We werken hard aan het herstel van de stabiliteit van tuchtrecht.overheid.nl. Excuus voor het ongemak.

ECLI:NL:TGZRSHE:2026:59 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg 's-Hertogenbosch H2024/7808

ECLI: ECLI:NL:TGZRSHE:2026:59
Datum uitspraak: 25-03-2026
Datum publicatie: 25-03-2026
Zaaknummer(s): H2024/7808
Onderwerp: Onjuiste verklaring of rapport
Beslissingen: Gegrond, berisping
Inhoudsindicatie: Deels gegronde klacht van werkneemster over verweerder. Verweerder, arbo-arts, heeft klaagster begeleid na de ziekmelding van klaagster. Klaagster verwijt verweerder dat hij de COPD-klachten van klaagster niet serieus heeft genomen, geen medische informatie heeft opgevraagd bij de huisarts van klaagster en geen verslagen of adviezen van fysieke consulten heeft opgesteld, ook niet na verzoek daartoe. Verweerder adviseerde klaagster re-integratie terwijl hij klaagster niet had gezien en klaagster aangaf daartoe niet in staat te zijn. Ook verwijt klaagster dat verweerder geen mediation heeft geadviseerd en niet heeft gereageerd op het verzoek om een second opinion.

REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG TE ’s-HERTOGENBOSCH

Beslissing in raadkamer van 25 maart 2026 op de klacht van:

[A],
wonende in [B],
klaagster,

tegen:

[C],
arts,
destijds werkzaam in [D],
verweerder, hierna ook: de arts.

1. De zaak in het kort
1.1   Klaagster heeft zich 24 april 2024 ziek gemeld bij haar werkgever. De arts is werkzaam als 
arbo-arts en werkt onder supervisie van een bedrijfsarts. De arts is betrokken geweest bij de 
verzuimbegeleiding van klaagster. In deze zaak gaat het over de vraag of de arts in het kader van 
die verzuimbegeleiding heeft gehandeld op de manier zoals van een redelijk handelende en redelijk 
bekwame arbo-arts mag worden verwacht. Volgens klaagster is dat niet het geval. Zij vindt dat het 
handelen van de arts op een aantal vlakken de toets der kritiek niet doorstaat. De arts betwist 
dat. Hij betoogt dat hij wel degelijk op een goede en zorgvuldige manier uitvoering heeft gegeven 
aan de verzuimbegeleiding van klaagster.

1.2   Het college is van oordeel dat de klacht deels gegrond en deels ongegrond is. Voor de gegrond 
verklaarde klachtonderdelen legt het college de arts de maatregel berisping op. Hierna licht het 
college toe hoe het tot deze beslissing is gekomen.

2. De procedure
2.1  Het dossier bevat de volgende stukken:
-   het klaagschrift met de bijlagen, ontvangen op 14 november 2024;
-   het verweerschrift met de bijlagen, ontvangen op 23 december 2024;
-    de brief van 10 januari 2025 van de secretaris aan de arts;
-   de bewijsstukken, ontvangen van klaagster op 4 februari 2025;
-   het proces-verbaal van het mondeling vooronderzoek, gehouden op 17 maart 2025;
-    de brieven van 3 april 2025 van de secretaris aan klaagster en de arts;
-   de stukken van klaagster, ontvangen op 7 mei 2025;
-   de stukken van klaagster, ontvangen op 16 mei 2025;
-   de usb-stick van klaagster, ontvangen op 16 mei 2025;
-   de e-mail van 17 juni 2025 van de arts.

2.2   De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 30 januari 2026. Klaagster is, hoewel 
behoorlijk opgeroepen, niet verschenen. De arts is wel verschenen. Hij heeft zijn standpunt 
toegelicht en hij heeft vragen van het college beantwoord.

