ECLI:NL:TGZRAMS:2026:108 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Amsterdam A2025/8826

ECLI: ECLI:NL:TGZRAMS:2026:108
Datum uitspraak: 12-05-2026
Datum publicatie: 12-05-2026
Zaaknummer(s): A2025/8826
Onderwerp: Onjuiste behandeling/verkeerde diagnose
Beslissingen: Ongegrond, kennelijk ongegrond
Inhoudsindicatie: Kennelijk ongegronde klacht tegen een huisarts. Klaagster verwijt de huisarts dat zij tijdens een consult geen onderzoek heeft gedaan naar haar buikklachten en haar onvoldoende zorg heeft verleend. Daarnaast verwijt zij de huisarts dat zij haar (en haar zus) tijdens dat consult respectloos en onprofessioneel heeft bejegend. Naar het oordeel van het college heeft de huisarts op een goed te volgen wijze gehandeld. Niet is gebleken dat de huisarts onvoldoende onderzoek heeft gedaan, een onjuist beleid heeft bepaald, onvoldoende en onjuist heeft genoteerd in het medisch dossier en onvoldoende informatie heeft gegeven. Onprofessionele bejegening kan evenmin worden vastgesteld. Alle klachtonderdelen kennelijk ongegrond.

A2025/8826

REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG AMSTERDAM

Beslissing in raadkamer van 12 mei 2026 op de klacht van:

A,
wonende in B, klaagster,
gemachtigde: C, zus van klaagster,

tegen

D,
huisarts,
werkzaam in E,
verweerster, hierna ook: de huisarts,
gemachtigde: mr. V.C.A.A.V. Daniels, werkzaam te Utrecht.

1. De zaak in het kort
1.1   Klaagster verwijt de huisarts – samengevat – dat zij tijdens het consult van 14 juli 2025 
geen onderzoek heeft gedaan naar haar buikklachten en haar niet de zorg heeft verleend die van haar 
als huisarts verwacht mocht worden. Daarnaast verwijt klaagster de huisarts dat zij haar (en haar 
zus) tijdens dat consult respectloos en onprofessioneel heeft bejegend.

1.2   Het college komt tot het oordeel dat de klacht kennelijk ongegrond is. ‘Kennelijk’ betekent 
dat het niet nodig is om nog vragen aan de partijen te stellen en dat duidelijk is dat de klacht 
niet gegrond kan worden verklaard. Hierna vermeldt het college eerst hoe de procedure is verlopen. 
Daarna licht het college de beslissing toe.

2. De procedure
2.1  Het college heeft de volgende stukken ontvangen:
-  het klaagschrift met bijlage, ontvangen op 24 juli 2025;
-  het verweerschrift met bijlage;
-  het proces-verbaal van het mondelinge vooronderzoek, gehouden op 20 januari 2026.

2.2   Het college heeft de klacht in raadkamer behandeld. Dit betekent dat het college de zaak 
beoordeeld heeft op basis van de stukken, zonder dat de partijen daarbij aanwezig waren.

3. De feiten

3.1   Sinds oktober 2023 komt klaagster met buikpijn klachten bij de huisarts. In de periode daarna 
heeft de huisarts verschillende onderzoeken in gang gezet. Een duidelijke oorzaak voor de klachten 
kon niet worden vastgesteld. Klaagster is onder meer verwezen voor onderzoek door een MDL arts, 
waarvoor een aanzienlijke wachttijd geldt. Op 14 juli 2025, een maand voordat zij door de MDL arts 
gezien zou worden, komt klaagster weer bij de huisarts met klachten van buikpijn die zijn 
toegenomen.

3.2   Tijdens het consult van 14 juli 2025 wordt klaagster vergezeld door haar zus. De huisarts 
heeft over het consult het volgende in het medisch dossier genoteerd:
“S Op su met zus, pijn in de buik wordt opeens veel S erger, moet nog 1 mnd wachten met buikpijn,
S k=houdt dit niet vol wil eerder gezien worden.
S geen koorts, niets verkeerds gegeven. wil niet dat S zus nog 1 mnd wacht met deze klachten, 
vraagt om S een spoedbeoordeling.
O Niet acuut ziek, houdt haar buik vast, Emotioneel, O Ad np soele drukpijn li bo buik, geen 
defense of
O parp wrst, CRP<5 E Buikpijn Li bo buik
P Op uitdrukkelijk verzoek gemeld met dd MDL P F/SFG echter beiden niet beschikbaar, adv
P is het na 1 uur opnieuw te proberen.
P – opnieuw gebed met dd MDL, klinkt niet als
P spoed, adv orienterend lab indien gb het aan te P kijken, dan wel symptomatisch behandelen;
P herstarten ppi.
P – pt gebeld bovenstaand besproken gaat akk P Verwezezn naar LAB: Star-shl, Star-shl”

4. De klacht en de reactie van de huisarts
4.1  Klaagster verwijt de huisarts dat zij:
a) onzorgvuldig heeft gehandeld tijdens het consult van 14 juli 2025 doordat zij onvoldoende 
onderzoek heeft gedaan, een onjuist beleid heeft bepaald, onvoldoende en onjuist heeft genoteerd in 
het medisch dossier en onvoldoende informatie heeft gegeven;
b) klaagster tijdens het consult van 14 juli 2025 respectloos en onprofessioneel heeft bejegend.

