Zoekresultaten 12991-13000 van de 46643 resultaten

  • ECLI:NL:TDIVBC:2020:17 Veterinair Beroepscollege 's-Gravenhage VB 2020/06

    Het Veterinair Beroepscollege komt tot de slotsom dat de dierenarts ernstig te kort is geschoten zowel bij de operatieve ingreep op 17 mei 2017, als in de nazorg en aldus tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld. Het beroep is daarom gegrond. Dit betekent dat de beslissing van het Veterinair Tuchtcollege zal worden vernietigd en dat de klacht alsnog gegrond zal worden verklaard. Het Veterinair Beroepscollege is van oordeel dat eerdere tuchtrechtelijke maatregelen de dierenarts kennelijk niet hebben gebracht tot een meer zorgvuldig veterinair handelen, zodat, mede vanuit preventief oogpunt, een zwaardere sanctie op zijn plaats is. Het Veterinair Beroepscollege acht het daarom passend en geboden de dierenarts de maatregelen op te leggen van een onvoorwaardelijke geldboete van € 2.500,00 en een voorwaardelijke schorsing voor een periode van een jaar met een proeftijd van twee jaar.

  • ECLI:NL:TADRSHE:2021:5 Raad van Discipline 's-Hertogenbosch 20-343/DB/ZWB

    Geen belang bij klacht over identificatieplicht. Klager heeft identificatie door advocaat zelf onmogelijk gemaakt. Alvorens een advocaat een voorlopig getuigenverhoor kan verzoeken, moet hij eerst over voldoende informatie beschikken, waarmee hij dit verzoek kan onderbouwen. Ook de werkzaamheden die verband houden met dit vooronderzoek kunnen door de advocaat in rekening worden gebracht en met het betaalde voorschot worden verrekend. Op grond van de (uit het vooronderzoek) verkregen informatie bepaalt de advocaat of hij voldoende aanleiding ziet om een getuigenverhoor te verzoeken, wat in de zaak van klager niet het geval was. Klacht ongegrond

  • ECLI:NL:TGZRAMS:2021:2 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Amsterdam 2020/150

    Klaagster dient een klacht in tegen een gynaecoloog met o.a. het verwijt dat niet heeft gezien dat klaagster verminkt is, niet heeft gezien dat zij een baarmoederverzakking heeft, niet wilde toegeven dat haar vaginale elastische binnenwand weg is, haar niet serieus genomen heeft et cetera. Verweerster voert verweer. Naar het oordeel van het college komt uit de overgelegde stukken naar voren dat verweerster klaagster tijdens een eenmalig consult adequaat en volledig heeft onderzoek onder andere met een vaginaal toucher en een eerder verrichte transvaginale echo. Bij beide onderzoek was op dat moment geen sprake van een vervakking van de baarmoeder of verminking van klaagster. Daarnaast heeft het college geen aanleiding te veronderstellen dat verweerster klaagster niet serieus genomen heeft. De klachten zijn kennelijk ongegrond.

  • ECLI:NL:TADRSHE:2021:1 Raad van Discipline 's-Hertogenbosch 19-801/DB/OB

    Advocaat in hoedanigheid van managing partner. Vertrouwen in de advocatuur niet geschonden. Verzet ongegrond

  • ECLI:NL:TADRSHE:2020:116 Raad van Discipline 's-Hertogenbosch 20-912/DB/LI

    Het Hof van Discipline heeft in een eerdere klachtzaak tussen klager en verweerder niet vastgesteld dat verweerder daadwerkelijk voor de broer van klager optrad, noch dat sprake was van een belangenverstrengeling op grond waarvan verweerder niet meer voor de broer van klager als advocaat op zou mogen treden. Dit valt, anders dan klager stelt, niet uit de uitspraak van het Hof van Discipline af te leiden. De uitspraak van het Hof van Discipline vormt geen beperking voor verweerder om voor de broer van klager op te treden. Dat verweerder de uitvaart van de moeder van klager heeft verstoord dan wel zaken op scherp heeft gesteld/geprovoceerd kan niet worden vastgesteld, nu de opvattingen van partijen daarover lijnrecht tegenover elkaar staan. Klacht kennelijk ongegrond

  • ECLI:NL:TADRSHE:2021:2 Raad van Discipline 's-Hertogenbosch 19-802/DB/OB

    Advocaat in hoedanigheid van klachtenfunctionaris. Vertrouwen in de advocatuur niet geschonden. Verzet ongegrond