3. De feiten
3.1  Op 24 april 2024 heeft klaagster zich ziek gemeld bij haar werkgever.

3.2   Op 3 mei 2024 heeft klaagster verweerder voor het eerst bezocht in het kader van een 
verzuimconsult. Verweerder heeft hierover in het medisch dossier genoteerd (alle citaten voor zover 
van belang en letterlijk weergegeven):
“(…) Reden voor ziekmelden: het is niet goed gegaan of geweest op de werk, zij heeft nu veel 
mentale klachten en zij heeft melding gedaan bij haar werkgever, maar zij hebben er niks mee gedaan 
(zij werkt alleen en moet alles alleen doen, zij kan op het werk niet pauzeren, zelfs niet naar de 
WC etc etc).
Zij heeft een gesprek gehad met haar werkgever o.a. HR, Leidinggevende en manager. Zij hebben er 
niks mee gedaan. Zij is niet gehoord of gezien.
Werk:
Werkgever: (…)
Functie/omschrijving werkzaamheden: verkoop medewerker ( sigaretten en benzine verkopen 
schoonmaken buiten en binnen, hanghanger verhuren, mensen helpen met wasmachine.
Motivatie voor werk: sinds 1 juni 2023. nu verleng tot 1 jan 2025.
Contact werkgever: slecht.

Re-integratie: Momenteel werkt betrokkene niet. Voorgeschiedenis: Blanco
Anamnese: klachten :
1-moe, futloos 2-slaap slecht
3-darmklachten (…) afgevallen
4-snel huilen en emotioneel
5-slecht concentratie, spanning op haar nek en schouder Behandeling/Onderzoek: Huisarts (…)

Lichamelijk onderzoek: niet gedaan.
Conclusie: door de werksituatie heeft betrokkene meer mentale klachten die ziekmakend is.
Diagnose: werk gerelateerde klachten.
Probleem: zij heeft veel problemen op het werk en heeft privé een probleem.
Prognose eigen/ander werk: slecht.
Beleid: 3- gesprek. Betrokkene en haar vriend hebben het voorstel met een 3-gesprek geaccepteerd.”

3.3   Op 21 augustus 2024 heeft een collega van verweerder het volgende genoteerd: “(…) Betrokkene 
had zich in april 2024 ziekgemeld met gezondheidsklachten die (in belangrijke mate) het gevolg 
waren van werkgerelateerde problematiek rondom haar arbeidsomstandigheden en haar beleving van een 
onveilig werkklimaat, dat in combinatie met belastende privéomstandigheden en intrapersoonlijke 
kenmerken van betrokkene. Mijns inziens was er (en is er nog steeds) geen reden om een volledig 
onvermogen tot het kunnen verrichten van arbeid aan te nemen en betrokkene had een groot deel van 
haar eigen werkzaamheden kunnen hervatten.

Ik heb van betrokkene en leidinggevende begrepen dat er een gesprek is geweest over de 
problematiek, maar dat er geen oplossing is bereikt. Ook het voeren van een 3-gesprek heeft 
onvoldoende resultaat gehad. Er is inmiddels sprake van een arbeidsconflict tussen werkneemster en 
werkgever en beide partijen hebben juridische stappen ondernomen. Tevens acht betrokkene zich 
volledig arbeidsongeschikt en zij heeft een deskundigenoordeel bij het UWV aangevraagd.

In het kader van het deskundigenoordeel heeft betrokkene op 28-082024 een afspraak met de 
verzekeringsarts van het UWV. Advies om de uitkomst van het deskundigenoordeel af te wachten. 
Evaluatie zou nodig.”

3.4   Op 9 oktober 2024 is naar aanleiding van een bezoek aan de huisarts het volgende door de 
huisarts genoteerd:
“(…) (S) - gaat niet goed, rookt heel veel 10-15 sig minimaal, conflict met werk, advocaat in 
handen, is een vriendin v mevr helpt haar goed, krijgt geen salaris. weegt nog maar 47 kilo, bij co 
in 2022 woog zij ;57 kilo, heel veel stress, is erg benauwd, hoesten. arbo arts zegt dat mevr niet 
ziek is, gooien het op arbeidsconflict. (…)”

