ECLI:NL:TGZRAMS:2026:109 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Amsterdam A2025/9102

ECLI: ECLI:NL:TGZRAMS:2026:109
Datum uitspraak: 12-05-2026
Datum publicatie: 12-05-2026
Zaaknummer(s): A2025/9102
Onderwerp: Onjuiste behandeling/verkeerde diagnose
Beslissingen: Ongegrond/afwijzing
Inhoudsindicatie: Ongegronde klacht tegen een huisarts. Klaagster verwijt de huisarts dat hij bij een consult de indruk gaf dat hij haast had en dat hij fouten heeft gemaakt bij de injectie met Kenacort. De opmerking die de huisarts maakte was misschien niet zo handig, maar het is niet gebleken dat hij klaagster opzettelijk onder druk heeft willen zetten om zich te haasten. Bij het injecteren van Kenacort in de bilspier is er een kleine kans op complicaties, ook al is de injectie op een correcte manier toegediend. Het college heeft niet kunnen vaststellen dat de huisarts fouten heeft gemaakt. Beide klachtonderdelen zijn ongegrond.

A2025/9102

REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG AMSTERDAM

Beslissing van 12 mei 2026 op de klacht van:

A,
wonende in B, klaagster,

tegen

C,
huisarts,
destijds werkzaam in D, verweerder, hierna ook: de huisarts,
gemachtigde: mr. M.H.M. Mook, werkzaam te Leusden.

1. De zaak in het kort
1.1   Klaagster had op 18 juli 2024 een consult bij de huisarts wegens ontstekingsklachten door 
gonartrose. De huisarts heeft klaagster toen in haar bilspier en injectie gegeven met Kenacort. 
Klaagster verwijt de huisarts dat hij tijdens dit consult kortaf tegen haar was door haar te zeggen 
dat hij het druk had, en dat hij een fout heeft gemaakt bij het injecteren, omdat zij vrijwel 
direct daarna hevige pijn kreeg op de geïnjecteerde plek, en die plek vervolgens ernstig ontstoken 
is geraakt. Uiteindelijk moest een chirurgische ingreep plaatsvinden. De huisarts heeft aangevoerd 
dat hij klaagster niet heeft willen opjagen aan het begin van het consult. Hij vindt het erg dat 
klaagster zoveel klachten aan de injectie heeft overgehouden maar is van mening dat hij zorgvuldig 
heeft gehandeld.

1.2   Het college komt tot het oordeel de huisarts niet tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft 
gehandeld. Hierna vermeldt het college eerst hoe de procedure is verlopen. Daarna licht het college 
de beslissing toe.

2. De procedure
2.1  Het college heeft de volgende stukken ontvangen:
-  het klaagschrift met bijlagen, ontvangen op 9 oktober 2025
-  het verweerschrift met bijlagen;
-  de brief van klaagster van 25 januari 2026 met als bijlage een verklaring van de
assistente van de huisartsenpraktijk.

2.2   De partijen hebben de gelegenheid gekregen om onder leiding van een secretaris van het 
college met elkaar in gesprek te gaan tijdens een mondeling vooronderzoek. Daarvan hebben zij geen 
gebruik gemaakt.

2.3   De zaak is behandeld op de openbare zitting van 31 maart 2026. Klaagster en de huisarts waren 
aanwezig, de huisarts werd bijgestaan door zijn gemachtigde.

3. De feiten
3.1  Klaagster heeft zich op 18 juli 2024 tot de huisarts gewend wegens klachten over gonartrose.

3.2  Voordat het consult begon heeft de huisarts een opmerking gemaakt over dat het consult ook 
daadwerkelijk moest beginnen.

3.3   Om de ontstekingsklachten van klaagster te verminderen heeft de huisarts klaagster tijdens 
het consult een injectie gegeven in de bilspier met Kenacort.

3.4   Vier dagen na het consult meldde klaagster zich opnieuw bij de huisarts omdat zij ernstige 
klachten had bij de plek waar zij was geïnjecteerd. De huisarts stelde vast dat de plek rood en 
ontstoken was, de ontsteking is vervolgens behandeld met de antibioticakuur flucloxacilline. Na 
meerdere opvolgende consulten heeft de huisarts klaagster op 7 augustus 2024 verwezen naar een 
dermatoloog. Een daarna gemaakte echo wees uit dat er op de plek waar de injectie was gezet een 
negen centimeter diep abces was ontstaan.

3.5  Na de chirurgische verwijdering van het abces ondervindt klaagster nog steeds veel last van de 
gebeurtenissen.

4. De klacht en de reactie van de huisarts
4.1  Klaagster verwijt de huisarts dat hij
a)   bij het consult van 18 juli 2024 klaagster de indruk gaf dat hij haast had;
b)   fouten heeft gemaakt bij de injectie met Kenacort.

