Zoekresultaten 13601-13650 van de 47966 resultaten
-
ECLI:NL:TAHVD:2002:1 Hof van Discipline 's-Hertogenbosch 210086
- Datum publicatie: 13-04-2021
- Datum uitspraak: 09-04-2002
- ECLI:NL:TAHVD:2002:1
Kennelijk niet-ontvankelijk beroep. Klaagster is te laat in hoger beroep gekomen. Dat de raad de beslissing niet aan haar maar aan haar zoon had toegestuurd, ligt in haar risicosfeer. Uit haar proces-verbaal van de raad blijkt dat zij zelf had verzocht de beslissing aan haar zoon te sturen. Daarbij wist klaagster op welke datum de raad een beslissing zou geven.
-
ECLI:NL:TAHVD:2021:60 Hof van Discipline 's-Hertogenbosch 200221
- Datum publicatie: 13-04-2021
- Datum uitspraak: 09-04-2021
- ECLI:NL:TAHVD:2021:60
Het hoger beroep is beperkt tot de klacht voor zover deze betrekking heeft op de behartiging van de belangen van klaagster. Het hof sluit zich aan bij de beoordeling van de raad en neemt die over. Verweerder heeft in opdracht van de bewindvoerder van klaagster een kort geding tegen de kinderen van klaagster aanhangig gemaakt en ontruiming van de woning van klaagster door de kinderen gevorderd. Verweerder mocht daarbij afgaan op de opdracht en de informatie die de bewindvoerder hem verstrekte, tenzij dat niet in het belang van klaagster zou zijn. Met de raad is het hof van oordeel dat niet vastgesteld kan worden dat verweerder de belangen van klaagster niet naar behoren heeft behartigd. Bekrachtiging van de beslissing van de raad, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen.
-
ECLI:NL:TAHVD:2021:61 Hof van Discipline 's-Hertogenbosch 200246
- Datum publicatie: 13-04-2021
- Datum uitspraak: 12-04-2021
- ECLI:NL:TAHVD:2021:61
Tussenbeslissing. Klacht tegen eigen advocaat. De raad heeft verweerster de maatregel van berisping opgelegd en 8 van de 11 klachtonderdelen gegrond verklaard. Verweerster heeft hiertegen beroep aangetekend. Allereerst laakt het hof de wijze waarop verweerster haar voorlichtingsplicht wat betreft het aanvragen en verkrijgen van door de overheid gefinancierde rechtsbijstand jegens klager ernstig heeft verzaakt. Ten tweede acht het hof het zeer kwalijk dat verweerster naast de toevoeging die zij bij de Raad voor Rechtsbijstand heeft gedeclareerd, op uurbasis honorarium bij de cliënt in rekening heeft gebracht. Dit is in strijd met de gedragsregels. Gestelde onwetendheid met deze basisregel van het stelsel van door de overheid gefinancierde rechtshulp, wat daar ook van zij, is daarvoor op geen enkele wijze een rechtvaardiging. Daarnaast is klaagster tekortgeschoten over de processtrategie helder en duidelijk met klager te communiceren. Gelet op de ernst van de gedragingen overweegt het hof dat de door de raad opgelegde maatregel van een berisping hem vooralsnog te licht voorkomt. Een, al dan niet (deels) voorwaardelijke, schorsing ligt hierbij meer in de rede. Teneinde zich een oordeel te kunnen vormen over welke voorwaarde(n) passend en geboden zijn, heeft het hof nadere informatie bij verweerster opgevraagd.
-
ECLI:NL:TAHVD:2021:62 Hof van Discipline 's-Hertogenbosch 210032
- Datum publicatie: 13-04-2021
- Datum uitspraak: 12-04-2021
- ECLI:NL:TAHVD:2021:62
Artikel 13 beklag. Nu het aanwijzingsverzoek in zaaknummer 210044 gelijkluidend is aan het aanwijzingsverzoek in deze zaak en ook het beklag in beide zaken dezelfde strekking heeft, wordt verwezen naar de overwegingen in de beslissing van 29 maart 2021 gewezen onder zaaknummer 210044. Het beklag wordt ongegrond verklaard.
-
ECLI:NL:TGZRZWO:2021:45 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Zwolle 149/2020
- Datum publicatie: 12-04-2021
- Datum uitspraak: 12-04-2021
- ECLI:NL:TGZRZWO:2021:45
Klacht tegen gynaecoloog. Bij een laparoscopische baarmoederverwijdering is ureterletsel ontstaan. Complicatie, geen verwijtbar fout. Geen verwijt betreffend informed consent. Klacht ongegrond
-
ECLI:NL:TGDKG:2021:26 kamer voor gerechtsdeurwaarders Amsterdam C/13/678427 / DW RK 20/24 LvB/SM
- Datum publicatie: 12-04-2021
- Datum uitspraak: 09-04-2021
- ECLI:NL:TGDKG:2021:26
Beslissing op verzet. De voorzittersbeslissing blijft niet-ontvankelijk, want het betreft hier hetzelfde feitencomplex als in een eerdere klacht van klager tegen de gerechtsdeurwaarder. Verzet ongegrond.
-
ECLI:NL:TGZRZWO:2021:46 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Zwolle 148/2020
- Datum publicatie: 12-04-2021
- Datum uitspraak: 12-04-2021
- ECLI:NL:TGZRZWO:2021:46
klacht tegen collega-tandarts. Het college acht klager geen belanghebbende voor zover de klacht ziet op de diagnostiek bij en informatieverschaffing aan een individuele patiënt van beklaagde. Datzelfde geldt voor de klacht dat beklaagde geen zelfinzicht toont en dat hij een gewoonte zou maken van het misleiden van patiënten voor parodontologie. In zoverre is de klacht niet-ontvankelijk. Het college acht de klacht ongegrond voor zover deze betrekking heeft op het vermeende bedrog dat beklaagde zou hebben gepleegd door een patiënt een valse verklaring te laten opstellen en deze in te brengen in een tuchtrechtelijke procedure tegen klager. Bedrog of valsheid is niet aannemelijk geworden en beklaagde mocht in een tuchtprocedure bewijs inbrengen van zijn stellingen.
-
ECLI:NL:TGDKG:2021:21 kamer voor gerechtsdeurwaarders Amsterdam C/13/676025 / DW RK 19/635 LvB/SM
- Datum publicatie: 12-04-2021
- Datum uitspraak: 19-03-2021
- ECLI:NL:TGDKG:2021:21
Klacht ongegrond. Het te laat indienen van het verzoek(schrift) tot verkoop van beslagen aandelen, zodat de beslagen niet zouden komen te vervallen, kan de gerechtsdeurwaarder niet worden aangerekend nu dit niet tot zijn taak/opdracht behoorde. De gerechtsdeurwaarder heeft het verzoekschrift weliswaar opgesteld voor klaagster, maar het waren de (voormalige) advocaten van klaagster die voor tijdige indiening dienden zorg te dragen.