3.5   Op 22 oktober 2024 heeft een tweede verzuimconsult van klaagster bij de arts plaatsgevonden. 
Hierover heeft de arts het volgende in het medisch dossier genoteerd:
“(…) NB: Zij is op tijd en met eigen auto gekomen en er is heel veel discussie. (…)
Beleid :
De komende twee weken kan zij niet werken ivm acute benauwdheid en mediation. Over twee weken 
bellen en de re-integratie starten. (…)”

3.6  In de probleemanalyse van 22 oktober 2024 heeft de arts het volgende geantwoord op de volgende 
vragen:
“(…) 6.2 Door welke aspecten kan de werknemer zijn werk niet doen? (…)
✓ door dynamische en energetische beperkingen

6.3 Welke mogelijkheden om te werken en heeft de werknemer nog wel? (…)
✓ Haar belastbaarheid is tijdelijk onvoldoende om de volledige werkbelasting gezond en duurzaam te 
kunnen dragen. (…)

8.1 Wat is uw conclusie over de mogelijkheid tot werken van de werknemer?
✓ Nu geen benutbare mogelijkheden, in de toekomst wel benutbare mogelijkheden
(…)

10 Advies stappenplan re-integratie-activiteiten
10.1: Heeft de werknemer benutbare mogelijkheden, geef dan een advies over een mogelijke route naar 
werkhervatting.
✓ - Ik heb van partijen begrepen dat er (meerdere) gesprekken zijn geweest over de problematiek, 
die echter niet hebben geleid tot een oplossing. Ook het inschakelen van een onafhankelijke derde ( 
3-gesprek ) heeft daarbij onvoldoende resultaat gehad. In dergelijke situaties kan het inschakelen 
van een externe mediator zinvol zijn.
- Bij uw medewerker is een medische( fysiek) diagnose vastgesteld wat tot gevolg heeft dat er nu 
een periode aanbreekt van zoeken naar een effectieve medicamenteuze behandeling. Dit kan enkele 
weken tijd vergen waarin de belastbaarheid van betrokkene niet optimaal zal zijn. Ik adviseer u 
betrokkene twee weken rusten en daarna opnieuw beoordelen en starten met de re-integratie.
- Zie graag punt 6 om samen (werkgever en werknemer) een plan van aanpak op te stellen.
- Arbodienst monitort behandeling, herstel en de mogelijkheden voor inzet in werk.
- Advies voor een telefonisch vervolgconsult bij de arts over 2 weken ter beoordelen. (…)”

3.7   Op 28 oktober 2024 heeft de toenmalige advocaat van klaagster naar de arbodienst waarvoor de 
arts werkzaam is, gemaild:
“(…) Afgelopen (…) 22 oktober 2024 is cliënte op een consult bij de bedrijfsarts geweest. Cliënte 
heeft dan dit consult nog altijd geen verslag ontvangen. Vriendelijk doch dringend verzoek ik u om 
het verslag te verstrekken. (…)”

3.8   Op 4 november 2024 heeft de advocaat van klaagster naar de arbodienst waar verweerder 
werkzaam is een e-mail gestuurd. Deze e-mail is in zijn geheel in het medisch dossier van klaagster 
opgenomen. De advocaat van klaagster heeft, voor zover van belang, het volgende bericht:
“(…) Als cliënte naar een consult komt bij de bedrijfsarts moet daar een verslag van worden 
opgesteld en worden toegestuurd. Cliënte is ziek. Haar longfunctietest was zwaar onder de maat. 
Momenteel ligt zij in bed. Zij kan niets ondernemen. Ze kan pas in januari terecht bij de longarts. Er is een wachtlijst. Een telefonisch consult vandaag kan zij dus niet bijwonen en zegt ook helemaal niets over haar
arbeidsongeschiktheid. Deze kan niet telefonisch worden beoordeeld. U (…) heeft bij deze wel de 
toestemming van cliënte om contact op te nemen met haar behandelend huisarts. Nogmaals cliënte is 
naast het feit dat er een arbeidsconflict speelt [dat is veroorzaakt door het onbegrip zijdens 
werkgever en het feit dat werkgever steeds ten onrechte het salaris van werkneemster opschort] 
haars inziens volledig arbeidsongeschikt.
Om het arbeidsconflict op te lossen dient er mediation plaats te vinden, met een onafhankelijk 
mediator. Dat staat in uw STECR-richtlijnen. Mocht u op enig moment oordelen dat cliënte 
[gedeeltelijk] arbeidsgeschikt zou zijn verzoek ik u vriendelijk doch dringend een derde 
bedrijfsarts in te schakelen voor een second opinion. Een deskundigenoordeel van het UWV waaruit 
blijkt dat cliënte op zijn minst gedeeltelijk arbeidsongeschikt is ligt er al. De klachten van 
cliënte zijn alleen maar toegenomen. Een kopie van dit bericht zond ik aan werkgever. (…)”

