Zoekresultaten 81-90 van de 47374 resultaten

  • ECLI:NL:TGZRSHE:2026:83 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg 's-Hertogenbosch H2025/8053

    Ongegronde klacht tegen een huisarts. Klaagster, echtgenote van de overleden patiënt, verwijt de huisarts dat geen aanvullend onderzoek (bloedonderzoek en röntgenfoto) is verricht, dat de patiënt ten onrechte met de diagnose griep/COPD-exacerbatie naar huis is gestuurd en dat sprake was van onheuse bejegening.Het tuchtcollege oordeelt dat de huisarts op basis van anamnese en lichamelijk onderzoek in redelijkheid tot haar diagnose en beleid kon komen en dat aanvullend onderzoek niet geïndiceerd was. De gestelde onheuse bejegening kan niet worden vastgesteld. Alle klachtonderdelen zijn ongegrond.

  • ECLI:NL:TADRSGR:2026:91 Raad van Discipline 's-Gravenhage 25-626/DH/DH

    Verzet ongegrond.

  • ECLI:NL:TADRSGR:2026:98 Raad van Discipline 's-Gravenhage zaak 25-881/DH/RO

    Raadsbeslissing. Klacht over de eigen advocaat in een arbeidsrechtelijk geschil. Het stond verweerder vrij om geen procedure te starten omdat hij vond dat het causaal verband onvoldoende bewezen kon worden. Ook is het begrijpelijk dat verweerder geen procedure wilde starten over onderwerpen waarover al finale kwijting was verleend. Verweerder was niet gehouden om werkzaamheden te verrichten voordat de eigen bijdrage was betaald. Klacht ongegrond.

  • ECLI:NL:TGZRSHE:2026:84 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg 's-Hertogenbosch H2025/8095

    Klaagster heeft ernstige psychische problemen en wordt in 2024 met een zorgmachtiging opgenomen in een psychiatrische instelling. Zij dient een klacht in tegen de psychiater over maatregelen die op een specifieke dag zijn genomen, zoals het innemen van haar telefoon, en dat sprake is van gebrekkig overleg, intimidatie, onjuiste uitspraken over autisme en onjuiste dossiervoering. Het tuchtcollege acht de klacht ongegrond. De maatregelen die zijn ingezet waren gerechtvaardigd, proportioneel en zorgvuldig, er was geen sprake van intimidatie of onjuiste uitspraken over autisme en het dossier is correct bijgehouden.

  • ECLI:NL:TGZCTG:2026:92 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag C2025/2973

    Klacht tegen een huisarts. Klager heeft door de huisarts een kleine, donkere, onderhuidse zwelling op zijn bovenbeen laten verwijderen. Uit pathologisch onderzoek bleek dat dit een dermatofibroom was. Klager verwijt de huisarts onder meer dat hij een onjuiste diagnose heeft gesteld en een onjuiste behandeling heeft uitgevoerd. Het Regionaal Tuchtcollege heeft de klacht in al haar onderdelen kennelijk ongegrond verklaard. Het Centraal Tuchtcollege verwerpt het beroep tegen deze beslissing.

  • ECLI:NL:TADRSGR:2026:92 Raad van Discipline 's-Gravenhage 26-144/DH/DH

    Voorzittersbeslissing. Klacht over een piketadvocaat. Hoewel fysieke aanwezigheid van de advocaat bij een verhoor sterk de voorkeur verdient, is telefonische bijstand niet klachtwaardig. De rol van de advocaat tijdens een verhoor is om ervoor te zorgen dat de rechten van de verdachte zijn gewaarborgd, dat hij niet onder oneigenlijke druk wordt gezet en dat het verhoor ordentelijk verloopt. Als dat zo is, is ingrijpen van de advocaat niet nodig. Klacht kennelijk ongegrond.

  • ECLI:NL:TAHVD:2026:137 Hof van Discipline 's Gravenhage 250426

    Klacht over de advocaat van de wederpartij. Geen strijd met ne-bis-in-idembeginsel omdat de klacht van klaagster niet gelijk is aan een eerdere klacht waarop onherroepelijk is beslist. De onderhavige klacht heeft betrekking op een ander document dat door verweerster in een andere procedure tussen klaagster en de cliënte van verweerster in het geding is gebracht. Het indienen van de klacht is evenmin in strijd met de beginselen van behoorlijk tuchtprocesrecht. Klaagster is ontvankelijk; de klacht wordt ook in beroep door het hof ongegrond verklaard.