-
ECLI:NL:TGDKG:2021:22 kamer voor gerechtsdeurwaarders Amsterdam C/13/679229 DW RK 20/47 LvB/SM
- Datum publicatie: 12-04-2021
- Datum uitspraak: 19-03-2021
- ECLI:NL:TGDKG:2021:22
Klacht gedeeltelijk gegrond. Maatregel: één week schorsing. De gerechtsdeurwaarder heeft naar willekeur gehandeld en lijkt op geen verantwoordelijkheid te hebben willen nemen om een deugdelijk executoriaal proces van inbeslagname, bewaring en executieverkoop)te willen voeren. De gerechtsdeurwaarder is inconsequent gebleken in zijn optreden en onzorgvuldig ten aanzien van de aankondiging met betrekking tot de executoriale openbare verkoop, terwijl hij geacht wordt te weten dat bij de inzet van een ingrijpend middel als beslag uiterste zorgvuldigheid mag worden gevergd. De gerechtsdeurwaarder is tevens veroordeeld in de proceskosten.
-
ECLI:NL:TGDKG:2021:23 kamer voor gerechtsdeurwaarders Amsterdam C/13/685389 / DW RK 20/293 LvB/SM
- Datum publicatie: 12-04-2021
- Datum uitspraak: 19-03-2021
- ECLI:NL:TGDKG:2021:23
Beslissing op verzet. Klager beklaagt zich er – onder meer – over dat de gerechtsdeurwaarder niet reageert op correspondentie van klager. De kamer is het met de beslissing van de voorzitter eens en verklaard het verzet tegen die beslissing ongegrond.
-
ECLI:NL:TADRAMS:2021:56 Raad van Discipline Amsterdam 21-028/A/A
- Datum publicatie: 12-04-2021
- Datum uitspraak: 12-04-2021
- ECLI:NL:TADRAMS:2021:56
Toewijzing verzoek ex artikel 60b Advocatenwet. Verweerster is naar het oordeel van de raad niet langer in staat jeugdzorg-gerelateerde zaken met een professionele, open blik en met oog voor alle betrokken belangen te bekijken en in die zaken adequate en effectieve rechtsbijstand te verlenen. De raad bepaalt daarom bij wijze van voorzieningen dat verweerster alle thans door haar behandelde jeugdzorg-gerelateerde zaken binnen een week na deze beslissing neerlegt, deze zaken waar nodig binnen een week na deze beslissing overdraagt aan een opvolgend advocaat en voor onbepaalde tijd geen nieuwe jeugdzorg-gerelateerde zaken aanneemt of behandelt dan wel daarbij betrokken is, waarbij onder jeugdzorg-gerelateerde zaken in ieder geval wordt verstaan: zaken en procedures tegen (onderdelen van) jeugdzorginstellingen en alle familierechtelijke, civielrechtelijke, bestuursrechtelijke en strafrechtelijke zaken – tegen welke partij dan ook – die verband houden met jeugdzorg.
-
ECLI:NL:TGDKG:2021:25 kamer voor gerechtsdeurwaarders Amsterdam C/13/680145 / DW RK 20/84 LvB/SM
- Datum publicatie: 12-04-2021
- Datum uitspraak: 19-03-2021
- ECLI:NL:TGDKG:2021:25
Beslissing op verzet. Tegenover de (gemotiveerde) verklaring van klager dat het exploot niet aan hem betekend is (of kan zijn geweest) heeft de gerechtsdeurwaarder slechts ingebracht geen herinneringen te hebben aan de betekening. Deze omstandigheid brengt met zich mee dat de gerechtsdeurwaarder evenmin kan bevestigen dat het exploot (wel) correct aan klager is uitgebracht. Het verzet is gegrond. De beslissing van de voorzitter wordt vernietigd. Aan de gerechtsdeurwaarder wordt de maatregel van berisping opgelegd en wordt zij in de kosten van de procedure veroordeeld. *****UITSPRAAK IN HOGER BEROEP: 21 december 2021, ECLI:NL:GHAMS:2021:3944. Het hof:- vernietigt de bestreden beslissing;en, opnieuw beslissende:- verklaart de klacht ongegrond. *****
-
ECLI:NL:TGZCTG:2021:68 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag C2020.061
- Datum publicatie: 09-04-2021
- Datum uitspraak: 09-04-2021
- ECLI:NL:TGZCTG:2021:68
Klacht tegen een huisarts. Klager is de zoon van zijn inmiddels overleden moeder. De huisarts was destijds de opleider van een arts in het derde jaar van de opleiding die ten tijde van de klacht bij hem in de praktijk werkzaam was en tegen wie klager ook een klacht heeft ingediend. De collega huisarts (in opleiding) zag de moeder van klager in de laatste levensfase met orgaan falen. In overleg met de verzorgenden heeft zij een comfortbeleid afgesproken om het sterven draaglijk te maken. Een deel van de medicatie is in verband daarmee gestaakt. Klager verwijt de huisarts dat de medicatie van moeder is beëindigd zonder voorafgaand overleg met hem en zonder hem daarover te informeren. Klager acht de huisarts als opleider medeverantwoordelijk. Bovendien was hij de vaste huisarts van moeder. Het Regionaal Tuchtcollege acht de klacht kennelijk ongegrond. Het Centraal Tuchtcollege verwerpt het beroep van klager.
-
ECLI:NL:TGZCTG:2021:69 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag C2020.158
- Datum publicatie: 09-04-2021
- Datum uitspraak: 09-04-2021
- ECLI:NL:TGZCTG:2021:69
Klaagster is bekend met hersenschade en de ziekte van Lyme. Voorts lijdt klaagster aan het posturaal orthostatisch tachycardia syndroom waarbij er te weinig bloed in haar hoofd komt als zij rechtop staat of zit. Het UWV heeft vastgesteld dat klaagster arbeidsvermogen heeft en haar Wajong uitkering verlaagd van 75 naar 70 procent. Klaagster heeft hiertegen bezwaar gemaakt. De aangeklaagde verzekeringsarts heeft een bezwaargeneeskundige rapportage uitgebracht. Het UWV heeft het bezwaar vervolgens ongegrond verklaard. Hiertegen heeft klaagster beroep aangetekend. Hangende dit beroep is klaagster gezien door een klinisch psycholoog die PTSS bij klaagster heeft gediagnosticeerd. Het rapport van de klinisch psycholoog is door de rechtbank meegenomen bij de beoordeling en heeft het beroep van klaagster ongegrond verklaard. Hiertegen heeft klaagster beroep aangetekend bij de Centrale Raad van Beroep. Dit beroep is nog aanhangig. Klagers verwijten de verzekeringsarts dat hij de beoordeling van de klinisch psycholoog met ongeldige en onjuiste argumenten ter zijde heeft geschoven en daarmee onprofessioneel en onverantwoord heeft gehandeld. Door de handelswijze van de verzekeringsarts zijn de PTSS klachten van klaagster sterk toegenomen. De diagnose PTSS is volgens klagers door een bevoegde en bekwame klinisch psycholoog gesteld en gebaseerd op objectieve gegevens.
-
ECLI:NL:TGZCTG:2021:70 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag C2020.173
- Datum publicatie: 09-04-2021
- Datum uitspraak: 09-04-2021
- ECLI:NL:TGZCTG:2021:70
Klacht tegen huisarts. De klacht heeft betrekking op de niet tijdigheid van de verwijzing naar een neuroloog, de inhoud van de verwijsbrief naar mdl-artsen, het aandringen op casemanagement binnen de huisartsenpraktijk, het verstrekken van onjuiste informatie aan het tuchtcollege en het achterhouden van een deel van het medisch dossier bij overdracht hiervan aan de opvolgend huisarts. Het Regionaal Tuchtcollege heeft de klacht kennelijk ongegrond verklaard. Het Centraal Tuchtcollege verwerpt het beroep van klager.