3.9   De arts heeft klaagster diezelfde dag, op 4 november 2024, tijdens een telefonisch consult 
gesproken en hij heeft hierover het volgende in het medisch dossier genoteerd:
“(…) Anamnese:
Het gaat minder goed, heeft extra medicatie voor gekregen (pufje).
In januari 2025 kan zij pas (…) bij longarts.
Klachten: kortademig, moeheid. Diagnose : COPD
Werk: nee, geen contact en wil (…) ook niet werken.
Conclusie: veel discussie en onenigheid. Ik heb haar geadviseerd om te staren met re-integratie.
Beleid : staren met de re-integratie.”

3.10  Op 4 november 2024 heeft de arts zijn advies opgesteld waarin hij het volgende, heeft 
genoteerd:
“(…) De beperkingen waarmee rekening dient te worden gehouden:
De belastbaarheid is niet veel veranderd ten opzichte van het laatste onderzoek. (…)
Re-integratie advies:
Omdat er nog geen duidelijke verbetering is in haar klachten, is er sprake van 
arbeidsongeschiktheid voor eigen werk maar niet voor aangepaste werkzaamheden. Op dit moment kan 
werknemer starten met lichte werkzaamheden voor (3 a 4 uur per dag en3 dagen in de week). Dit gaat 
vooral om zittende werkzaamheden die hij kan verrichten. Dit om de afstand tot het werkgever klein 
te houden. (…)

Vervolgafspraak
Een telefonische vervolgafspraak (…) over ongeveer 4 weken. (…)”

3.11  Bij de e-mail van 5 november 2024, gericht aan het algemene e-mailadres van de arbodienst, 
heeft de advocaat van klaagster onder andere verzocht om een second opinion te laten uitvoeren. In 
de brief van 21 november 2024, die onder andere naar het persoonlijk e-mailadres van de arts bij de 
arbodienst is gestuurd, heeft de advocaat van klaagster onder andere het verzoek om een second 
opinion te laten uitvoeren herhaald.

4. De klacht en de reactie van de arts
4.1  Klaagster verwijt verweerder dat hij:
1.   de ernstige COPD-klachten van klaagster niet serieus heeft genomen. Ondanks dat klaagster 
heeft aangegeven dat hij de medische informatie kan opvragen bij de huisarts van klaagster, lijkt 
verweerder dat tot op heden niet te hebben gedaan;
2.   geen verslagen c.q. adviezen van fysieke consulten heeft opgesteld, ook niet na verzoek 
daartoe;
3.   heeft geoordeeld over de medische klachten (COPD) van klaagster en een re-integratie advies 
heeft gegeven terwijl hij klaagster niet heeft gezien, terwijl klaagster heeft aangegeven op bed te 
liggen omdat klaagster niet in staat was om iets te doen. Volgens klaagster kan verweerder de 
COPD-klachten niet telefonisch beoordelen;
4.   op grond van de richtlijnen voor bedrijfsartsen bij een arbeidsconflict mediation had dienen 
te adviseren. Uit alles blijkt dat er sprake is van een arbeidsconflict maar verweerder heeft geen 
mediation geadviseerd.
5.   geen second opinion door een onafhankelijke bedrijfsarts heeft laten verrichten, ondanks het 
verzoek daartoe en ondanks dat hij dat op basis van de wet daartoe verplicht is. De advocaat van 
klaagster heeft om een second opinion verzocht, maar verweerder heeft niet of te laat hierop 
gereageerd.

