ECLI:NL:TAHVD:2026:58 Hof van Discipline 's Gravenhage 250069
| ECLI: | ECLI:NL:TAHVD:2026:58 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 16-02-2026 |
| Datum publicatie: | 24-03-2026 |
| Zaaknummer(s): | 250069 |
| Onderwerp: | Wat een behoorlijk advocaat betaamt t.o. de wederpartij, subonderwerp: Vrijheid van handelen |
| Beslissingen: | Regulier |
| Inhoudsindicatie: | Klacht van erfgenaam over advocaat wederpartij. Kantoorgenoten van verweerster hebben in het verleden opgetreden voor de (inmiddels overleden) vader van klager. Tussen klager en zijn broer is een geschil ontstaan over de afwikkeling van de nalatenschappen van hun ouders. Verweerster heeft in deze kwestie opgetreden als advocaat van de broer van klager. Klager kan als enig erfgenaam van zijn vader niet worden aangemerkt als (oud-)cliënt van het kantoor van verweerster. Van (schijn van) belangenverstrengeling is geen sprake. Verweerster mocht in het partijdig belang van haar cliënt handelen. Verweerster heeft de haar als advocaat van de wederpartij toekomende vrijheid van handelen niet overschreden toen zij haar cliënt adviseerde om een ten laste van klager gelegd conservatoir beslag te handhaven. Verweerster heeft geen op voorhand evident onjuist juridisch standpunt ingenomen en daarom heeft verweerster niet tuchtrechtelijk verwijtbaar gehandeld nadat later is gebleken dat dit juridisch standpunt onjuist was. De klacht is ook in hoger beroep ongegrond. |
Beslissing van 16 februari 2026
in de zaak 250069
naar aanleiding van het hoger beroep van:
klager
tegen:
verweerster
gemachtigde: mr. D. Kuijken te Groningen
1 INLEIDING
1.1 Klacht van erfgenaam over advocaat wederpartij. Kantoorgenoten van verweerster hebben in het verleden opgetreden voor de (inmiddels overleden) vader van klager. Tussen klager en zijn broer is een geschil ontstaan over de afwikkeling van de nalatenschappen van hun ouders. Verweerster heeft in deze kwestie opgetreden als advocaat van de broer van klager. Klager kan als enig erfgenaam van zijn vader niet worden aangemerkt als (oud-)cliënt van het kantoor van verweerster. Van (schijn van) belangenverstrengeling is geen sprake. Verweerster mocht in het partijdig belang van haar cliënt handelen. Verweerster heeft de haar als advocaat van de wederpartij toekomende vrijheid van handelen niet overschreden toen zij haar cliënt adviseerde om een ten laste van klager gelegd conservatoir beslag te handhaven. Verweerster heeft geen op voorhand evident onjuist juridisch standpunt ingenomen en daarom heeft verweerster niet tuchtrechtelijk verwijtbaar gehandeld nadat later is gebleken dat dit juridisch standpunt onjuist was. De klacht is ook in hoger beroep ongegrond.
1.2 Het hof zet eerst het verloop van de procedure bij de raad en het hof uiteen. Vervolgens zet het hof het volgende op een rij: de feiten, de klacht en de beoordeling van de raad. Daarna volgen de redenen waarom klager in beroep is gekomen en hoe het hof daarover oordeelt.
2 DE PROCEDURE
Bij de raad van discipline
1.1 De Raad van Discipline in het ressort Arnhem-Leeuwarden (hierna: de raad) heeft in de zaak tussen klager en verweerster (zaaknummer: 24-394/AL/NN) een beslissing genomen op 20 januari 2025. In deze beslissing is de klacht van klager ongegrond verklaard.
1.2 Deze beslissing is onder ECLI:NL:TADRARL:2025:16 op tuchtrecht.nl gepubliceerd.
Bij het hof van discipline
1.3 Het beroepschrift van klager tegen de beslissing is op 13 februari 2025 ontvangen door de griffie van het hof.
1.4 Verder bevat het dossier van het hof:
- de stukken van de raad;
- het verweerschrift van verweerster.
1.5 Het hof heeft de zaak mondeling behandeld tijdens de openbare zitting van 19 december 2025. Daar zijn verweerster en haar gemachtigde ter zitting, mr. D. Lacevic, verschenen. Klager is, ondanks daartoe behoorlijk te zijn opgeroepen, niet verschenen.
