Zoekresultaten 1261-1280 van de 48197 resultaten
-
ECLI:NL:TGZRSHE:2026:60 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg 's-Hertogenbosch H2025/8875
- Datum publicatie: 25-03-2026
- Datum uitspraak: 25-03-2026
- ECLI:NL:TGZRSHE:2026:60
Tenuitvoerlegging voorwaardelijke maatregel: De beroepsbeoefenaar, arts, heeft de bijzondere voorwaarden die het CTG deze beroepsbeoefenaar eerder had opgelegd, niet nageleefd. De beroepsbeoefenaar heeft - hoewel hij al niet meer in het BIG-register ingeschreven stond als bedrijfsarts, maar als arts - onduidelijkheid hierover laten bestaan. Ook heeft hij onder andere onduidelijkheid laten bestaan over het werken onder supervisie en de IGJ niet tijdig en onvoldoende geïnformeerd. De IGJ heeft het college verzocht om een tenuitvoerlegging van de voorwaardelijk opgelegde maatregel. De beroepsbeoefenaar erkent dat hij de bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd en vraagt een tweede kans.
-
ECLI:NL:TAHVD:2026:80 Hof van Discipline 's Gravenhage 250125
- Datum publicatie: 25-03-2026
- Datum uitspraak: 20-03-2026
- ECLI:NL:TAHVD:2026:80
Het hof stelt voorop dat artikel 46g lid 1 sub a Advocatenwet een vervaltermijn van openbare orde bevat, die ambtshalve door de tuchtrechter wordt toegepast.Voor het indienen van een klacht geldt een vervaltermijn van drie jaar vanaf het moment dat de klager heeft kennisgenomen of redelijkerwijs kennis heeft kunnen nemen van het handelen of nalaten van de advocaat waarop de klacht betrekking heeft. De vraag moet worden beantwoord op welk moment de vervaltermijn is aangevangen. Het hof stelt vast dat de datum van ontvangst van de klacht door de deken buiten de klachttermijn ligt en dat de klacht te laat is ingediend.Het hof ziet geen aanleiding om op grond van artikel 46g lid 2 Advocatenwet uit te gaan van een verlenging van de klachttermijn omdat klaagster pas op een later moment dan het einde van de driejaarstermijn bekend is geworden met de onjuistheid van het handelen van de verweerster. De klacht is niet tijdig ingediend en daarom niet-ontvankelijk. Aan een inhoudelijke behandeling komt het hof niet toe.
-
ECLI:NL:TAHVD:2026:81 Hof van Discipline 's Gravenhage 240375
- Datum publicatie: 25-03-2026
- Datum uitspraak: 20-03-2026
- ECLI:NL:TAHVD:2026:81
Klacht tegen de advocaat van de wederpartij in een familierechterlijk geschil. Klager verwijt verweerster dat zij zich onnodig grievend over hem heeft uitgelaten. De raad heeft de klacht ongegrond verklaard, ook het hof komt tot de conclusie dat verweerster de grenzen van het betamelijke in deze familierechtelijke kwestie niet heeft overschreden. Vanwege haar partijdige positie als advocaat van de ex-echtgenote van klager stond het verweerster vrij om in het familierechtelijke geschil het onderzoeksrapport Onmacht in het hoger beroep over te leggen nu zij daarbij voldoende heeft toegelicht dat het doel van het rapport was om het namens haar cliënte ingenomen standpunt over ouderverstoting te onderbouwen. Het hof acht van belang dat verweerster heeft uiteengezet welke overeenkomsten haar cliënte ziet tussen de in het onderzoeksrapport vermelde situatie en de familierechtelijke kwestie over de kinderen van partijen, dat zij heeft toegelicht wat uit dat rapport relevant was voor de zaak van haar cliënte en dat haar cliënte daarmee op geen enkele manier wilde insinueren dat klager ook zoiets zou kunnen doen of dat het leven van de kinderen in gevaar is.