4.2  De arts voert verweer. Hij vindt dat de klacht ongegrond moet worden verklaard.

4.3  Het college gaat hieronder verder in op de standpunten van partijen.

5. De overwegingen van het college
De criteria voor de beoordeling
5.1   De vraag is of de arts de zorg heeft verleend die van hem mocht worden verwacht. De norm 
daarvoor is een redelijk bekwame en redelijk handelende arbo-arts. Bij de beoordeling wordt 
rekening gehouden met de voor de arts in de periode waarop de klacht betrekking heeft geldende 
beroepsnormen en andere professionele standaarden.

Klachtonderdeel 1) COPD niet serieus genomen en geen medische informatie opgevraagd
5.2   Klaagster verwijt de arts dat hij haar COPD-klachten niet serieus heeft genomen. Daarnaast 
verwijt zij hem dat hij geen medische informatie heeft opgevraagd bij de huisarts, ondanks dat 
klaagster heeft gezegd dat hij dat had kunnen doen. De arts bestrijdt dat hij de klachten van 
klaagster niet serieus heeft genomen en hij betoogt dat hij over voldoende (medische) informatie beschikte om de klachten van klaagster te beoordelen en om te adviseren over haar arbeids(on)geschiktheid.

5.3   Het college gaat op basis van de inhoud van het klaagschrift ervan uit dat dit 
klachtonderdeel ziet op de consulten die op 22 oktober 2024 en op 4 november 2024 hebben 
plaatsgevonden. Voor het consult op 22 oktober 2024 geldt dat niet kan worden geoordeeld dat de 
arts de COPD-klachten niet serieus heeft genomen. Hij heeft de door klaagster gemelde klachten, 
onder andere benauwdheid, in kaart gebracht en hij heeft op basis daarvan geoordeeld dat klaagster 
op dat moment volledig arbeidsongeschikt was. Hierbij geldt dat de arts in beginsel op zijn eigen 
oordeel mag varen als het gaat om het vaststellen van beperkingen. De arts dient de behandelend 
sector te raadplegen in die gevallen waarin een behandeling in gang zal worden gezet of al 
plaatsvindt en die behandeling een aanmerkelijk effect zal hebben op de arbeidsmogelijkheden van 
klaagster. Ook dient de arts de behandelend sector te raadplegen als de betrokkene stelt dat de 
behandelend sector een beredeneerd afwijkend idee heeft over zijn beperkingen. Die situatie was op 
22 oktober 2024 niet aan de orde. Dat leidt tot de conclusie dat de arts geen medische informatie 
bij de behandelend sector behoefde op te vragen. In zoverre is dit klachtonderdeel ongegrond.

5.4  Dit is anders voor zover het klachtonderdeel ziet op het verzuimconsult dat op
4 november 2024 heeft plaatsgevonden. Het advies van de arts, inhoudend dat klaagster drie keer per 
week voor drie à vier uur per dag kan starten met lichte en aangepaste werkzaamheden, is niet 
navolgbaar. In zijn advies heeft de arts genoteerd dat de belastbaarheid van klaagster ten opzichte 
van het laatste onderzoek (het college gaat ervan uit dat de arts hiermee doelt op het 
verzuimconsult van 22 oktober 2024) volgens klaagster niet veel is veranderd. Gelet hierop is niet 
navolgbaar waarom de arts vindt dat klaagster kan starten met haar re-integratie, terwijl hij op 22 
oktober 2024 oordeelde dat klaagster op dat moment geen benutbare mogelijkheden had. Ter 
gelegenheid van de mondelinge behandeling heeft de arts weliswaar verklaard dat klaagster op 4 
november 2024 niet benauwd was en dat zij “meer kon doen” aan dagelijkse activiteiten dan het geval 
was ten tijde van het consult op 22 oktober 2024, maar hierover heeft de arts niets in het medisch 
dossier opgeschreven. Dit had wel op zijn weg gelegen. Bovendien is de stelling dat klaagster “meer 
kon doen” niet te rijmen met het feit dat de arts in het medisch dossier wel heeft vermeld “het 
gaat minder goed, heeft extra medicatie gekregen (pufje).” De arts heeft hierover tijdens de 
mondelinge behandeling weliswaar verklaard dat hij dit naar aanleiding van de anamnese heeft 
genoteerd, maar daarmee is het advies dat klaagster kon starten met de re-integratie nog steeds 
niet navolgbaar. Bij deze stand van zaken kan niet worden vastgesteld dat de arts de op 4 november 
2024 door klaagster gepresenteerde klachten serieus heeft genomen.