-
ECLI:NL:TGZRAMS:2021:38 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Amsterdam 2020/256
- Datum publicatie: 09-04-2021
- Datum uitspraak: 09-04-2021
- ECLI:NL:TGZRAMS:2021:38
Verweerster, Wlz-verpleegkundige, wordt onder andere verweten dat zij zorg heeft geweigerd door geen Volledig Pakket Thuis te regelen voor betrokkene. Klacht kennelijk ongegrond.
-
ECLI:NL:TGZCTG:2021:71 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag C2020.200
- Datum publicatie: 09-04-2021
- Datum uitspraak: 09-04-2021
- ECLI:NL:TGZCTG:2021:71
Klacht tegen huisarts. Gemiste diagnose. Klager heeft in het weekend drie keer de centrale huisartsenpost heeft bezocht, waar hij is gezien door drie verschillende waarnemend huisartsen. Aanleiding voor deze contacten was steeds borstkasklachten. Klager is niet naar het ziekenhuis verwezen voor nader hartonderzoek. De dinsdag daarop bleek dat klager een semi-recent myocardinfarct had doorgemaakt. De hier beklaagde huisarts heeft klager in de weekenddienst - als tweede - gezien. Klager verwijt de huisarts dat onvoldoende onderzoek is gedaan waardoor de diagnose hartinfarct is gemist. Het Regionaal Tuchtcollege heeft de klacht ongegrond verklaard met publicatie van de beslissing in geanonimiseerde vorm. Het Centraal Tuchtcollege verklaart de klacht alsnog gegrond en legt een waarschuwing op met geanonimiseerde publicatie.
-
ECLI:NL:TACAKN:2021:26 Accountantskamer Zwolle 19/1793 Wtra AK
- Datum publicatie: 09-04-2021
- Datum uitspraak: 09-04-2021
- ECLI:NL:TACAKN:2021:26
Controle jaarrekening van een NV die juridisch is gefuseerd met een LLP. Activa en passiva van de NV zijn (kort na balansdatum) overgedragen aan nieuw opgerichte tak van de LLP, die activiteiten van de NV voortzet. Klaagster is uittredend aandeelhoudster van de NV; er is een conflict ontstaan, onder meer over de vordering van klaagster op de NV. De overdracht van de activa en passiva is een transactie na balansdatum met belangrijke gevolgen voor de NV. De toelichting op de jaarrekening en het bestuursverslag maakt melding van een juridische omzetting, maar dat is niet verenigbaar met een activa- en passivatransactie. Dat een deel van de passiva, waaronder de schuld aan klaagster, is achtergebleven blijkt niet, en evenmin de omvang daarvan. Uit het bestuursverslag blijkt verder niet wat de toekomst van de NV is. Klaagster heeft betrokkene gewezen op de tekortkoming in de toelichting op de jaarrekening en het bestuursverslag en heeft gevraagd de goedkeurende verklaring in te trekken of te herzien. Betrokkene heeft in eerste instantie in overleg met het bestuur van de NV geprobeerd te komen tot een gewijzigde concepttekst, maar heeft de oude tekst gehandhaafd nadat klaagster opmerkingen had bij de nieuwe tekst omdat de jaarrekening een getrouw beeld zou geven. Betrokkene heeft zich onvoldoende professioneel-kritisch opgesteld ten aanzien van de hem verstrekte informatie. Het controledossier bevat niet de afwegingen die betrokkene heeft gemaakt ten aanzien van de financiële gevolgen van de activa-passivatransactie, of de toelichting in het bestuursverslag voldoende duidelijk maakt of de NV is overgedragen en dat er nog geen besluit is over de toekomst van de NV. Betrokkene had moeten aandringen op het wijzigen van het bestuursverslag en had daar niet op moeten terugkomen. Klacht gegrond wegens niet het naleven fundamentele beginsel van vakbekwaamheid en zorgvuldigheid. Maatregel: berisping.
-
ECLI:NL:TGZCTG:2021:66 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag C2020.030
- Datum publicatie: 09-04-2021
- Datum uitspraak: 09-04-2021
- ECLI:NL:TGZCTG:2021:66
Klacht tegen huisarts. Klaagster is bekend met schizofrenie waarvoor zij werd behandeld met depot medicatie. Klaagster is op eigen initiatief gestopt met deze medicatie en verwijt verweerder met name dat hij haar niet goed heeft begeleid door na te laten te adviseren niet met de medicatie te stoppen en haar niet over de risico’s daarvan te informeren. Het Regionaal Tuchtcollege heeft de klacht ongegrond verklaard. Het Centraal Tuchtcollege verwerpt het beroep van klaagster.
-
ECLI:NL:TGZCTG:2021:67 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag C2020.060
- Datum publicatie: 09-04-2021
- Datum uitspraak: 09-04-2021
- ECLI:NL:TGZCTG:2021:67
Klacht tegen een huisarts, destijds arts in het derde jaar van de opleiding tot huisarts. Klager is de zoon van zijn inmiddels overleden moeder. De huisarts zag de moeder in de laatste levensfase met orgaan falen. In overleg met de verzorgenden heeft de huisarts een comfortbeleid afgesproken om het sterven draaglijk te maken. Een deel van de medicatie is gestaakt. Klager verwijt de huisarts dat de medicatie van zijn moeder is beëindigd zonder voorafgaand overleg met klager en zonder hem daarover te informeren. Het Regionaal Tuchtcollege acht de klacht kennelijk ongegrond. Het Centraal Tuchtcollege verwerpt het beroep van klager.
-
ECLI:NL:TADRSGR:2021:52 Raad van Discipline 's-Gravenhage 20-865/DH/RO/D
- Datum publicatie: 07-04-2021
- Datum uitspraak: 01-02-2021
- ECLI:NL:TADRSGR:2021:52
Beslissing naar aanleiding van dekenbezwaar. Verweerster heeft in haar uitlatingen jegens een wederpartij en zijn advocaat en jegens de deken blijk gegeven van onvoldoende professionaliteit en distantie. Daarnaast heeft zij meermaals geen medewerking verleend aan een -voorhaar aangepast- kantoorbezoek. Zij heeft daarmee onbetamelijk gehandeld jegens die wederpartij, zijn advocaat en de deken en de deken gefrustreerd in zijn toezichthoudende taak. Verweerster heeft geen enkele blijk gegeven van inzicht in het onbetamelijke van haar handelen. De raad acht het daarom geïndiceerd om een maatregel op te leggen, waarbij consequenties zullen volgen indien verweerster nogmaals de tuchtrechtelijke grens overgaat en/of haar medewerking aan een kantoorbezoek blijft weigeren. De raad legt een voorwaardelijke schorsing van twee maanden op, met als bijzondere voorwaarde dat verweerster op eerste verzoek van de deken meewerkt aan een kantoorbezoek door de deken.