-
ECLI:NL:TAHVD:2026:82 Hof van Discipline 's Gravenhage 240196
- Datum publicatie: 25-03-2026
- Datum uitspraak: 23-03-2026
- ECLI:NL:TAHVD:2026:82
Klacht over de advocaat van de wederpartij. Het hof bekrachtigt het oordeel van de raad dat verweerder zich in een krantenartikel onnodig grievend heeft uitgelaten over klager, die op dat moment een publieke functie bekleedde, zonder dat dit enig redelijk doel diende en waarmee de belangen van klager onnodig zijn geschaad. Verweerder heeft hiermee in strijd gehandeld met de kernwaarde integriteit. Hoewel het beroep van klager tegen een ander klachtonderdeel slaagt, legt ook het hof de maatregel van berisping op. Het laakbare gedrag van verweerder acht het hof daartoe zelfstandig dragend.
-
ECLI:NL:TAHVD:2026:83 Hof van Discipline 's Gravenhage 250189
- Datum publicatie: 25-03-2026
- Datum uitspraak: 23-03-2026
- ECLI:NL:TAHVD:2026:83
De klacht gaat over een advocaat in zijn hoedanigheid van deken. In tegenstelling tot de raad acht het hof een uitlating die verweerder over een gedraging van klager heeft gedaan in een artikel over klager in een regionale krant tuchtrechtelijk verwijtbaar. Omdat dit oordeel dient als signaalfunctie betreffende de omgang door advocaten in hoedanigheid van deken met de pers en andere vormen van sociale media heeft het hof de klacht gegrond verklaard zonder oplegging van een maatregel.
-
ECLI:NL:TAHVD:2026:84 Hof van Discipline 's Gravenhage 250190
- Datum publicatie: 25-03-2026
- Datum uitspraak: 23-03-2026
- ECLI:NL:TAHVD:2026:84
De klacht van klager gaat over de advocaat van de wederpartij. Met betrekking tot het onderdeel dat verweerder in strijd met het toepasselijke procesreglement niet tegelijkertijd een afschrift van zijn bericht aan de rechtbank aan klager heeft gestuurd, acht het hof deze omissie van verweerder niet tuchtrechtelijk verwijtbaar. Klager had de cliënt van verweerder zonder opvragen van verhinderdata gedagvaard waarop verweerder de rechtbank daarop heeft geattendeerd en om een nieuwe datum heeft verzocht. Niet is gebleken dat klager in zijn belangen is geschaad doordat hij het betreffende bericht een dag later ontving van de rechtbank. Het hof bekrachtigt de beslissing van de raad.
-
ECLI:NL:TGZRSHE:2026:58 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg 's-Hertogenbosch H2025/8382
- Datum publicatie: 25-03-2026
- Datum uitspraak: 25-03-2026
- ECLI:NL:TGZRSHE:2026:58
Kennelijk ongegronde klacht van de werkgever van een medewerkster tegen verweerder, bedrijfsarts. Verweerder heeft de medewerkster begeleid bij haar ziekteverzuim en haar vervolgens arbeidsgeschikt bevonden. Klager verwijt verweerder dat verweerder de medewerkster arbeidsgeschikt heeft bevonden ondanks de afspraak tussen klager en verweerder dat de medewerkster arbeidsongeschikt zou zijn. Deze afspraak is niet gebleken en de organisatorische problemen van klager zijn geen onderdeel van de beoordeling van de arbeids(on)geschiktheid van de medewerkster. Ook verwijt klager verweerder een belangenverstrengeling vanwege een aandelentransactie tussen de arbodienst waarvoor verweerder werkzaam is en de verzuimverzekering van klager. Deze belangenverstrengeling is niet gebleken.
-
ECLI:NL:TGZRSHE:2026:59 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg 's-Hertogenbosch H2024/7808
- Datum publicatie: 25-03-2026
- Datum uitspraak: 25-03-2026
- ECLI:NL:TGZRSHE:2026:59
Deels gegronde klacht van werkneemster over verweerder. Verweerder, arbo-arts, heeft klaagster begeleid na de ziekmelding van klaagster. Klaagster verwijt verweerder dat hij de COPD-klachten van klaagster niet serieus heeft genomen, geen medische informatie heeft opgevraagd bij de huisarts van klaagster en geen verslagen of adviezen van fysieke consulten heeft opgesteld, ook niet na verzoek daartoe. Verweerder adviseerde klaagster re-integratie terwijl hij klaagster niet had gezien en klaagster aangaf daartoe niet in staat te zijn. Ook verwijt klaagster dat verweerder geen mediation heeft geadviseerd en niet heeft gereageerd op het verzoek om een second opinion.