  • ECLI:NL:TAHVD:2026:131 Hof van Discipline 's Gravenhage 250343

    Bekrachtiging beslissing raad. Klacht over de dienstverlening door verweerder en de wijze waarop verweerder die dienstverlening vormgeeft qua inhoud en qua communicatie. De dienstverlening in de zaak van klaagster was ondermaats en het hof is met de raad van oordeel dat verweerder daarin op verschillende manieren is tekortgeschoten. Mede rekening houdend met de beide andere tuchtzaken tegen verweerder waarin gelijktijdig is beslist, volgt de maatregel van schrapping van het tableau (zie beslissing 250246D).

  • ECLI:NL:TAHVD:2026:138 Hof van Discipline 's Gravenhage 250467

    Beklag artikel 13 Advocatenwet ongegrond. De deken heeft op goede gronden geweigerd om aan klagers herhaalde verzoek te voldoen. Zij heeft eerder een advocaat aangewezen voor het hoger beroep dat klager wilde instellen tegen een vonnis van de kantonrechter. Dat de aangewezen advocaat na het geven van een procesadvies klager niet heeft willen bijstaan omdat een hoger beroep naar verwachting zou leiden tot bevestiging van het vonnis in eerste aanleg, is geen reden voor aanwijzing van een nieuwe advocaat. Van belang is in dit geval dat de aangewezen advocaat de beslissing heeft gebaseerd op een inhoudelijk voldoende onderbouwd procesadvies. Het hof is daarbij niet gebleken van de door klager gestelde “ondermijnende voorwaarden” die volgens klager aan de eerdere aanwijzing zouden zijn verbonden.

  • ECLI:NL:TAHVD:2026:132 Hof van Discipline 's Gravenhage 260025

    Beklag artikel 13 Advocatenwet ongegrond. De deken kan alleen overgaan tot aanwijzing van een advocaat als de verzoeker de deken voldoende informatie geeft om te kunnen beoordelen wat voor procedure gevoerd moet worden en of zo’n procedure voldoende kans van slagen heeft. Dat betekent dat het op de weg van klaagster ligt om concreet, aan de hand van feiten, aan te geven wat de procedure is die zij wil voeren en de aanvullende informatie ter onderbouwing van die procedure, waar de deken om heeft verzocht, in te dienen. Dat alles heeft klaagster niet gedaan. Het hof kan uit de van klaagster ontvangen gegevens niet veel meer opmaken dan dat klaagster -anders dan de deken- van mening is dat haar verzoek voldoende duidelijk is en voldoende onderbouwd, maar tegelijkertijd wordt ook vastgesteld dat klaagster zelfs het processtuk waar het allemaal om gaat niet ter beschikking wil stellen. Het hof heeft uit alle stukken niet kunnen afleiden wat het geschil is waarvoor klaagster een kort geding wenst te entameren en is daarom met de deken van oordeel dat klaagster haar verzoek niet voldoende heeft onderbouwd.Het is het hof voorts niet gebleken dat de deken de inspanningsverplichting om zelf een advocaat te vinden verkeerd heeft uitgelegd. Uit het dossier blijkt niet dat klaagster voldoende inspanningen heeft verricht om zelf een advocaat te vinden. Klaagster miskent dat de aanwijzingsbevoegdheid van de deken een vangnetvoorziening is, die pas in werking treedt als de rechtzoekende eerst zelf (aantoonbare) initiatieven heeft genomen om een advocaat te vinden.Tenslotte overweegt het hof dat het in artikel 6, eerste lid, van het EVRM neergelegde recht op toegang tot een rechter niet absoluut is, maar aan verschillende beperkingen mag worden onderworpen. Dergelijke beperkingen mogen het recht op toegang tot de rechter niet in essentie aantasten, maar moeten een gerechtvaardigd doel dienen en moeten proportioneel zijn aan dat doel. Het Nederlandse wettelijk systeem is daarmee niet in strijd (vgl. ABRvS 11 mei 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1243 en HvD, 20 maart 2017, ECLI:NL:TAHVD:2017:52). Dit systeem levert ook geen schending van enige andere verdragsbepaling op (zie HvD 8 mei 2018 ECLI:NL:TAHVD:2018:79). Ook in dit geval komt de beslissing van de deken niet in strijd met artikel 6 EVRM omdat, ook wanneer rechtsbijstand noodzakelijk is om het recht op toegang tot de rechter effectief te doen zijn, de aanspraak daarop niet onbegrensd is.