4.2  De huisarts heeft het college verzocht de klacht ongegrond te verklaren.

4.3  Het college gaat hierna verder in op de standpunten van partijen.

5. De overwegingen van het college

De criteria voor de beoordeling
5.1.  De vraag is of de huisarts de zorg heeft verleend die van haar verwacht mocht worden. De norm 
daarvoor is een redelijk bekwame en redelijk handelende huisarts. Bij de beoordeling wordt rekening 
gehouden met de voor de huisarts geldende beroepsnormen en andere professionele standaarden.

5.2.  Het college oordeelt dat de huisarts niet tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld en zal 
hierna de klachtonderdelen gezamenlijk bespreken.

5.3.  Klaagster verwijt de huisarts dat zij tijdens het consult op 14 juli 2025 concrete stappen 
had moeten ondernemen om klaagster te helpen met de verergerde pijn in haar buik. Zo heeft de 
huisarts niet haar koorts of saturatie gemeten. Volgens klaagster had de huisarts een 
urineonderzoek kunnen laten uitvoeren, eerder met de MDL-arts moeten bellen en klaagster door 
moeten verwijzen naar de SEH. Klaagster voelde zich niet serieus genomen door de huisarts. 
Klaagster heeft hieraan toegevoegd dat de huisarts klaagsters geschiedenis met de auto-immuunziekte 
SLE heeft veronachtzaamd.

5.4.  De huisarts heeft in haar verweerschrift en tijdens het mondeling vooronderzoek toegelicht 
dat zij in de jaren voor het consult van 14 juli 2025 veel onderzoeken heeft laten uitvoeren om 
klaagster te helpen met haar buikpijnklachten. Voorafgaand aan het consult van 14 juli 2025 heeft 
klaagster een jaar lang geen buikpijnklachten bij de huisarts gemeld. Tijdens het consult heeft de 
huisarts naar haar inzicht de juiste stappen gezet op basis van haar bevindingen tijdens dat 
consult.

5.5.  Het college oordeelt dat de huisarts tijdens het consult van 14 juli 2025 op een voor het 
college goed te volgen wijze heeft gehandeld. Het is naar het oordeel van het college dan ook 
begrijpelijk dat de huisarts, in het licht van de naderende afspraak bij de MDL-arts, heeft gekeken 
naar alarmsignalen bij de klachten van klaagster. Daartoe heeft zij wel degelijk klaagsters buik 
onderzocht, klaagster bevraagd naar haar klachten en de ontstekingswaarde in het bloed gemeten. Het 
college oordeelt dat er op dat moment niet meer onderzoek van de huisarts verwacht kon worden dan 
zij heeft uitgevoerd en dat er op dat moment ook geen aanleiding was voor de huisarts om 
bijvoorbeeld de SEH of de MDL-arts te bellen. De huisarts heeft, om klaagster en haar zus tegemoet 
te komen, toch contact gezocht met een MDL-arts en deze heeft bovendien haar beleid bevestigd. Dat 
de huisarts onvoldoende onderzoek heeft gedaan, een onjuist beleid heeft bepaald, onvoldoende en 
onjuist heeft genoteerd in het medisch dossier en onvoldoende informatie heeft gegeven is het 
college dan ook niet gebleken. De auto immuun aandoening van klaagster maakt dit niet anders. Voor 
deze aandoening was zij onder controle bij een reumatoloog, die eerder met het beleid van de 
huisarts had ingestemd. Evenmin kan het college op basis van het dossier vaststellen dat de 
huisarts klaagster en haar zus tijdens het consult onprofessioneel zou hebben bejegend. Uit het 
proces-verbaal van het mondeling vooronderzoek is bovendien gebleken dat de huisarts, ondanks de gespannen sfeer tijdens het consult, toch professioneel is gebleven en heeft geprobeerd om zo goed mogelijk voor klaagster te kijken welke mogelijke oorzaak kon zijn voor het verergeren van klaagsters buikklachten.

Slotsom
5.6.  Uit de overwegingen hiervoor volgt dat alle onderdelen van de klacht kennelijk ongegrond 
zijn.

6. De beslissing

De klacht is in al haar onderdelen kennelijk ongegrond.

Deze beslissing is gegeven op 12 mei 2026 door G.F.H. Lycklama à Nijeholt, voorzitter, R.P. Wijne, 
lid-jurist, I. Weenink, A. Wewerinke en M.C. Wolfs-Smits, leden-beroepsgenoten,
bijgestaan door V.K.M. Hanssen, secretaris.