3 FEITEN
3.1 Het hof stelt de volgende feiten vast.
3.2 Kantoorgenoten van verweerster hebben de vader van klager eind 2020/begin 2021 bijgestaan in een geschil met de belastingdienst met betrekking tot zijn aangiften inkomstenbelasting (onder meer zorgkosten en giften). Het advocatenkantoor van verweerster heeft op 17 mei 2021 deze overeenkomst van opdracht (voortijdig) beëindigd. Hierna volgde tussen het kantoor van verweerster en de vader (en later zijn rechtsopvolger onder algemene titel) een declaratiegeschil en vervolgens een incassogeding.
3.3 In oktober 2021 is de vader van klager overleden. De moeder van klager was in oktober 2020 overleden. Klager is één van de twee nog in leven zijnde kinderen van vader en moeder. In de nalatenschap van moeder zijn beide kinderen erfgenaam. Deze nalatenschap is afgewikkeld. In de nalatenschap van vader is alleen klager erfgenaam. De broer van klager is onterfd als gevolg waarvan hij slechts vorderingsgerechtigd is.
3.4 Tussen de twee broers is een geschil ontstaan over de afwikkeling van de nalatenschappen van hun ouders. Verweerster heeft in deze kwestie opgetreden als advocaat van de broer van klager. De broer casu quo zijn onderneming is sinds 2012 cliënt van dit kantoor.
3.5 In een e-mailbericht van 10 november 2022 van verweerster aan de gemachtigde van klager heeft verweerster toegelicht dat haar kantoor niet beschikt over vertrouwelijke informatie van klager of zaaksgebonden informatie over de periode na het overlijden van mevrouw [Van K]. Vervolgens stelt verweerster de vraag of klager nog steeds bezwaren heeft tegen haar rechtsbijstand van de broer van klager. Op dit e-mailbericht is geen reactie gekomen.
3.6 Op 15 december 2022 heeft verweerster aan de gemachtigde van klager een herinnering gestuurd naar aanleiding van haar e-mailbericht van 10 november 2022. In dit bericht geeft verweerster aan dat zij, gelet op het uitblijven van een reactie, ervan uitgaat dat klager zijn bezwaren wegens vermeende belangenverstrengeling niet handhaaft.
3.7 Op 15 februari 2023 heeft verweerster een e-mailbericht gestuurd aan de gemachtigde van klager waarin zij onder meer vaststelt nog geen enkele reactie te hebben gekregen op haar e-mailberichten van 10 november 2022 en 15 december 2022.
3.8 Op 10 juli 2023 stuurt mr. Van D. als opvolgend belangenbehartiger van klager aan verweerster een e-mailbericht waarin wordt gesteld dat er sprake is van een tegenstrijdig belang aan de zijde van verweerster.
3.9 Verweerster heeft in een per e-mail verzonden brief op 13 juli 2023 aan mr. Van D. uiteengezet waarom er volgens haar geen sprake is van een belangentegenstelling en daarbij ook gewezen op haar eerdere berichten van onder andere 10 november 2022 en 15 december 2022 aan mr. B, de voormalig gemachtigde van klager, waarop geen reactie is gekomen.
3.10 Op 2 februari 2023 heeft de broer met verlof van de voorzieningenrechter conservatoir derdenbeslag doen leggen tot zekerheid van betaling van zijn legitieme portie in de nalatenschap van vader en tot betaling van de uitkering ter grootte van zijn erfdeel in de nalatenschap van moeder. Dit verlof is verleend onder de voorwaarde dat de eis in de hoofdzaak binnen 14 dagen wordt ingesteld. Het beslag is gelegd op de tot de nalatenschap van vader behorende liquide middelen op bankrekeningen van vader bij ABN AMRO Bank en op de tot de nalatenschap behorende onroerende zaak in [woonplaats].
3.11 Op 6 februari 2023 zijn de beslagstukken aan klager betekend.
3.12 Op 15 februari 2023 heeft de broer van klager een verzoekschrift bij de rechtbank ingediend strekkende tot benoeming van een professioneel vereffenaar in de nalatenschap.
3.13 Op 17 februari 2023 is dit verzoekschrift aan ABN AMRO Bank overbetekend.
3.14 Op 10 juli 2023 heeft (de gemachtigde van) klager verweerster verzocht om de beslagen door te halen omdat de beslagen niet zijn gevolgd door een eis in de hoofdzaak.