-
ECLI:NL:TAHVD:2026:79 Hof van Discipline 's Gravenhage 260064
- Datum publicatie: 25-03-2026
- Datum uitspraak: 19-03-2026
- ECLI:NL:TAHVD:2026:79
Klacht tegen deken niet wordt verwezen. De voorzitter van het hof is van oordeel dat klager met de onderhavige zaak opnieuw op een oneigenlijke manier het klachtrecht inzet. Het patroon is dat zodra een door klager gevoerde tuchtprocedure niet de door hem gewenste uitkomst heeft, hij een klacht indient over de deken die het onderzoek naar de betreffende klacht heeft gedaan. Zoals klager zeer goed weet omdat hem dat al een en andermaal is duidelijk gemaakt, is de geëigende weg om onvrede over de uitkomst van een dekenonderzoek aan de orde te stellen, het voorleggen van de onderzochte klacht aan de Raad van Discipline. Klager kiest er, door het verschuldigde griffierecht niet te betalen, echter voor om die weg niet te bewandelen. Hierdoor maakt klager misbruik van zijn klachtrecht in de zin van de Advocatenwet. Aan dit handelen van klager moet paal en perk worden gesteld. Klager moet zich realiseren dat aan elke procedure eens een einde komt.
-
ECLI:NL:TADRSHE:2026:43 Raad van Discipline 's-Hertogenbosch 25-857/DB/LI
- Datum publicatie: 24-03-2026
- Datum uitspraak: 23-03-2026
- ECLI:NL:TADRSHE:2026:43
Raadsbeslissing. Klacht over de kwaliteit van de dienstverlening. Klager verwijt verweerder dat hij diverse beroepsfouten heeft gemaakt bij de behandeling van klagers zaak. Klager heeft reeds eerder geklaagd over verweerders optreden. Klager heeft in de eerdere klachtzaak aan verweerder verweten dat hij “in de twaalf zaken die hij voor klager heeft behandeld meerdere beroepsfouten heeft gemaakt”. De raad heeft deze klacht bij beslissing van 24 april 2023 gegrond verklaard en ter zake aan verweerder een berisping opgelegd. Het Hof van Discipline heeft deze beslissing bekrachtigd bij beslissing van 5 april 2024, zodat de beslissing van de raad op die datum onherroepelijk is geworden. Nu de tuchtrechter al onherroepelijk heeft geoordeeld over de aan verweerder verweten beroepsfouten, kan op grond van het “ne bis in idem-beginsel”, zoals vastgelegd in artikel 47b Advocatenwet, niet nogmaals over die beroepsfouten worden geklaagd. De raad zal klachtonderdeel 1 sub a dan ook niet-ontvankelijk verklaren. Over de klacht (k.o. 1 sub b) dat verweerder heeft geprobeerd deze beroepsfouten te verbloemen, heeft de tuchtrechter nog niet onherroepelijk geoordeeld, zodat dit klachtonderdeel wel ontvankelijk is. Dit klachtonderdeel mist echter feitelijke grondslag en is daarom ongegrond. Verweerder heeft wel tuchtrechtelijk verwijtbaar gehandeld doordat hij (k.o. 2) de door klager in oktober 2024 opgevraagde dossiers pas in maart 2025 aan klager heeft afgegeven. Verweerder heeft onweersproken gesteld dat hij gedurende de rechtsbijstandsverlening aan klager steeds afschriften van alle stukken aan klager heeft gestuurd. Naar het oordeel van de raad is derhalve niet gebleken dat klager in zijn belangen is geschaad doordat verweerder de dossiers pas op 7 maart 2025 heeft afgegeven. Om die reden is de raad van oordeel dat kan worden volstaan met oplegging van een waarschuwing.
-
ECLI:NL:TGZRAMS:2026:57 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Amsterdam A2025/8505
- Datum publicatie: 24-03-2026
- Datum uitspraak: 24-03-2026
- ECLI:NL:TGZRAMS:2026:57
Volgens klager heeft hij niet alle voorgeschreven medicatie ontvangen. In de apotheek is hem ten onrechte meegedeeld dat hij deze al uit de afhaalautomaat had opgehaald, waarna de medicatie zou zijn geannuleerd. Klager ziet dit als nalatigheid van de apotheker. De apotheker voert verweer en voert aan dat zij de situatie met klager wilde bespreken, maar dat klager direct aangaf de formele tuchtrechtelijke route te willen volgen.Het college oordeelt in raadkamer dat de klacht kennelijk ongegrond is.