  • ECLI:NL:TGZRSGR:2021:11 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag 2020-037

    Gegronde klacht tegen een bedrijfsarts. Het college is van oordeel dat beklaagde de grenzen van een redelijk bekwame beroepsbeoefening fors heeft overschreden. Beklaagde heeft bij het zich vormen van zijn oordeel over de door hem gestelde werkissues de andersluidende opvatting van de eerste bedrijfsarts van beklaagde niet betrokken. Beklaagde heeft verder ten onrechte geen aanleiding gezien om zijn oordeel tenminste voorwaardelijk te maken in afwachting van de bevindingen van de ingeschakelde GGZ-psycholoog. Hij heeft evenmin contact gehad met de huisarts van klaagster. Het college acht in dit geval aangewezen om niet te volstaan met een berisping, maar beklaagde de maatregel van een voorwaardelijke schorsing op te leggen. Daarvoor is in de eerste plaats van belang dat beklaagde door zijn handelen en meer in het bijzonder zijn onverkort vasthouden aan zijn diagnose dat sprake was van een arbeidsconflict en zijn advies tot snelle werkhervatting, het herstelproces van klaagster zeker heeft belemmerd. Daardoor is zijn optreden contraproductief geweest. In de tweede plaats verwijt het college beklaagde dat hij aanvankelijk geen verweer heeft gevoerd. Pas bij dupliek heeft beklaagde summierlijk inhoudelijk gereageerd. Daarmee heeft beklaagde zich onvoldoende toetsbaar opgesteld. Tenslotte verwijt het college beklaagde dat hij, ondanks de diagnose van de psychiater en het intensieve behandeltraject dat klaagster ondergaat, ook ter zitting niet onder ogen heeft willen zien dat klaagster ziek is. Klacht gegrond verklaard. Voorwaardelijke schorsing voor de duur van zes maanden met een proeftijd van twee jaar.

  • ECLI:NL:TGZRSGR:2021:12 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag 2020-021

    Kennelijk ongegronde klacht tegen een bedrijfsarts. Klaagster vindt dat haar chronische ziekte niet is erkend als beroepsziekte. Beklaagde heeft in haar verweerschrift uiteengezet dat zij geen beroepsziekte bij klaagster heeft geconstateerd. Volgens beklaagde hebben de burn-out ofwel psychische klachten grondslag in diverse zaken en zijn deze niet werkgerelateerd. De fibromyalgie en de later erbij gekomen diagnoses retropatellaire chondropathie (beschadiging aan het kraakbeen achter de knieschijf) en tendinopathie aan de handen (peesklachten) zijn niet als beroepsziekten aangeduid omdat deze geen gevolg zijn van de uitvoering van de werkzaamheden door klaagster. Het College oordeelt dat beklaagde op goede gronden tot deze beoordeling heeft kunnen komen. Het College is na lezing van de stukken in het dossier van beklaagde en de FML van oordeel dat de diagnoses niet zijn aangepast en dat deze op juiste wijze in de FML zijn verwerkt. Klacht kennelijk ongegrond verklaard.

  • ECLI:NL:TGZRSGR:2021:1 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag 2020-032

    Ongegronde klacht tegen een arts. Klager stelt, kort samengevat, dat beklaagde ondanks duidelijke symptomen van een ernstige vernauwing van het ruggenmerg geen juiste diagnose heeft gesteld en voor klager ten onrechte geen spoed-MRI heeft aangevraagd. Het College concludeert dat beklaagde op basis van haar onderzoek en de gedane waarnemingen op dat moment niet tot de diagnose cervicale myelopathie behoefde te komen of vanwege de toen bij klager aanwezige symptomen moest overgaan tot een spoed-MRI. Er waren op dat moment geen duidelijke klachten of verschijnselen die wijzen op een beknelling van het ruggenmerg. Klacht ongegrond verklaard.

  • ECLI:NL:TGZRZWO:2021:1 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Zwolle 007/2020

    Verzekeringsarts mist lichamelijke problematiek van cliënte en stelt bijgevolg geen beperkingen op dat terrein. Heeft verder als mogelijke diagnose zonder onderbouwing (ASS?) vermeld; die vermelding is tijdens de tuchtprocedure verwijderd. Onzorgvuldig handelen; waarschuwing.