3.15 Op 7 augustus 2023 heeft klager in kort geding opheffing van de beslagen gevorderd.
3.16 Op 15 augustus 2023 heeft de rechtbank een notaris tot vereffenaar in de nalatenschap van vader benoemd. Op enig moment daarna heeft verweerster de deurwaarder opdracht gegeven de gelegde conservatoire beslagen op te heffen.
3.17 Op 31 augustus 2023 heeft de voorzieningenrechter de (resterende) vordering van klager om de cliënt van verweerster te veroordelen in de reële proceskosten afgewezen met veroordeling van de cliënt van verweerster in de proceskosten conform het liquidatietarief.
3.18 Klager en de cliënt van verweerster hebben in de hoger beroepsprocedure tegen de beschikking waarbij een notaris als vereffenaar is benoemd in de nalatenschap van de vader van partijen een minnelijke regeling getroffen.
4 KLACHT
De klacht houdt, zakelijk weergegeven in dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet:
a) door in strijd met artikel 15 van de gedragsregels de broer van klager bij te staan in een geschil met klager over de nalatenschap van vader, terwijl vader in het verleden door meerdere collega’s van verweerster is bijgestaan;
b) door conservatoir beslag ten laste van klager te leggen casu quo het tot de nalatenschap behorende vermogen en feitelijk dat beslag te handhaven terwijl verweerster geen eis in de hoofdzaak heeft ingesteld.
5 ONTVANKELIJKHEID
5.1 Verweerster voert aan dat klager niet-ontvankelijk dient te worden verklaard omdat het document dat op 17 februari 2025 door klager per post bij het hof is ingediend ten onrechte is aangemerkt als een beroepschrift. Het document is volgens verweerster een brij aan stukken die een obscuur libel vormen. Het is daardoor onduidelijk wat de gronden zijn die in hoger beroep worden aangevoerd tegen de beslissing van de raad.
5.2 Het beroep op niet-ontvankelijkheid door verweerster slaagt niet. Hoewel het document van klager dat op 17 februari 2025 door het hof is ontvangen ook andere informatie bevat, blijkt uit dit document de kenbare bedoeling van klager dat hij hoger beroep wilde instellen. De advocaat van klager heeft in een e-mailbericht van 12 februari 2025 aan klager twee beroepsgronden geformuleerd ten aanzien van de klachtonderdelen. Doordat klager die e-mail heeft meegestuurd als bijlage met zijn per post aan het hof verzonden e-mailbericht van 13 februari 2025, waarin klager ook benoemt dat hij hoger beroep wil instellen, is voldoende duidelijk dat en op welke gronden klager hoger beroep heeft ingesteld tegen de beslissing van de raad. Klager is ontvankelijk in zijn hoger beroep.
6 BEOORDELING RAAD
Klacht onder a: belangenverstrengeling
6.1 Volgens de raad kan klager niet gevolgd worden in het standpunt dat hij als oud-cliënt van het kantoor van verweerster moet worden aangemerkt omdat hij vanwege de erfopvolging rechtsopvolger van vader is onder algemene titel. De relatie tussen een advocaat en een cliënt is strikt persoonlijk en is zonder nadere afspraken niet overdraagbaar. Klager is geen cliënt geweest van het kantoor van verweerster en wordt dat als erfgenaam van zijn vader ook niet.
6.2 Klager is de wederpartij van de cliënt van verweerster. Het is vaste rechtspraak dat een wederpartij zich niet op gedragsregel 15 kan beroepen. Een cliënt behoort geheel vrij te zijn in de keuze van zijn advocaat, zonder inmenging van de wederpartij daarin. Een beroep op deze gedragsregel komt een wederpartij ook niet toe als hij stelt een belang te hebben bij het (niet) optreden door de advocaat voor een of verschillende cliënten. Dat is slechts anders als die wederpartij er in die zin bij betrokken is dat de wederpartij zelf een voormalige cliënt van de advocaat (of een kantoorgenoot van de advocaat) is (HvD 11 april 2016, ECLI:NL:TAHVD:2016:77). Zoals hiervoor is vastgesteld, is dat niet het geval. Klager komt daarom geen beroep toe op deze gedragsregel.