-
ECLI:NL:TADRSGR:2021:46 Raad van Discipline 's-Gravenhage 20-768/DH/DH
- Datum publicatie: 07-04-2021
- Datum uitspraak: 22-03-2021
- ECLI:NL:TADRSGR:2021:46
Klacht over de eigen advocaat in een familierechtzaak. De psychotherapeut van klager heeft contact gezocht met verweerster om de noodklok te luiden over de emotionele veiligheid van de kinderen en zijn voornemen om een melding te doen bij veilig thuis. Verweerster heeft na een verzoek hiertoe van klager toegezegd om contact op te nemen met de psychotherapeut, maar heeft dit vervolgens niet gedaan. Dit is onzorgvuldig; verweerster heeft niet kunnen beoordelen of de psychotherapeut beschikte over relevante informatie. Verweerster heeft daarnaast haar uurtarief bedongen voor het te voeren overleg met de therapeut. Zij heeft miskend dat dit overleg zou vallen onder het bereik van de toevoeging, omdat de therapeut zou kunnen beschikken over relevante informatie. De klacht is gegrond en leidt tot een waarschuwing. De raad heeft in aanmerking genomen dat verweerster advocaat-stagiaire is en veelvuldig overleg heeft gevoerd over de kwestie met haar patroon.
-
ECLI:NL:TADRSGR:2021:53 Raad van Discipline 's-Gravenhage 20-937/DH/RO
- Datum publicatie: 07-04-2021
- Datum uitspraak: 08-03-2021
- ECLI:NL:TADRSGR:2021:53
Verweerder heeft niet gereageerd op de klacht tijdens het dekenonderzoek. Verweerder heeft tijdens de zitting voor het eerst van zich laten horen. De raad heeft de klacht aangevuld met dit punt, het niet reageren. De klacht is op dit onderdeel gegrond en voor het overige ongegrond. Waarschuwing.
-
ECLI:NL:TADRSGR:2021:47 Raad van Discipline 's-Gravenhage 20-999/DH/RO
- Datum publicatie: 07-04-2021
- Datum uitspraak: 15-03-2021
- ECLI:NL:TADRSGR:2021:47
Raadsbeslissing. Klacht over de advocaat van de wederpartij in alle onderdelen ongegrond. Verweerder was niet gehouden zorg te dragen voor opheffing van het executoriale beslag. Niet gebleken dat verweerder bij herhaling dezelfde vordering heeft ingediend. Verweerder heeft onzorgvuldig gehandeld door klager niet te informeren over de intrekking van het hoger beroep. Klager is hierdoor echter niet in enig (tuchtrechtelijk) belang geschaad.
-
ECLI:NL:TADRSGR:2021:41 Raad van Discipline 's-Gravenhage 20-904/DH/RO
- Datum publicatie: 07-04-2021
- Datum uitspraak: 22-03-2021
- ECLI:NL:TADRSGR:2021:41
Klacht tegen de eigen advocaat over de kwaliteit van dienstverlening ongegrond.
-
ECLI:NL:TADRSGR:2021:54 Raad van Discipline 's-Gravenhage 20-821/DH/RO
- Datum publicatie: 07-04-2021
- Datum uitspraak: 08-03-2021
- ECLI:NL:TADRSGR:2021:54
Verweerder heeft klaagster aan haar lot overgelaten door een echtscheidingszaak in behandeling te nemen, maar klaagster vervolgens niet op de hoogte te houden. Onduidelijk is wat verweerder voor klaagster heeft gedaan en wat de huidige stand van zaken in de echtscheidingszaak is. Verweerder is al geruime tijd onbereikbaar voor klaagster. Verweerder heeft klaagster hierdoor ernstig benadeeld. Het nalaten van verweerder raakt aan de kernwaarden kwaliteit en integriteit en is daarom onbetamelijk. Bij het bepalen van de maatregel heeft de raad rekening gehouden met de omstandigheid dat bij de raad twee recente zaken bekend zijn waarin verweerder zich schuldig heeft gemaakt aan nagenoeg dezelfde gedraging. Hoewel de raad ervan op de hoogte is dat verweerder zich recent heeft laten uitschrijven van het tableau, zal de raad aan verweerder de maatregel van schorsing in de uitoefening van de praktijk voor de duur van twaalf weken opleggen.
-
ECLI:NL:TADRSGR:2021:48 Raad van Discipline 's-Gravenhage 20-998/DH/RO
- Datum publicatie: 07-04-2021
- Datum uitspraak: 15-03-2021
- ECLI:NL:TADRSGR:2021:48
Raadsbeslissing. Klacht over de kwaliteit van dienstverlening in alle onderdelen ongegrond. Niet gebleken dat verweerster niet haar best heeft gedaan of de zaak bewust heeft verpest.
-
ECLI:NL:TADRSGR:2021:42 Raad van Discipline 's-Gravenhage 20-762/DH/RO
- Datum publicatie: 07-04-2021
- Datum uitspraak: 22-03-2021
- ECLI:NL:TADRSGR:2021:42
Klacht over de kwaliteit van dienstverlening. Ongegrond.
-
ECLI:NL:TADRSGR:2021:55 Raad van Discipline 's-Gravenhage 20-593/DH/DH
- Datum publicatie: 07-04-2021
- Datum uitspraak: 08-03-2021
- ECLI:NL:TADRSGR:2021:55
Verzet ongegrond
-
ECLI:NL:TADRSGR:2021:49 Raad van Discipline 's-Gravenhage 20-906/DH/DH
- Datum publicatie: 07-04-2021
- Datum uitspraak: 15-03-2021
- ECLI:NL:TADRSGR:2021:49
Raadsbeslissing. Klacht over de advocaat van de wederpartij in alle onderdelen ongegrond. Verweerder heeft een feitelijk onjuiste mededeling gedaan aan de rechtbank. Tegelijkertijd was verweerders redenering niet onbegrijpelijk en is het de raad niet gebleken dat klager nadeel heeft ondervonden van het handelen van verweerder. Dat verweerder voorafgaand aan de zitting alleen in de zittingszaal is geweest met de arbiter is onhandig geweest, maar niet meer dan dat.
-
ECLI:NL:TADRSGR:2021:43 Raad van Discipline 's-Gravenhage 20-307/DH/DH
- Datum publicatie: 07-04-2021
- Datum uitspraak: 22-03-2021
- ECLI:NL:TADRSGR:2021:43
Verzet ongegrond
-
ECLI:NL:TADRSGR:2021:56 Raad van Discipline 's-Gravenhage 20-291/DH/DH
- Datum publicatie: 07-04-2021
- Datum uitspraak: 08-03-2021
- ECLI:NL:TADRSGR:2021:56
Verzet ongegrond
-
ECLI:NL:TADRSGR:2021:50 Raad van Discipline 's-Gravenhage 20-601/DH/DH
- Datum publicatie: 07-04-2021
- Datum uitspraak: 15-03-2021
- ECLI:NL:TADRSGR:2021:50
Verzet ongegrond.
-
ECLI:NL:TADRSGR:2021:44 Raad van Discipline 's-Gravenhage 20-988/DH/RO/TUL
- Datum publicatie: 07-04-2021
- Datum uitspraak: 22-03-2021
- ECLI:NL:TADRSGR:2021:44
Tenuitvoerlegging eerder opgelegde voorwaardelijke schorsing
-
ECLI:NL:TADRSGR:2021:51 Raad van Discipline 's-Gravenhage 20-712/DH/DH
- Datum publicatie: 07-04-2021
- Datum uitspraak: 15-03-2021
- ECLI:NL:TADRSGR:2021:51
Raadsbeslissing. Klacht over de kwaliteit van dienstverlening in alle onderdelen ongegrond. Niet gebleken dat verweerder onvoldoende met klager heeft gecommuniceerd. Niet tuchtrechtelijk verwijtbaar dat een vordering van klager niet verder is opgepakt. Verweerder is voldoende serieus omgegaan met de zorgen die klager geuit heeft, waarbij wordt opgemerkt dat klager in zijn berichten onvoldoende expliciet heeft aangegeven dat hij verweerder (mede) verantwoordelijk achtte voor de bij klager ontstane zorgen over de zaak.