5.5   De omstandigheid dat klaagster pas in januari 2025 bij de longarts terecht kon, zoals de arts 
tijdens de mondelinge behandeling heeft aangevoerd, maakt dat niet anders. Volgens de arts volgt 
hieruit dat de huisarts de klachten van klaagster niet als urgent heeft beoordeeld. Nog afgezien van het feit dat het zeer de vraag is of die conclusie enkel op basis hiervan kan worden getrokken, maakt de omstandigheid dat klaagster pas in januari 2025 een afspraak bij de longarts had, niet dat het re-integratie-advies van 4 november 2024 navolgbaar is. In het verlengde hiervan kan dus ook niet worden gezegd dat de arts de klachten van klaagster op 4 november 2024 serieus heeft genomen.

5.6   In deze situatie, waarin klaagster op 4 november 2024 onder andere heeft gezegd dat het 
minder goed ging, dat zij kortademig was en dat zij extra medicatie had gekregen, terwijl zij naar 
het oordeel van de arts kon starten met haar re-integratie, had het op de weg van de arts gelegen 
om informatie bij de huisarts op te vragen. In het feit dat klaagster vertelde dat zij (naar het 
college aanneemt van de huisarts) extra medicatie had gekregen, ligt immers besloten dat de 
huisarts een beredeneerd ander beeld had van de beperkingen van klaagster dan de arts. Het 
klachtonderdeel is daarom gegrond voor zover het ziet op het niet serieus nemen van de klachten van 
klaagster tijdens het consult op 4 november 2024 en het niet opvragen van medische informatie naar 
aanleiding daarvan.

Klachtonderdeel 2) geen verslagen of adviezen opgesteld van fysieke consulten
5.7   Klaagster verwijt de arts ook dat hij geen verslagen of adviezen heeft opgesteld van fysieke 
consulten. De arts bestrijdt dat.

5.8   Het college stelt vast dat klaagster op 3 mei 2024 en op 22 oktober 2024 een fysiek consult 
bij de arts heeft gehad. Dat blijkt uit het dossier. Uit het dossier blijkt ook dat de arts naar 
aanleiding van het consult op 3 mei 2024, diezelfde dag een advies heeft opgesteld. Voor het 
consult op 22 oktober 2024 geldt dat de arts naar aanleiding daarvan de probleemanalyse van 22 
oktober 2024 heeft opgesteld. Met die probleemanalyse is verslag gedaan over en geadviseerd naar 
aanleiding van het consult op 22 oktober 2024. De conclusie is dus dat arts wel degelijk verslagen 
dan wel adviezen heeft opgesteld naar aanleiding van de fysieke consulten op 3 mei 2024 en 22 
oktober 2024. Dit klachtonderdeel is daarom ongegrond.

Klachtonderdeel 3) geoordeeld over medische klachten en een re-integratie-advies gegeven zonder 
klaagster te zien
5.9   Verder verwijt klaagster de arts dat hij heeft geoordeeld over haar medische klachten en dat 
hij een re-integratieadvies heeft gegeven, terwijl hij haar niet heeft gezien. De arts erkent dat 
hij op 4 november 2024 een telefonisch consult met klaagster heeft gehad. Volgens de arts was het 
niet nodig om klaagster te zien.