4.2  De huisarts heeft het college verzocht de klacht ongegrond te verklaren.

4.3  Het college gaat hierna verder in op de standpunten van partijen.

5. De overwegingen van het college
5.1   Het is duidelijk dat klaagster heel veel nare gevolgen heeft ondervonden door de injectie met 
Kenacort en dat zelfs een chirurgische ingreep nodig was. Het college heeft op de zitting gemerkt 
dat klaagster ook nu nog, anderhalf jaar later, dagelijks pijn heeft en dat haar leven door de 
gebeurtenissen veranderd is. De vraag is of dit de huisarts kan worden verweten.

5.2   Meer concreet is de vraag of de huisarts de zorg heeft verleend die van hem verwacht mocht 
worden. De norm daarvoor is een redelijk bekwame en redelijk handelende huisarts.

Klachtonderdeel a) de opmerkingen die de huisarts gemaakt heeft
5.3   Voordat klaagster op 18 juli 2024 bij de huisartsenpost de behandelkamer inging, stond zij te 
praten met de assistente van de huisartsenpraktijk. Klaagster heeft gezegd dat de huisarts toen zou 
hebben gezegd dat hij haast had en dat zij zich daardoor opgejaagd voelde. Dit wordt bevestigd in 
de schriftelijke verklaring van de assistente van de huisartsenpraktijk, waarin de assistente 
schrijft dat de huisarts tegen klaagster zei “kom, ik heb haast”. Tijdens de zitting heeft de 
huisarts gezegd dat het zou kunnen dat hij deze of soortgelijke woorden heeft gebruikt, omdat het 
tijd was voor het consult en hij het gesprek tussen klaagster en de assistente daarom wilde 
onderbreken, maar dat hij dit grappend bedoeld heeft en klaagster daarbij niet heeft willen 
opjagen. Het college heeft de indruk dat de opmerking van de huisarts misschien niet zo handig was, 
maar dat hij die heeft gemaakt zonder kwade bijbedoelingen. Dat hij klaagster opzettelijk onder 
druk heeft willen zetten om zich te haasten, is het college niet gebleken.

Klachtonderdeel b) de injectie met Kenacort
5.4   De injectie met Kenacort kan in de bilspier worden gegeven of in het kniegewricht. De 
huisarts heeft ervoor gekozen om de injectie in de bilspier te geven. Bij het injecteren van 
Kenacort in de bilspier kan in tussen de 0,1 en 1 procent van de gevallen een abces ontstaan, ook 
al is de injectie op een correcte manier toegediend. Dit kan helaas ook de gevolgen opleveren die 
klaagster heeft ondervonden. Klaagster heeft aangevoerd dat de huisarts een fout moet hebben 
gemaakt, en dat zij vond dat de huisarts lang bezig was met het voorbereiden van de injectie. Toen 
zij onopgemerkt even om de hoek van de behandelkamer keek omdat zij het zo lang vond duren heeft 
zij de huisarts iets horen zeggen over een andere naald. Het college verbindt hieraan niet de 
gevolgen die klaagster heeft genoemd. Voor het toedienen van de injectie is een andere -steriele- 
naald juist vereist. Het college heeft niet vastgesteld dat de huisarts fouten heeft gemaakt.

5.5   Klaagster heeft nog gewezen op de verklaring van de assistente van de huisartsenpraktijk dat 
er ook andere patiënten waren die dit soort ernstige complicaties kregen na een injectie door de 
huisarts. De huisarts heeft tijdens de zitting bevestigd dat hij naderhand heeft gehoord dat een 
andere patiënt ook ernstige klachten kreeg na een door de huisarts toegediende injectie. Nog 
afgezien daarvan dat de assistente daarbij geen namen heeft willen noemen, vindt het college haar 
verklaring niet van doorslaggevende betekenis. Zoals gezegd, is er helaas altijd een kleine kans op 
complicaties bij een injectie met Kenacort in de bilspier. Bovendien heeft de huisarts verklaard 
dat hij achteraf met de praktijkhouder heeft onderzocht waarom de gevolgen zo ernstig konden zijn, 
maar dat zij niets hebben kunnen ontdekken.

5.6   Het college concludeert dat er in deze zaak sprake is van een onfortuinlijke samenloop van 
omstandigheden, die voor klaagster zeer vervelende gevolgen heeft gehad en helaas nog steeds heeft. 
Er is echter geen sprake van tuchtrechtelijke verwijtbaarheid.
 

Slotsom

5.7  Uit de overwegingen hiervoor volgt dat de klacht ongegrond is.

6. De beslissing
Het college verklaart de klacht ongegrond.

Deze beslissing is gegeven door G.F.H. Lycklama à Nijeholt, voorzitter, R.P. Wijne, lid-jurist,
I. Weenink, A. Wewerinke en M.C. Wolfs-Smits, leden-beroepsgenoten, bijgestaan door
V.K.M. Hanssen, secretaris, en in het openbaar uitgesproken op 12 mei 2026.