-
ECLI:NL:TADRSGR:2021:45 Raad van Discipline 's-Gravenhage 20-905/DH/RO
- Datum publicatie: 07-04-2021
- Datum uitspraak: 22-03-2021
- ECLI:NL:TADRSGR:2021:45
Verweerder heeft een civiele procedure ingesteld tegen klager, zijn cliënt, over de betaling van facturen. De kantonrechter heeft de facturen gematigd en de vordering gedeeltelijk toegewezen. Klager heeft uitvoering gegeven aan het vonnis. Verweerder heeft hoger beroep ingesteld, waarna op verzoek van klager een schikking is getroffen. De klacht dat klager voor verweerder onder druk is gezet om de schikking te treffen is ongegrond.
-
ECLI:NL:TADRSGR:2021:40 Raad van Discipline 's-Gravenhage 20-491/DH/RO
- Datum publicatie: 06-04-2021
- Datum uitspraak: 01-03-2021
- ECLI:NL:TADRSGR:2021:40
Verzet ongegrond
-
ECLI:NL:TGZRGRO:2021:9 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Groningen G2020/28
- Datum publicatie: 06-04-2021
- Datum uitspraak: 06-04-2021
- ECLI:NL:TGZRGRO:2021:9
Klacht tegen huisarts. Klager is in 2019 aan zijn wervelkolom geopereerd. De klacht heeft betrekking op de zorgverlening door beklaagde na de operatie. Klager verwijt beklaagde a) dat de door hem geregelde eerstelijnsopvang onder de maat was, b) dat er is geen wondcontrole is geweest en het verband werd niet verschoond, c) dat beklaagde in de kerstvakantie niet bereikbaar was, d) dat beklaagde geen goed medicijn wist voor te schrijven tegen duizeligheid, e) dat beklaagde geweigerd heeft slaapmedicatie voor te schrijven, f) beklaagde onjuiste informatie in het dossier heeft opgenomen, g) dat beklaagde zonder klagers toestemming de zorg heeft overgedragen aan een collega en h) dat beklaagde zich onvoldoende heeft ingespannen om informatie te vergaren over het verloop van de operatie in het ziekenhuis waar deze had plaatsgevonden. Het college is van oordeel dat geen van de klachtonderdelen slaagt. De klacht is kennelijk ongegrond.
-
ECLI:NL:TDIVTC:2021:2 Veterinair Tuchtcollege 's-Gravenhage 2020/17
- Datum publicatie: 06-04-2021
- Datum uitspraak: 19-03-2021
- ECLI:NL:TDIVTC:2021:2
Klacht tegen twee dierenartsen met betrekking tot een bij een paard geplaatst oogimplantaat en de verleende zorg na die ingreep. Ten aanzien van beide dierenartsen ongegrond.
-
ECLI:NL:TDIVTC:2021:3 Veterinair Tuchtcollege 's-Gravenhage 2019/68
- Datum publicatie: 06-04-2021
- Datum uitspraak: 31-03-2021
- ECLI:NL:TDIVTC:2021:3
Dierenarts wordt verweten met betrekking tot het afleveren van antibiotica op een varkensbedrijf niet te hebben gehandeld conform de vigerende wet- en regelgeving en de zorgvuldige beroepsuitoefening. Gegrond. Volgt voorwaardelijke boete van € 750.
-
ECLI:NL:TGZRGRO:2021:10 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Groningen G2020/20
- Datum publicatie: 06-04-2021
- Datum uitspraak: 06-04-2021
- ECLI:NL:TGZRGRO:2021:10
Klacht tegen huisarts. Klager en zijn ex-echtgenote hebben gezamenlijk het ouderlijk gezag over hun dochter. Klagers ex-echtgenote is met de dochter naar de praktijk van beklaagde gegaan, omdat de dochter last van verstopping zou hebben. Aan de dochter is hiervoor een laxeermiddel als medicatie voorgeschreven. Klager herkende de verstoppingsklachten van de dochter niet en was van mening dat de medicatie ten onrechte was voorgeschreven. Hij zocht daarover telefonisch contact met de praktijk. Het eerste gesprek vond plaats met een assistente en het tweede met beklaagde. Klager verwijt beklaagde dat hij klager niet heeft meegenomen in de besluitvorming omtrent de voorgeschreven medicatie en dat hij klager tijdens het bewuste telefoongesprek onheus bejegend zou hebben. Het college verklaart het eerste klachtonderdeel ongegrond, omdat niet beklaagde maar een collega van hem de medicatie heeft voorgeschreven. Het tweede klachtonderdeel kan ook niet slagen, omdat partijen het niet eens over wat er precies allemaal is gezegd. Het college kan daardoor niet tot de vaststelling komen dat klagers weergave van het gesprek geheel juist is. De klacht is ongegrond.
-
ECLI:NL:TNORARL:2021:10 Kamer voor het notariaat Arnhem-Leeuwarden C/05/379874 / KL RK 20-137
- Datum publicatie: 06-04-2021
- Datum uitspraak: 06-04-2021
- ECLI:NL:TNORARL:2021:10
Klaagster was partner erflater in 10 jaar voorafgaand aan zijn overlijden. In levenstestament 20 september 2019 met haar medeweten benoemd tot algemeen gevolmachtigde en bij zijn testament van diezelfde datum tot zijn erfgename. Vaststaat ook dat erflater bij onderzoek in ziekenhuis heeft benoemd dat klaagster onder meer zijn erfgename is. Ook in zorgplan hospice juni 2020 staat klaagster vermeld als gevolmachtigde erflater. Het belang van klaagster bij een klacht over de werkwijze van de notaris bij het herroepen van het (levens)testament en opstellen van een (nieuw) testament staat daarmee dan ook vast. Gezien de omstandigheden van het geval is voor de beoordeling van belang klaagster bij klacht niet van doorslaggevend belang of het testament van september 2019 éénmaal, of zoals de notaris stelt maar niet onderbouwt, tweemaal is herroepen. Voor beoordeling wilsbekwaamheid erflater kan notaris zich slechts deels op geheimhouding beroepen, immers deze ziet slechts op de inhoud van en de aanleiding (voor de cliënt) voor de werkzaamheden en strekt zich niet uit tot de wijze waarop de notaris te werk is gegaan. De notaris wordt door deze tussenbeslissing in de gelegenheid gesteld zich op dit punt alsnog uit te laten.