-
ECLI:NL:TADRSHE:2026:38 Raad van Discipline 's-Hertogenbosch 25-698/DB/OB
- Datum publicatie: 24-03-2026
- Datum uitspraak: 23-03-2026
- ECLI:NL:TADRSHE:2026:38
Raadsbeslissing. Klacht over de advocaat van de wederpartij in alle onderdelen ongegrond. De raad heeft niet feitelijk kunnen vaststellen dat (k.o. 1) verweerster een vertrouwelijk en niet voor haar bestemd e-mailbericht heeft gedeeld met haar cliënten en ter zake actief contact heeft gezocht met de in het e-mailbericht genoemde advocaat (mr. S). Naar het oordeel van de raad stond het verweerster vrij om in het kader van de behartiging van de belangen van haar cliënten de context te schetsen en in dat verband melding te maken van tegen klager ingediende tuchtklachten, zodat hetgeen verweerster in randnummer 22 van de pleitnota heeft gesteld niet kan worden gekwalificeerd als onnodig grievend. Ook k.o. 2 is ongegrond. Het stond verweerster vrij om ter onderbouwing van de in kort geding ingestelde vordering namens haar cliënten te betogen dat de werkwijze van klager een dusdanig ongunstige uitwerking had op de geestelijke en lichamelijke gezondheidstoestand van de moeder dat verder vrij verkeer tussen klager en moeder onverantwoord was. Dat verweerster ter onderbouwing van dat betoog feiten heeft gesteld waarvan zij de onwaarheid kende of behoorde te kennen is de raad niet gebleken. Ook k.o. 3 over verweersters bereikbaarheid is ongegrond. Naar het oordeel van de raad stond het verweerster vrij om in overleg met haar cliënten te bepalen dat het in het kader van de behartiging van de belangen van haar cliënten niet wenselijk was om op alle e-mailberichten van klager te reageren. Ook van het niet beantwoorden van alle telefonische oproepen van klager kan verweerster naar het oordeel van de raad geen tuchtrechtelijk verwijt worden gemaakt. Dat klager dan wel zijn cliënte door het niet beantwoorden van e-mailberichten en telefonische oproepen in zijn/haar belangen is geschaad, is niet gebleken.
-
ECLI:NL:TADRSHE:2026:39 Raad van Discipline 's-Hertogenbosch 25-737/DB/LI
- Datum publicatie: 24-03-2026
- Datum uitspraak: 23-03-2026
- ECLI:NL:TADRSHE:2026:39
Verzet. De raad is op grond van het verzetschrift van oordeel dat de verzetgronden van klager niet slagen. De voorzitter heeft bij de beoordeling van de klacht de juiste maatstaf toegepast en voorts rekening gehouden met alle relevante feiten en omstandigheden van het geval. Verzet ongegrond.
-
ECLI:NL:TADRSHE:2026:40 Raad van Discipline 's-Hertogenbosch 25-430/DB/LI
- Datum publicatie: 24-03-2026
- Datum uitspraak: 23-03-2026
- ECLI:NL:TADRSHE:2026:40
Raadsbeslissing. Klacht over de eigen advocaat over de kwaliteit van de dienstverlening in alle onderdelen ongegrond. De raad is niet gebleken dat verweerder bij het voeren van verweer en het onderbouwen van de vordering tot schadevergoeding steken heeft laten vallen. Evenmin is gebleken dat verweerder klager onvoldoende heeft geïnformeerd. Verweerder heeft klager uitvoerig geïnformeerd over de mogelijkheden en onmogelijkheden en de (kleine) kans van slagen van de door klager aanhangig gemaakte kort geding procedure. Ook heeft verweerder aan klager uitgelegd wat hij in de “akte verduidelijking eis” namens klager naar voren kon brengen. Dat de rechtbank deze na de zitting ingediende akte heeft toegestaan is uitzonderlijk. Om invulling te geven aan het beginsel van hoor en wederhoor heeft de rechtbank [naam verzekeraar] in de gelegenheid gesteld om op de akte te reageren middels een antwoordakte. [naam verzekeraar] heeft van die gelegenheid gebruikt gemaakt, waarna de rechtbank zich kennelijk voldoende geïnformeerd achtte en heeft bepaald dat vonnis moest worden gewezen. Dat de rechtbank verweerders reactie op de door [naam verzekeraar] ingediende antwoordakte vervolgens heeft geweigerd kan verweerder niet tuchtrechtelijk worden verweten. De klacht dat verweerder de interne klachtprocedure onredelijk, onbillijk en onevenredig lang op zijn beloop heeft gelaten mist feitelijke grondslag en is daarom eveneens ongegrond.
