Zoekresultaten 11-20 van de 46660 resultaten

  • ECLI:NL:TAHVD:2026:51 Hof van Discipline 's Gravenhage 250373

    Beklag artikel 13. De deken heeft het verzoek om aanwijzing van een advocaat afgewezen. De deken heeft aan de afwijzende beslissing ten grondslag gelegd dat de tijd die resteerde tot het einde van de termijn voor het indienen van het wrakingsverzoek waarvoor om een advocaat is gevraagd te kort was. Daarnaast is het volgens de deken aan de opstelling van klagers te danken dat hun vorige advocaat zich heeft onttrokken. Het hof heeft het beklag ongegrond verklaard, de termijn voor het indienen van het wrakingsverzoek is inmiddels (ruimschoots) verstreken. Klagers hebben geen belang meer bij aanwijzing van een advocaat voor het indienen van het wrakingsverzoek. De door klagers in het beklag genoemde inhoudelijke gronden, die door de deken zijn weersproken, behoeven bij gebrek aan enig belang geen nadere bespreking meer.

  • ECLI:NL:TADRAMS:2026:25 Raad van Discipline Amsterdam 25-900/A/A

    Voorzittersbeslissing; klacht over de advocaat wederpartij kennelijk ongegrond voor zover deze gaat over het verwijt dat verweerder vertrouwelijk informatie over klager heeft gebruikt. Verweerder heeft onderbouwd toegelicht dat deze informatie relevant was voor de vorderingen van zijn cliënte. Dat verweerder met het opnemen van deze informatie (waarvan afgevraagd moet worden waarom klager deze als vertrouwelijk bestempelt), de belangen van klager op nodeloze en ontoelaatbare wijze heeft geschaad is niet gebleken. De klacht is overigens kennelijk niet-ontvankelijk vanwege het ontbreken van een rechtstreeks belang.

  • ECLI:NL:TAHVD:2026:52 Hof van Discipline 's Gravenhage 250361

    Beklag artikel 13. De deken heeft het verzoek tot aanwijzing van een advocaat afgewezen. Aan de afwijzende beslissing is ten grondslag gelegd dat de procedure die klaagster wil voeren geen redelijke kans van slagen heeft. Het hof heeft geoordeeld dat de deken terecht heeft opgemerkt dat de verwijten van klaagster over het optreden van mr. V. betrekking hebben op hetzelfde feitencomplex als waarover de tuchtrechter reeds heeft beslist en dat een aansprakelijkheidsprocedure tegen mr. V. daarom geen redelijke kans van slagen heeft.

  • ECLI:NL:TADRAMS:2026:26 Raad van Discipline Amsterdam 25-899/A/A

    Voorzittersbeslissing; kennelijk ongegronde klacht over de advocaat wederpartij. Van het bewust verschaffen van onjuiste informatie of van grievende uitlatingen is geen sprake.