-
ECLI:NL:TGZRSGR:2021:42 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag D2021/2412-2020-083
- Datum publicatie: 06-04-2021
- Datum uitspraak: 06-04-2021
- ECLI:NL:TGZRSGR:2021:42
Kennelijk ongegronde klacht tegen een kno-arts. Het college is van oordeel dat inzichtelijk is gemaakt dat beklaagde een indicatie had om de oordruppels voor te schrijven. Er was sprake van korstvorming op het trommelvlies en klaagster was bekend met recidiverende oorklachten en bovenste luchtweginfecties. Het dichtklappen van het oor na het plaatsen van een buisje kan erop duiden dat er nog sprake is van een actieve reactie (lees: ontsteking) van het middenoorslijmvlies. Verder is het bekend dat een trommelvliesbuisje een afstotingsreactie dan wel ontsteking teweeg kan brengen, dus zonder dat sprake is van een infectie, en kan leiden tot korstvorming. Gebruik van de oordruppels kan, gelet op het mogelijk langdurige karakter van herstel van de slijmvliesfunctie door de recidiverende luchtweginfecties, van toegevoegde waarde zijn en is een veelvoorkomende behandeling in de KNO-praktijk. Ook het verwijt dat beklaagde het risico op gehoorschade niet had mogen nemen omdat er geen indicatie bestond, treft geen doel. Voorts is het college van oordeel dat beklaagde geen verwijt kan worden gemaakt ter zake van de informatieplicht. De kans op gehoorschade door medicatie (ototoxiciteit) is, ook blijkens de bijsluiter, zeer gering, wordt in de dagelijkse KNO-praktijk zelden waargenomen en daarom meestal niet apart benoemd. De oordruppels worden beschouwd als de meest veilige en in combinatie met het gegeven dat klaagster bij eerder gebruik van de oordruppels geen bijwerkingen had, is er geen grond om van verwijtbaar medisch nalaten door beklaagde te kunnen spreken, hoe spijtig het ook is dat klaagster de zeldzame complicatie van gehoorschade ondervindt. De overige klachtonderdelen zijn ook ongegrond verklaard. Klacht kennelijk ongegrond verklaard.
-
ECLI:NL:TGZRGRO:2021:12 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Groningen G2019/106
- Datum publicatie: 06-04-2021
- Datum uitspraak: 06-04-2021
- ECLI:NL:TGZRGRO:2021:12
Klacht tegen huisarts. Klager meldt zich op de huisartsenpost met vermoedelijke oogontsteking. Hij verwijt de huisarts onder meer dat hij geen goede zorg heeft verleend en klager meteen had behoren door te sturen naar de oogarts. College: op basis van de bevindingen van dat moment mocht beklaagde uitgaan van een oppervlakkige ontsteking (conjunctivitis). Hij heeft bovendien als advies gegeven de volgende dag terug te komen indien de pijn zou aanhouden. Dat vier dagen later door de oogarts een keratitis werd vastgesteld en dat deze nog een lens in het oog aantrof, bewijst niet dat beklaagde dit reeds had kunnen en moeten vaststellen. Klacht ongegrond.
-
ECLI:NL:TGZRAMS:2021:41 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Amsterdam 2020/179
- Datum publicatie: 02-04-2021
- Datum uitspraak: 02-04-2021
- ECLI:NL:TGZRAMS:2021:41
REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG AMSTERDAM Beslissing naar aanleiding van de op 5 augustus 2020 binnengekomen klacht van: A , wonende te B, k l a g e r, gemachtigde: mr. P.F. Keuchenius, advocaat te Hoorn, tegen C , arts, werkzaam te D, v e r w e e r d e r, gemachtigde: mr. M.C. Hazenberg, verbonden aan VvAA Rechtsbijstand te Utrecht. 1. De procedure Het college heeft kennisgenomen van: - het klaagschrift met de bijlagen; - het verweerschrift met de bijlagen; - de correspondentie met betrekking tot het vooronderzoek; - het proces-verbaal van het op 16 december 2020 gehouden vooronderzoek. De klacht is op een openbare zitting behandeld. Partijen waren aanwezig. Klager werd bijgestaan door mr. P.F. Keuchenius, advocaat te Hoorn, en verweerder door mr. M.C. Hazenberg, verbonden aan VvAA Rechtsbijstand te Utrecht. 2. De feiten 2.1. Verweerder is als deskundige (psychiater) verbonden aan E te D. 2.2. Op 24 januari 2019 heeft de zoon van klager een verzoek tot onderbewindstelling ingediend met betrekking tot klager. 2.3. De kantonrechter van de Rechtbank Noord-Holland, locatie F heeft verweerder op 1 april 2020 benoemd tot deskundige om een onderzoek te doen naar de gezondheidstoestand van klager ter beantwoording van de vraag of klager in staat is ten volle zijn vermogensrechtelijke belangen zelf behoorlijk waar te nemen. 2.4. E heeft klager voorafgaand aan het onderzoek geïnformeerd, onder meer over het inzage-, correctie en blokkeringsrecht. Klager heeft op 24 juli 2019 een instemmingsformulier getekend. 2.5. Op 24 juli 2019 heeft verweerder klager voor het eerst gezien. Klager werd op dat moment begeleid door zijn schoonzoon. Verweerder heeft aangegeven klager zelf te willen spreken, waarmee de schoonzoon niet instemde. De bijeenkomst is toen beëindigd. 2.6. E heeft op 25 juli 2019 de rechtbank om advies gevraagd. De rechtbank heeft op 22 augustus 2019 aan de advocaat van klager laten weten dat het niet de bedoeling is dat een derde bij het onderzoek aanwezig is. De rechtbank heeft verweerder verzocht klager nogmaals uit te nodigen ten behoeve van het te verrichten onderzoek. 2.7. Naar aanleiding van het bericht van de rechtbank heeft verweerder het onderzoek voortgezet en een concept rapportage opgesteld. 2.8. Op 7 oktober 2019 heeft verweerder de concept rapportage verzonden aan E. Verweerder stond op het punt met vakantie te gaan, maar was nog in afwachting van bij de huisarts opgevraagde informatie. 2.9. Op 15 oktober 2019 heeft E de van de huisarts ontvangen informatie aan verweerder gezonden. Verweerder heeft aangegeven dat deze informatie niet tot aanpassing van de rapportage leidde, waarna E de rapportage op 18 oktober 2019 heeft afgerond en aan de rechtbank heeft gestuurd. De conclusie van het rapport luidt dat klager niet in staat is ten volle zijn vermogensrechtelijke belangen zelf behoorlijk waar te nemen. 2.10. Begin november 2019 ontstond discussie tussen de advocaat van klager en E over het feit dat de rapportage niet eerst in concept was voorgelegd aan klager. E heeft daarop aangegeven volgens instructie van de rechtbank te hebben gehandeld. Na overleg met de rechtbank heeft E de rapportage aan de advocaat van klager verzonden, maar hiervoor abusievelijk het adres van de zoon van klager gebruikt. Nadat deze fout was ontdekt, is de rapportage alsnog naar de advocaat van klager gestuurd. 2.11. Bij beschikking van 18 november 2019 heeft de kantonrechter – op basis van de rapportage van verweerder – een bewind ingesteld over de goederen van klager. 3. De klacht en het standpunt van klager De klacht houdt zakelijk weergegeven in dat: 1. de door verweerder opgestelde rapportage niet voldoet aan de daaraan te stellen eisen; 2. verweerder de concept rapportage niet eerst aan klager heeft voorgelegd ter uitoefening van zijn inzage-, correctie- en blokkeringsrecht; 3. de rapportage aan de verkeerde persoon is gestuurd. 