-
ECLI:NL:TAHVD:2026:58 Hof van Discipline 's Gravenhage 250069
- Datum publicatie: 24-03-2026
- Datum uitspraak: 16-02-2026
- ECLI:NL:TAHVD:2026:58
Klacht van erfgenaam over advocaat wederpartij. Kantoorgenoten van verweerster hebben in het verleden opgetreden voor de (inmiddels overleden) vader van klager. Tussen klager en zijn broer is een geschil ontstaan over de afwikkeling van de nalatenschappen van hun ouders. Verweerster heeft in deze kwestie opgetreden als advocaat van de broer van klager. Klager kan als enig erfgenaam van zijn vader niet worden aangemerkt als (oud-)cliënt van het kantoor van verweerster. Van (schijn van) belangenverstrengeling is geen sprake. Verweerster mocht in het partijdig belang van haar cliënt handelen. Verweerster heeft de haar als advocaat van de wederpartij toekomende vrijheid van handelen niet overschreden toen zij haar cliënt adviseerde om een ten laste van klager gelegd conservatoir beslag te handhaven. Verweerster heeft geen op voorhand evident onjuist juridisch standpunt ingenomen en daarom heeft verweerster niet tuchtrechtelijk verwijtbaar gehandeld nadat later is gebleken dat dit juridisch standpunt onjuist was. De klacht is ook in hoger beroep ongegrond.
-
ECLI:NL:TGZRZWO:2026:45 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Zwolle Z2025/8237
- Datum publicatie: 24-03-2026
- Datum uitspraak: 24-03-2026
- ECLI:NL:TGZRZWO:2026:45
Klacht tegen orthopedisch chirurg kennelijk ongegrond. De orthopedisch chirurg heeft tweemaal een heupoperatie bij klaagster uitgevoerd. Klaagster verwijt de orthopedisch chirurg, samengevat, nalatigheid in medisch handelen en het leveren van inadequate (na)zorg. Daarnaast is volgens klaagster sprake geweest van tekortkomingen in de communicatie. Het college oordeelt dat de orthopedisch chirurg niet tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld.
-
ECLI:NL:TADRSHE:2026:41 Raad van Discipline 's-Hertogenbosch 25-026/DB/ZWB
- Datum publicatie: 24-03-2026
- Datum uitspraak: 23-03-2026
- ECLI:NL:TADRSHE:2026:41
Verzet. De raad is op grond van het verzetschrift van oordeel dat de verzetgronden van klager niet slagen. De voorzitter heeft bij de beoordeling van de klacht de juiste maatstaf toegepast en voorts rekening gehouden met alle relevante feiten en omstandigheden van het geval. Verzet ongegrond.
-
ECLI:NL:TAHVD:2026:78 Hof van Discipline 's Gravenhage 260063
- Datum publicatie: 24-03-2026
- Datum uitspraak: 19-03-2026
- ECLI:NL:TAHVD:2026:78
Klacht tegen de deken niet verwezen. Het hof stelt vast dat er sprake is van een patroon dat zodra een door klager gevoerde tuchtprocedure niet de door hem gewenste uitkomst heeft, hij een klacht indient over de deken die het onderzoek naar de betreffende klacht heeft gedaan. Zoals klager zeer goed weet omdat hem dat al een en andermaal is duidelijk gemaakt, is de geëigende weg om onvrede over de uitkomst van een dekenonderzoek aan de orde te stellen, het voorleggen van de onderzochte klacht aan de Raad van Discipline. Klager kiest er, door het verschuldigde griffierecht niet te betalen, echter voor om die weg niet te bewandelen. Hierdoor maakt klager misbruik van zijn klachtrecht in de zin van de Advocatenwet. Aan dit handelen van klager moet paal en perk worden gesteld.