  • ECLI:NL:TAHVD:2026:53 Hof van Discipline 's Gravenhage 250336

    Het hof stelt vast dat de voorzitter bij zijn beoordeling van de juiste en volledige feiten is uitgegaan. De voorzitter heeft echter ten onrechte (ook) het ne-bis-in-idembeginsel als maatstaf gehanteerd. Weliswaar heeft klager eerder over verweerder geklaagd, maar deze klacht is nog niet uitgemond in een onherroepelijke beslissing.Verzet tegen voorzittersbeslissing waarbij de klacht niet is verwezen ongegrond. De maatstaf die de voorzitter had moeten aanleggen is naar het oordeel van het hof louter die van de behoorlijke tuchtprocesorde. Naar het oordeel van het hof verdraagt de onderhavige klacht zich daar niet mee. De klacht van klager ziet namelijk deels op hetzelfde handelen dan wel nalaten van verweerder als genoemd in de eerdere klacht van klager, zoals de voorzitter terecht heeft overwogen. Dat volgens klager de klacht van 19 september 2025 een aanzienlijk ruimere strekking heeft dan de klacht van 3 juni 2023, laat onverlet dat de tweede klacht deels is gebaseerd op hetzelfde feitencomplex. Voor de beoordeling van het verwijzingsverzoek is van belang dat de mogelijkheid om de klacht aan de tuchtrechter voor te leggen, teneinde daar te betogen dat het onderzoek van verweerder ontoereikend en/of onzorgvuldig is geweest, voorhanden was en dat klager daarvan gebruik heeft gemaakt Dat is het geval. De raad heeft immers op 12 mei 2025 uitspraak gedaan in de zaak 24-801/AL/NN en klager heeft tegen deze beslissing hoger beroep ingesteld bij het hof. Het hof zal hier uitspraak op doen. Het hof sluit zich aan bij de voorzitter waar deze oordeelt dat het niet aangaat om in een nog lopende procedure een ‘tegenklacht’ tegen verweerder in te dienen die ziet op hetzelfde feitencomplex. Naar het oordeel van het hof is hier sprake van de situatie dat klager het klachtrecht gebruikt voor een ander doel dan waarvoor het bedoeld is. Gelet hierop slaagt het beroep van klager op de beslissing van het hof van 6 juni 2024, ECLI:NL:TAHVD:2024:136, niet.

  • ECLI:NL:TADRAMS:2026:20 Raad van Discipline Amsterdam 25-436/A/A

    Raadsbeslissing. Klacht over advocaat van de wederpartij in familiekwestie. Hoewel verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld door de e-mail met daarin een voorstel tot beëindiging van de procedure zonder toestemming van de advocaat van klager aan de rechtbank over te leggen, ziet de raad in de gegeven omstandigheden aanleiding af te zien van het opleggen van een maatregel. De raad kan volgen waarom verweerder dat heeft gedaan en waarom hij de inhoud van de e-mail verkeerd heeft ingeschat. De aard en ernst van de beperkte verwijtbaarheid van verweerder rechtvaardigen in dit geval dan ook geen maatregel. Gegrond zonder maatregel.

  • ECLI:NL:TADRAMS:2026:27 Raad van Discipline Amsterdam 25-897/A/A

    Voorzittersbeslissing; kennelijk ongegronde klacht over de advocaat wederpartij in een familierechtzaak (ontbinding van een samenlevingsovereenkomst). Van het bewust vertragen of laten escaleren van het geschil is niet gebleken.

  • ECLI:NL:TAHVD:2026:48 Hof van Discipline 's Gravenhage 250337

    Verzoek tot inschrijving als advocaat. Klager heeft in juli 2025 een herhaald verzoek tot inschrijving als advocaat gedaan bij de Raad van de Orde. De raad heeft primair besloten het verzoek tot inschrijving niet in behandeling te nemen omdat op een eerder verzoek van klager van juli 2024 nog niet onherroepelijk is beslist. Subsidiair heeft de raad geweigerd het verzoek tot inschrijving in behandeling te nemen op grond van artikel 4 lid 1b Advocatenwet (hierna: Advw). Op grond van artikel 2 lid 9 Advw wordt een nieuw verzoek door de raad buiten behandeling gelaten, indien dit is ingediend binnen een jaar nadat de beslissing van de raad (de weigering van het in behandeling nemen van de inschrijving) op het eerdere verzoek onherroepelijk is geworden. Omdat de beslissing van de raad op het eerdere verzoek van klager van juli 2024 op het moment van indienen van het verzoek in juli 2025 nog niet onherroepelijk was geworden, heeft de raad het verzoek van juli 2025 buiten behandeling gelaten. Tegen het buiten behandeling laten van een verzoek tot inschrijving op grond van artikel 2 lid 9 Advw staat, anders dan bij een weigering om een verzoek tot inschrijving in behandeling te nemen, op grond van het bepaalde in artikel 4 lid 1 Advw, echter niet de mogelijkheid van beklag open. Het hof verklaart het beklag dan ook niet-ontvankelijk. Het hof komt niet toe aan een inhoudelijke behandeling van het beklag voor zover het zich richt tegen de subsidiaire weigering van het verzoek door de raad op grond van artikel 4 lid 1onder b Advw.