4. Het standpunt van verweerder 4.1 Verweerder heeft de klacht en de daaraan ten grondslag gelegde stellingen bestreden. Voor zover nodig wordt daarop hieronder ingegaan. 5. De beoordeling 5.1. Het college wijst er allereerst op dat het bij de tuchtrechtelijke toetsing van professioneel handelen niet gaat of dat handelen beter had gekund, maar om het geven van een antwoord op de vraag of de beroepsbeoefenaar bij het beroepsmatig handelen is gebleven binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening, rekening houdend met de stand van de wetenschap ten tijde van het klachtwaardig geachte handelen en met hetgeen toen in de beroepsgroep ter zake als norm of standaard was aanvaard. Klachtonderdeel 1 5.2. Het eerste klachtonderdeel betreft de door verweerder opgestelde rapportage. Volgens klager is verweerder niet binnen de grenzen van zijn deskundigheid gebleven, heeft hij een onderzoeksmethode gebruikt die niet geschikt is om de voorgelegde vraagstelling te beantwoorden, heeft hij niet op inzichtelijke en consistente wijze uiteengezet op welke objectieve en daartoe relevante gronden de conclusies in het rapport zijn gebaseerd en heeft hij niet tot de aan de kantonrechter gepresenteerde conclusie kunnen komen. Verweerder is van mening dat de door hem opgestelde rapportage voldoet aan de daaraan te stellen eisen. Hij heeft toegelicht hoe hij het onderzoek heeft uitgevoerd en op welke wijze hij tot zijn conclusie is gekomen. Het onderzoek kan volgens verweerder, uit het oogpunt van vakkundigheid en zorgvuldigheid, de tuchtrechtelijke toets der kritiek doorstaan. Volgens verweerder heeft hij in redelijkheid tot zijn conclusie kunnen komen. 5.3. Bij de beoordeling van de vraag of de rapportage voldoet aan de daaraan te stellen eisen neemt het college de volgende (volgens vaste jurisprudentie geldende) criteria in aanmerking: 1. Het rapport vermeldt de feiten, omstandigheden en bevindingen waarop het berust; 2. Het rapport geeft blijk van een geschikte methode van onderzoek om de voorgelegde vraagstelling te beantwoorden; 3. In het rapport wordt op inzichtelijke en consistente wijze uiteengezet op welke gronden de conclusies van het rapport steunen; 4. Het rapport vermeldt de bronnen waarop het berust, daaronder begrepen de gebruikte literatuur en de geconsulteerde personen; 5. De rapporteur blijft binnen de grenzen van zijn deskundigheid. Het tuchtcollege toetst ten volle of het onderzoek van de arts uit het oogpunt van vakkundigheid en zorgvuldigheid de tuchtrechtelijke toets der kritiek kan doorstaan. Ten aanzien van de conclusies van de rapportage wordt beoordeeld of de deskundige in redelijkheid tot zijn conclusie heeft kunnen komen. 5.4. Naar het oordeel van het college voldoet de rapportage niet aan de daarvoor geldende eisen. Verweerder is weliswaar binnen de grenzen van zijn deskundigheid gebleven en heeft – ter beantwoording van de vraag van de kantonrechter – een geschikte methode van onderzoek gebruikt, maar de gebruikte onderzoeksmethode is niet op de juiste wijze toegepast en de interpretatie van de bevindingen is onvoldoende onderbouwd. Het onderzoek heeft bestaan uit een analyse van voorvallen, aangevuld met oriënterend testonderzoek. De voorvallen zijn niet eenduidig te interpreteren, omdat de keuzes van betrokkene in de voorgestelde situaties voor meerdere uitleg vatbaar waren, mede ook gelet op specifieke omstandigheden. Bij het aanvullende testonderzoek zijn geen scores en cut-off-points aangegeven en technisch is de Trailmaking-B niet goed uitgevoerd. De uitslagen van het testonderzoek waren niet of marginaal afwijkend en bij de interpretatie heeft verweerder niet de scholing en het karakter van klager betrokken. Passend zou zijn geweest, mede gezien het belang van het onderzoek voor klager, om aanvullend onderzoek, bijvoorbeeld door een neuropsycholoog te laten verrichten. De uitkomsten van deze tests voegde verweerder bij beschrijvingen van voorvallen, waaruit hij concludeerde dat klager onvoldoende zijn financiële belangen kon behartigen. Ter zitting gaf verweerder aan dat het een wat subjectieve inschatting was, en hij zich ook geen idee had gevormd van het functioneren op financieel gebied van klager voor de beschreven episodes. Scholing, karakter en eerdere manier van omgaan met financiën zijn niet betrokken bij de beoordeling van de voorvallen en de eventuele verandering in cognitief functioneren. Uit het rapport is niet duidelijk en heeft verweerder ook ter zitting niet goed kunnen uitleggen hoe zijn bevindingen tot de conclusie hebben geleid dat klager niet in staat is ten volle zijn vermogensrechtelijke belangen zelf behoorlijk waar te nemen. Klachtonderdeel 1 is gegrond. Klachtonderdeel 2 5.5. Met klachtonderdeel 2 verwijt klager verweerder dat de rapportage niet eerst in concept aan hem is voorgelegd. Hierdoor heeft hij geen gebruik kunnen maken van zijn inzage-, correctie- en blokkeringsrecht. Klager had naar aanleiding van het concept feiten kunnen corrigeren die verweerder ten grondslag heeft gelegd aan zijn beoordeling. Verweerder vindt het vervelend dat de rapportage niet eerst in concept aan klager is voorgelegd. Volgens verweerder heeft hij in de door hem aangeleverde concept rapportage gewezen op het inzage- en correctierecht. Deze passage heeft E verwijderd na contact met de rechtbank. De rechtbank zou op 15 oktober 2019 aan E hebben laten weten zorg te dragen voor toepassing van het inzage- en correctierecht. E heeft daarop de passage over het inzage- en correctierecht, zonder medeweten van verweerder, uit de concept rapportage verwijderd, de rapportage afgerond en naar de rechtbank opgestuurd. Volgens verweerder kan hem op dit punt geen persoonlijk tuchtrechtelijk verwijt worden gemaakt. 5.6. Voor de beoordeling van dit klachtonderdeel stelt het college voorop dat bij het antwoord op de vraag of verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld in de zin van art. 47, eerste lid, van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg (Wet BIG) het persoonlijk handelen van verweerder centraal staat. Naar het oordeel van het college lag het op de weg van verweerder toe te zien op een correcte en zorgvuldige afronding van het rapport, waaronder ook valt de juiste toepassing van het inzage-, correctie- en blokkeringsrecht. Verweerder heeft de afronding van het rapport - vanwege een op handen zijnde vakantie – echter overgelaten aan E. E heeft klager echter niet in de gelegenheid gesteld gebruik te maken van zijn inzage-, correctie-en blokkeringsrecht. Het feit dat E, zoals verweerder stelt na overleg met de rechtbank, hetgeen door klager wordt weersproken, het concept rapport niet eerst aan klager heeft toegezonden, doet hieraan niet af. Het lag op de weg van verweerder erop toe te zien dat op juiste en zorgvuldige wijze invulling werd gegeven aan de aan klager toekomende rechten, door toezicht te houden op de uiteindelijke afhandeling van zijn rapport. Verweerder heeft dit nagelaten door de afronding van het rapport geheel over te laten aan E. Klachtonderdeel 2 is gegrond. Klachtonderdeel 3 5.7. Met klachtonderdeel 3 verwijt klager verweerder dat de rapportage aan de verkeerde persoon is gestuurd, te weten zijn zoon die aanvrager is van de onderbewindstelling en tegen klager procedeert vanwege een gepretendeerde geldvordering. Verweerder betreurt het dat de rapportage naar de zoon van klager is gestuurd, maar volgens hem betreft dit een administratieve fout van E. Verweerder kan hiervan geen persoonlijk tuchtrechtelijk verwijt worden gemaakt. 