-
ECLI:NL:TGZRZWO:2026:46 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Zwolle Z2025/8746
- Datum publicatie: 24-03-2026
- Datum uitspraak: 24-03-2026
- ECLI:NL:TGZRZWO:2026:46
(kennelijk) ongegronde klacht van een klager tegen een orthopedisch chirurg die bij klager wegens progressief stenoserend vaatlijden een broekprothese plaatste. In verband met aanhoudende klachten na de operatie werd klager gezien in een ander ziekenhuis, waar wordt gedacht aan een neurologische oorzaak als mogelijke verklaring voor de klachten. De verwijten gaan over diagnosestelling, informed consent en nazorg.
-
ECLI:NL:TADRSHE:2026:42 Raad van Discipline 's-Hertogenbosch 25-826/DB/ZWB
- Datum publicatie: 24-03-2026
- Datum uitspraak: 23-03-2026
- ECLI:NL:TADRSHE:2026:42
Raadsbeslissing. Klacht over de advocaat van de wederpartij. De klacht houdt in dat verweerder de rechtbank in het verzoek om aanhouding van het faillissementsrekest onjuist heeft geïnformeerd. Vast staat dat op het onder verantwoordelijkheid van verweerder bij de rechtbank ingediende formulier is vermeld dat (1) het aanhoudingsverzoek mede namens RV (althans haar advocaat) wordt gedaan, (2) partijen in onderhandeling zijn en (3) RV (althans haar advocaat) hiervan op de hoogte is gesteld en dat deze heeft medegedeeld ook niet te zullen verschijnen, terwijl (1) van een eenstemmig verzoek geen sprake was, (2) partijen niet in onderhandeling waren en (3) RV (althans haar advocaat) hiervan niet op de hoogte was gesteld en deze ook niet heeft medegedeeld niet te zullen verschijnen. Op het formulier zijn aldus drie feiten gesteld waarvan verweerder de onjuistheid kende. Verweerder heeft de rechtbank in het verzoek om aanhouding van het faillissementsrekest dan ook onjuist geïnformeerd. Anders dan verweerder heeft gesteld, vormt de wijze waarop het digitale formulier is ingericht, geen rechtvaardiging voor het handelen van verweerder. Verweerder heeft gesteld dat het formulier slechts twee gronden voor aanhouding vermeldt, namelijk “partijen zijn in onderhandeling” en “de regeling is nog niet volledig uitgevoerd”. Verweerder heeft voorts gesteld dat de optie “partijen zijn in onderhandeling” de enige optie was die aansloot bij het beoogde doel: het verkrijgen van uitstel om een minnelijke regeling mogelijk te maken. De raad volgt verweerder niet in dit verweer. Vast staat dat het formulier moest worden uitgeprint en dat mr. V handmatig (met een pen) de datum heeft ingevuld en zijn handtekening heeft geplaatst. Het was dan ook wel degelijk mogelijk om op het formulier handmatig een andere grond (die wel feitelijk juist was) voor het verzoek tot aanhouding te vermelden. Verweerder heeft verder gesteld, dat het in de faillissementspraktijk usance is om op het formulier de optie “partijen zijn in onderhandeling” aan te vinken, ook als dit feitelijk niet het geval is. Ook dit verweer moet worden gepasseerd. Voor zover van de door verweerder gestelde usance al sprake zou zijn, heeft te gelden dat er in de onderhavige zaak sprake was van een wederpartij die de vordering betwistte, die werd bijgestaan door een advocaat en die een rechterlijk oordeel wenste over de (betwiste) vordering. Onder die omstandigheden had het op de weg gelegen van verweerder om in contact te treden met klager en overleg te plegen over de door hem gewenste aanhouding. Verweerder heeft dit niet gedaan en daarmee de belangen van klager (en klagers cliënte) onnodig geschaad. Klager moest immers in actie komen om de rechtbank alsnog naar waarheid te informeren en te verzoeken om afwijzing van het aanhoudingsverzoek. Klacht gegrond, berisping.