegrond.
Deze beslissing is op 7 mei 2026 genomen door: E.J. Daalder, voorzitter, A.S. Gratama
en
L. van Dijk, leden-juristen en M.K. Dees en D. van Sleeuwen, leden-beroepsgenoten,
en bijgestaan door C.J.M. Manders, secretaris.
Voorzitter w.g. Secretaris w.g.