5.10  Het college verwijst naar hetgeen hiervoor is overwogen over de door klaagster tijdens het 
telefonisch consult op 4 november 2024 gepresenteerde klachten, de beoordeling daarvan door de arts 
en hetgeen daarover in zijn medische notitie naar aanleiding van het consult en zijn advies is 
vermeld. Gelet op de discrepantie tussen enerzijds de klachten, zoals deze door klaagster zijn 
gemeld en het feit dat zij meldde dat zij extra medicatie had gekregen, omdat het minder goed ging, en anderzijds het feit dat de arts - anders dan op 22 oktober 2024 - nu wel concludeerde dat klaagster kon starten met re-integreren, had hij een fysiek consult met klaagster moeten plannen alvorens advies uit te brengen. Dit klachtonderdeel is in zoverre 
gegrond.

5.11  Voor zover klaagster stelt dat de arts de COPD-klachten hoe dan ook niet telefonisch kon 
beoordelen, is het ongegrond. In het algemeen kunnen COPD-klachten (ook) telefonisch worden 
beoordeeld. Niet kan worden gezegd dat bij een patiënt met COPD-klachten in alle gevallen een 
fysiek verzuimconsult moet plaatsvinden.

Klachtonderdeel 4) geen mediation geadviseerd
5.12  Tevens verwijt klaagster de arts dat hij, hoewel sprake was van een arbeidsconflict, geen 
mediation heeft geadviseerd. De arts betwist dat. Hij betoogt dat hij juist wel mediation heeft 
geadviseerd.

5.13  Het college leidt uit de bij dit klachtonderdeel gegeven toelichting af dat het ziet op het 
consult op 22 oktober 2024. In de probleemanalyse van diezelfde datum is onder het kopje “10 Advies 
stappenplan re-integratie-activiteiten”, hetgeen hiervoor onder 3.6 is opgenomen, vermeld. De arts 
heeft genoteerd dat gesprekken hebben plaatsgevonden tussen klaagster en haar werkgever en dat die 
niet tot een oplossing hebben geleid. Ook heeft de arts genoteerd dat een drie-gesprek heeft 
plaatsgevonden en dat dit onvoldoende resultaat heeft gehad. Vervolgens heeft de arts genoteerd dat 
in dergelijke situaties het inschakelen van een externe mediator zinvol kan zijn. Met deze 
vermelding onder het kopje “10 Advies stappenplan re-integratie-activiteiten” kan niet worden 
volgehouden dat de arts geen mediation heeft geadviseerd. Dit klachtonderdeel is daarom ongegrond.

Klachtonderdeel 5) geen second opinion laten uitvoeren
5.14  Ten slotte verwijt klaagster de arts dat hij geen gehoor heeft gegeven aan de verzoeken om 
een second opinion die zij bij e-mails van 4, 5 en 21 november 2024 via haar advocaat heeft gedaan. 
De arts heeft ter gelegenheid van de mondelinge behandeling verklaard dat hij niet weet of dit 
verzoek om een second opinion hem heeft bereikt en dat hij zich de gang van zaken op dit punt ook 
overigens niet kan herinneren.

5.15  Het college stelt vast dat als (ongenummerde) bijlage bij het door de arts ingediende 
verweerschrift een brief is gevoegd van de (toenmalige) advocaat van klaagster. Het betreft een 
brief van 21 november 2024. Blijkens de aanhef van deze brief is deze brief onder andere per e-mail 
naar het persoonlijke e-mailadres van de arts bij zijn werkgever gestuurd. Het college gaat bij 
gebrek aan aanknopingspunten die op het tegendeel wijzen, ervan uit dat de arts deze brief op of 
omstreeks 21 november 2024 per e-mail heeft ontvangen. Voor zover de arts heeft willen betogen dat 
hem geen tuchtrechtelijk verwijt kan worden gemaakt, omdat hij niet op de hoogte was van het 
verzoek om een second opinion, slaagt het niet. Uit het voorgaande volgt immers dat de arts, zo hij 
al niet op de hoogte zou zijn geweest van de op 4 en 5 november 2024 gedane verzoeken, in ieder geval op of omstreeks 21 november 2024 op de hoogte moet zijn geraakt van het verzoek om een second opinion.