6.3 De geheimhoudingsplicht van de (voormalige) kantoorgenoten van verweerster jegens vader blijft bestaan, ook na het overlijden van vader. Het op zich invoelbare ongemak dat klager ervaart bij het verlenen van rechtsbijstand door verweerster aan zijn broer in een kwestie omtrent de nalatenschappen van de ouders, brengt nog niet met zich dat sprake is van schending van de geheimhoudingsplicht ten opzichte van vader en/of (schijn van) belangenverstrengeling. Het fundamentele belang dat een cliënt niet lichtvaardig van de vrije advocaatkeuze mag worden afgehouden, speelt daarbij een grote rol. Hoewel de aangiften inkomstenbelasting van vader van belang (kunnen) zijn bij de afwikkeling van de nalatenschap van vader, is de raad van schending van de geheimhoudingsplicht ten opzichte van vader niet gebleken.
6.4 De raad heeft vastgesteld dat verweerster zich bewust is geweest van de precaire verhoudingen en dat zij zich heeft afgevraagd of gedragsregel 15 in dit geval in de weg zou staan aan het optreden voor de broer van klager. Hoewel zij van mening was dat in onderhavige zaak geen sprake is van een situatie als bedoeld in gedragsregel 15, heeft zij de toenmalige gemachtigde van klager in oktober en in november 2022 ervan op de hoogte gesteld dat een (voormalige) kantoorgenote van haar de vader van klager en zijn broer heeft bijgestaan in een geschil met de belastingdienst over zijn aangiften inkomstenbelasting Verweerster heeft toen gevraagd of klager bezwaren heeft tegen haar rechtsbijstand voor zijn broer in het geschil met klager over de afwikkeling van de nalatenschap. Met verweerster stelt de raad vast dat een reactie is uitgebleven, ook nadat verweerster medio december 2022 aan klager heeft laten weten dat zij gezien het uitblijven van een reactie ervan uitgaat, dat van bezwaren van klager geen sprake was. De raad stelt met verweerster vast dat de huidige advocaat van klager pas op 10 juli 2023, acht dagen voor de zitting, aan verweerster heeft laten weten dat klager bezwaar maakt tegen de betrokkenheid van (het kantoor van) verweerster.
6.5 Van een schending van de geheimhoudingsplicht ten opzichte van de vader is de raad niet gebleken. Verweerster heeft in de dupliek in de procedure ten overstaan van de deken en op de zitting bij de raad namelijk verklaard dat klager de financiële administratie van vader aan haar cliënt heeft gegeven, wat klager niet heeft weersproken.
Klacht onder b: het handhaven van het beslag
6.6 Volgens de raad mocht verweerster adviseren de beslagen niet op te heffen toen klager dat verzocht. Verweerster heeft aangevoerd dat er volgens haar geen reden was om de beslagen op te heffen omdat het bij de rechtbank ingediende verzoekschrift tot benoeming van een professioneel vereffenaar in de nalatenschap als de eis in de hoofdzaak gold. Achteraf heeft de voorzieningen-rechter in het kortgedingvonnis van 31 augustus 2023 geoordeeld dat dit door verweerster ingenomen standpunt onjuist is. Een advocaat handelt evenwel niet tuchtrechtelijk verwijtbaar als hij een juridisch standpunt inneemt waarvan achteraf wordt vastgesteld dat dit onjuist is. De raad betrekt daarbij dat de voorzieningenrechter heeft overwogen dat het door verweerster ingenomen juridische standpunt niet op voorhand als evident onjuist ingeschat had moeten worden. Met het niet willen opheffen heeft verweerster in het partijdig belang van haar cliënt gehandeld. Dat verweerster bij haar werkzaamheden voor de wederpartij van klager de doelmatigheid uit het oog heeft verloren, onnodig heeft geprocedeerd of onnodig rechtsmaatregelen tegen klager heeft getroffen, is de raad uit de stukken dan ook niet gebleken.
7 BEROEPSGRONDEN EN VERWEER
Beroepsgronden klager
Ten aanzien van klachtonderdeel a)
7.1 Klager voert aan dat er sprake kan zijn van belangenverstrengeling ook al vererft de cliëntrelatie niet. Het relevante feitencomplex in de eerdere zaak van de vader van klager en in de kwestie tussen klager en verweerder is ongeveer gelijk omdat het in beide zaken ging om het vermogen/de omvang van de nalatenschap van de vader van klager. Er zijn belangen verstrengeld doordat de advocaat van de vader van klager kort na diens overlijden is gaan optreden voor de broer van klager tegen klager, de rechtsopvolger van vader.
Ten aanzien van klachtonderdeel b)
7.2 Het leggen en handhaven van het conservatoir beslag was wel (evident) onjuist. In de bodemprocedure is vastgesteld dat het beslag niet mocht worden gehandhaafd.