  • ECLI:NL:TNORSHE:2026:4 Kamer voor het notariaat 's-Hertogenbosch SHE-2025-18

    Gecompliceerde levering van onroerende zaken, die waren belast met hypotheken en executoriale beslagen. Vormerkung. Klaagster (koper) stelde uit hoofde van een vordering op de verkoper en een in verband daarmee gevestigd pandrecht ook gerechtigd te zijn tot een deel van de verkoopopbrengst van deze onroerende zaken. Wegens risico van benadeling van schuldeisers stelt de notaris nadere eisen aan taxatierapporten, waarna de eerder overeengekomen koopprijs van een pand wordt verhoogd. Nadat in kort geding vervolgens afspraken waren gemaakt over de verdeling van de verkoopopbrengst, heeft de notaris de akten van levering gepasseerd en de verkoopopbrengst (na aflossing van de hypotheken) tussen de twee beslagleggers verdeeld naar rato van hun vorderingen. Klacht m.b.t. vervallen van Vormerkung en negeren van gestelde pandrecht niet-ontvankelijk bij gebrek aan redelijk belang. Klacht verder ongegrond. I.v.m. het grote verschil in getaxeerde waarden heeft de notaris juist zorgvuldig gehandeld door aanvullende vragen te stellen over de reële waarde van het pand. Niet gebleken dat na het kort geding andere afspraken zijn gemaakt dan in het proces-verbaal van die zitting zijn vastgelegd: de notaris heeft deze op de juiste wijze uitgevoerd. Wijze van declareren is gezien omvang en complexiteit van de werkzaamheden niet buitensporig en/of onbehoorlijk. Van een notaris kan niet worden verlangd dat deze tijdens de looptijd van een dossier regelmatig onderzoek doet in de openbare registers als daarvoor geen aanleiding is.

  • ECLI:NL:TAHVD:2026:49 Hof van Discipline 's Gravenhage 240221

    Verzoek tot inschrijving als advocaat. Klager heeft in juli 2024 een herhaald verzoek tot inschrijving als advocaat gedaan bij de Raad van Orde Rotterdam. De raad heeft primair besloten op grond van artikel 2 lid 9 Advocatenwet (hierna: Advw) het verzoek buiten behandeling te laten, omdat het nieuwe verzoek is ingediend binnen een jaar nadat zijn eerdere verzoek om inschrijving definitief is geworden. Subsidiair heeft de raad geweigerd het verzoek tot inschrijving in behandeling te nemen op grond van artikel 4 lid 1 onder b Advw. Op grond van artikel 2 lid 9 Advw wordt een nieuw verzoek door de raad buiten behandeling gelaten, indien dit is ingediend binnen een jaar nadat de beslissing van de raad (de weigering van het in behandeling nemen van het verzoek tot inschrijving) op het eerdere verzoek onherroepelijk is geworden. Omdat het verzoek van klager (van juli 2024) binnen een jaar na de beslissing van de raad (van november 2023) op het eerdere verzoek van klager van april 2023 is ingediend, heeft de raad het verzoek van juli 2024 buiten behandeling gelaten. Tegen het buiten behandeling laten van een verzoek tot inschrijving binnen de termijn van artikel 2 lid 9 Advw staat, anders dan bij een weigering om een verzoek tot inschrijving in behandeling te nemen, op grond van het bepaalde in artikel 4 lid 1 Advw , echter niet de mogelijkheid van beklag open. Het hof verklaart het beklag dan ook niet-ontvankelijk. Het hof komt niet toe aan een inhoudelijke behandeling van het beklag voor zover het zich richt tegen de subsidiaire weigering van het verzoek door de raad op grond van artikel 4 lid 1 onder b Advw.