5.8. Ook voor de beoordeling van dit klachtonderdeel staat de vraag centraal of verweerder persoonlijk tuchtrechtelijk verantwoordelijk kan worden gehouden voor de verzending van het rapport naar het verkeerde adres. Verweerder heeft toegelicht dat de administratieve afhandeling van het onderzoek, waaronder het versturen van het rapport aan klager, gebeurt door E. Naar het oordeel van het college bestond er voor verweerder geen aanleiding toe te zien op juiste verzending van het rapport. Het betrof louter een administratieve afhandeling. Naar het oordeel van het college kan verweerder in deze omstandigheden niet persoonlijk verantwoordelijk worden gehouden voor het feit dat de rapportage per abuis naar het verkeerde adres is gestuurd. Klachtonderdeel 3 is ongegrond. Conclusie en maatregel 5.9. De conclusie van het voorgaande is dat de klacht deels gegrond is. Verweerder heeft gehandeld in strijd met de zorg die hij ingevolge artikel 47 lid 1 van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg jegens klager had behoren te betrachten. 5.10. Ten aanzien van de gegrond bevonden klachtonderdelen kan met een waarschuwing worden volstaan. Het college heeft hierbij in aanmerking genomen dat verweerder weliswaar de gebruikte onderzoeksmethode niet goed heeft toegepast en zijn conclusie niet duidelijk heeft gemotiveerd, verweerder is echter niet lichtzinnig tot zijn conclusie gekomen. Daarnaast heeft verweerder ter zitting toegelicht zijn werkwijze ten aanzien van de afronding van zijn rapportages te hebben aangepast. 6. De beslissing Het college: - verklaart klachtonderdeel 1 gegrond; - verklaart klachtonderdeel 2 gegrond; - legt aan verweerder de maatregel van waarschuwing op; - verklaart de klacht voor het overige ongegrond. Aldus beslist door: G.M. Boekhoudt, voorzitter, J.M.C. van Dam, A.C.M. Kleinsman en A.M. van Hemert, leden-arts, S. Colsen, lid-jurist, bijgestaan door A. Kerstens, secretaris, en in het openbaar uitgesproken op 2 april 2021 door de voorzitter in aanwezigheid van de secretaris. WG WG secretaris voorzitter
-
ECLI:NL:TNORARL:2021:7 Kamer voor het notariaat Arnhem-Leeuwarden C/05/375548 / KL RK 20-105
- Datum publicatie: 02-04-2021
- Datum uitspraak: 16-02-2021
- ECLI:NL:TNORARL:2021:7
Klaagster stelt dat de notaris gehouden was om het door klaagster gewenste testament te passeren. De kamer heeft de klacht ongegrond verklaard en heeft het volgende overwogen. De notaris heeft terecht aangevoerd dat op basis van het eerste telefoongesprek er meerdere indicatoren waren die aanleiding vormden om in een gesprek onder vier ogen te onderzoeken of klaagster voldoende in staat was haar wil op onafhankelijke wijze te vormen. De kamer acht het zorgvuldig dat de notaris een aparte afspraak met klaagster wilde maken op basis van de aanwezige indicatoren. Er was op dat moment dan ook geen sprake van het niet mee willen werken aan het passeren, maar van een tussenstap waarover klaagster direct is geïnformeerd. Doordat klaagster vervolgens direct dreigde met een klacht, acht de kamer het voorstelbaar dat dit heeft geleid tot een vertrouwensbreuk tussen klaagster en de notaris. Het is dan ook niet tuchtrechtelijk verwijtbaar dat de notaris vervolgens niet (langer) wilde meewerken aan het testament van klaagster en klaagster heeft doorverwezen naar een ander notariskantoor.
-
ECLI:NL:TNORARL:2020:39 Kamer voor het notariaat Arnhem-Leeuwarden C/05/367627 / KL RK 20-31
- Datum publicatie: 02-04-2021
- Datum uitspraak: 26-10-2020
- ECLI:NL:TNORARL:2020:39
De kandidaat-notaris is in beginsel gerechtigd de persoons- en adres gegevens van een gemachtigde/vertegenwoordigster als klaagster in de akte op te nemen. Toen klaagster aangaf dat dit niet de bedoeling was, heeft de kandidaat-notaris dat onmiddellijk gecorrigeerd. Verificatie van de gegevens van klaagster in BRP is voor de kandidaat-notaris toegestaan in het kader van de voorschriften verificatie identiteit. Niet is komen vast te staan dat de kandidaat-notaris in deze zaak onvoldoende zorgvuldig zou zijn omgegaan met de mogelijke toepasselijkheid van de AVG.
-
ECLI:NL:TNORARL:2021:8 Kamer voor het notariaat Arnhem-Leeuwarden C/05/371950 / KL RK 20-75
- Datum publicatie: 02-04-2021
- Datum uitspraak: 10-02-2021
- ECLI:NL:TNORARL:2021:8
Klacht over een notaris in haar rol als vereffenaar in een nalatenschap. Zo verwijt klager de notaris dat het tempo van de werkzaamheden te laag ligt, de notaris onnodig telkens de uitkomst van gerechtelijke procedures afwacht, de notaris zich als rechter/advocaat opstelt in plaats van als notaris haar werkzaamheden uit te voeren en de interne klachtenprocedure van het kantoor van de notaris niet voldoet en louter is gericht op het kunnen schrijven van uren. De kamer heeft de klacht ongegrond verklaard.
-
ECLI:NL:TNORARL:2020:40 Kamer voor het notariaat Arnhem-Leeuwarden C/05/364244 KL RK 19-171
- Datum publicatie: 02-04-2021
- Datum uitspraak: 20-10-2020
- ECLI:NL:TNORARL:2020:40
De notaris die de oprichtingsakte vennootschap passeert heeft niet ook tot taak bij de belastingdienst goedkeuring aan te vragen voor de met de oprichting gerealiseerde althans beoogde geruisloze inbreng. Daarbij speelt mede een rol dat een verzoek aan de belastingdienst ook nog kan worden gedaan nadat een vennootschap is opgericht. Wel behoort de notaris, die in de akte van oprichting opneemt dat de oprichter de door haar genomen aandelen zal volstorten door geruisloze inbreng in de vennootschap van de gehele door haar voor eigen rekening gedreven onderneming, te controleren of zijn cliënt er van op de hoogte is dat een goedkeurende beschikking bij de belastingdienst aangevraagd moet worden.
-
ECLI:NL:TNORARL:2021:9 Kamer voor het notariaat Arnhem-Leeuwarden C/05/374685 / KL RK 20-101 C/05/374686 / KL RK 20-102
- Datum publicatie: 02-04-2021
- Datum uitspraak: 12-03-2021
- ECLI:NL:TNORARL:2021:9
Klaagsters verwijten de notarissen kort gezegd dat zij met erflater niet de mogelijkheid van een zogeheten 30-dagenclausule (ook wel calamiteitenclausule genaamd) hebben besproken. Ook verwijten klaagsters de notarissen dat zij niet met hem onder vier ogen hebben gesproken ten tijde van het opstellen en passeren van het testament. Gelet op alle feiten en omstandigheden heeft de kamer de klacht ongegrond verklaard.
- Vorige pagina zoekresultaten
- Pagina: 1
- ...
- Pagina: 272
- Pagina: 273
- Pagina: 274
- ...
- Pagina: 960
- Volgende pagina zoekresultaten