Verweer verweerster
7.3 Verweerster heeft gemotiveerd verweer gevoerd in beroep. Waar dat relevant is, bespreekt het hof dit bij de beoordeling van het beroep.
8 BEOORDELING HOF
Maatstaf
8.1 Om te bepalen welke maatstaf van toepassing, moet het hof eerst vaststellen of klager kan worden aangemerkt als een (oud) cliënt van (het kantoor van) verweerster. Met de raad is het hof van oordeel dat de stelling van klager dat hij door erfopvolging rechtsopvolger onder algemene titel van zijn vader is geworden en daardoor (oud) cliënt van (het kantoor van) verweerster, niet juist is. De relatie tussen een advocaat en een cliënt is strikt persoonlijk en is zonder nadere afspraken niet overdraagbaar. De klacht valt daarmee buiten het bereik van gedragsregel 15.
8.2 Deze procedure betreft derhalve een klacht van klager over de advocaat van de wederpartij. De maatstaf die het hof bij de beoordeling van de klacht van klager over verweerster als advocaat aanlegt is mede ingegeven door de voor advocaten geldende kernwaarde partijdigheid en houdt het volgende in. Een advocaat geniet een grote mate van vrijheid om de belangen van zijn cliënt te behartigen op de wijze die hem passend voorkomt. Deze vrijheid mag niet ten gunste van een wederpartij worden beperkt, tenzij haar belangen nodeloos en op ontoelaatbare wijze worden geschaad. Zo mag de advocaat (a) zich niet onnodig grievend uitlaten over de wederpartij, (b) geen feiten poneren waarvan hij de onwaarheid kent of redelijkerwijs kan kennen, (c) bij de behartiging van de belangen van zijn cliënt de belangen van de wederpartij niet onnodig of onevenredig schaden zonder redelijk doel. Daarbij geldt verder dat de advocaat de belangen van zijn cliënt dient te behartigen aan de hand van het feitenmateriaal dat zijn cliënt hem verschaft, en dat hij in het algemeen mag afgaan op de juistheid daarvan en slechts in uitzonderingsgevallen gehouden is de juistheid daarvan te verifiëren. De advocaat hoeft in het algemeen niet af te wegen of het voordeel dat hij voor zijn cliënt wil bereiken met de middelen waarvan hij zich bedient, opweegt tegen het nadeel dat hij daarmee aan de wederpartij toebrengt. Wel moet de advocaat zich onthouden van middelen die op zichzelf beschouwd ongeoorloofd zijn of die, zonder dat zij tot enig noemenswaardig voordeel van zijn cliënt strekken, onevenredig nadeel aan de wederpartij toebrengen.
8.3 De tuchtrechter dient bij de beoordeling van een tegen een advocaat ingediende klacht het aan de advocaat verweten handelen of nalaten te toetsen aan de in artikel 46 Advocatenwet omschreven normen, waaronder de kernwaarden zoals omschreven in artikel 10a Advocatenwet. De tuchtrechter is niet gebonden aan de gedragsregels, maar die regels kunnen wel van belang zijn, gezien ook het open karakter van de behoorlijkheidsnorm in artikel 46 Advocatenwet. Of sprake is van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen hangt af van de feitelijke omstandigheden en wordt door de tuchtrechter per geval beoordeeld.
Overwegingen
8.4 Het hof ziet op basis van de beroepsgronden, die louter een herhaling zijn van de door klager bij de raad ingenomen standpunten, en het onderzoek ter zitting in hoger beroep geen aanleiding om tot een andere beoordeling van de klacht te komen dan de raad. Het hof sluit zich aan bij de beslissing en de daaraan ten grondslag liggende overwegingen van de raad en neemt die over.
8.5 Het voorgaande betekent dat hof het hoger beroep van klager ongegrond zal verklaren en de beslissing van de raad zal bekrachtigen.
9 BESLISSING
Het Hof van Discipline:
bekrachtigt de beslissing van 20 januari 2025 van de Raad van Discipline in het ressort Arnhem-Leeuwarden, genomen onder nummer 24-394/AL/NN.
Deze beslissing is genomen door mr. drs. P. Fortuin, plaatsvervangend voorzitter, mrs. B.J.R. van Tongeren en E.C. Gelok, leden in tegenwoordigheid van mr. E.P.D. van Grondelle, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 16 februari 2026.
griffier voorzitter
De beslissing is verzonden op 16 februari 2026