5.16  Het college kan niet vaststellen dat de arts aan dit verzoek gehoor heeft gegeven. 
Integendeel, het dossier bevat geen enkele aanwijzing hiervoor. De arts heeft zelf ook geen feiten 
of omstandigheden aangedragen op basis waarvan, in afwijking van hetgeen uit het dossier naar voren 
komt, zou kunnen of moeten worden aangenomen dat de arts gehoor heeft gegeven aan dit verzoek. Het 
college gaat daarom ervan uit dat geen gehoor is gegeven aan het verzoek om een second opinion. Dit 
is tuchtrechtelijk verwijtbaar. Uit artikel 14, lid 2, onder g, van de Arbeidsomstandighedenwet 
volgt namelijk dat de arts verplicht is om een verzoek van de werknemer om een second opinion te 
honoreren, tenzij zwaarwegende argumenten zich daartegen verzetten. Deze verplichting is uitgewerkt 
in artikel 2.14d van het Arbeidsomstandighedenbesluit en verder ingevuld in het ‘10-Stappenplan 
Second Opinion, versie juni 2019’ van de NVAB (de Nederlandse Vereniging voor Arbeids- en 
Bedrijfsgeneeskunde). Aangezien de arts geen gehoor heeft gegeven aan het verzoek, terwijl hij ook 
niet heeft gesteld dat er zwaarwegende argumenten waren die zich daartegen verzetten, heeft de arts 
niet gehandeld zoals van een redelijk handelende en redelijk bekwame arbo-arts had mogen worden 
verwacht. Dit klachtonderdeel is daarom gegrond.

Slotsom
5.17  Uit de overwegingen hiervoor volgt dat klachtonderdelen 1 en 3 deels gegrond zijn en dat 
klachtonderdeel 5 gegrond is. Klachtonderdelen 2 en 4 zijn ongegrond.

6. De maatregel
6.1   Nu de klacht deels gegrond wordt verklaard, moet het college beoordelen of en zo ja welke 
maatregel moet worden opgelegd. Bij het bepalen van de maatregel heeft het college rekening 
gehouden met alle omstandigheden van dit geval. Uit het voorgaande blijkt dat de arts op diverse 
onderdelen van de verzuimbegeleiding van klaagster niet heeft gehandeld zoals van hem had mogen 
worden verwacht. Dit geldt zowel voor de totstandkoming van zijn advies en de inhoud daarvan naar 
aanleiding van het consult op 4 november 2024, als voor het geen gehoor geven van het 
daaropvolgende verzoek om een second opinion. Daar komt bij dat hetgeen de arts tijdens de 
mondelinge behandeling heeft verklaard over zijn bevindingen tijdens dit consult, niet is terug te 
vinden in zijn medische notitie van dat consult. Als de tijdens de mondelinge behandeling afgelegde 
verklaring juist is, dan geldt dat de verslaglegging van het consult op 4 november 2024 in 
wezenlijke mate te wensen overlaat. Verder weegt het college mee dat de arts ter gelegenheid van de 
mondelinge behandeling niet van enige reflectie op zijn handelen heeft laten blijken. Dit had wel 
voor de hand gelegen, temeer nu het hier niet om hele kleine omissies gaat. In plaats van te 
reflecteren op zijn eigen handelen, heeft de arts met name zijn visie gegeven op de rol en 
opstelling van klaagster tijdens de verzuimbegeleiding. Dit gebrek aan reflectie baart het college 
zorgen. Het is namelijk in het belang van een goede verzuimbegeleiding van de aan de arts toevertrouwde patiënten noodzakelijk dat hij zijn handelwijze kritisch tegen het licht houdt en dat hij bereid is deze waar nodig aan te passen. Dat die aanpassing in dit geval nodig is, blijkt uit het voorgaande. Alles afwegend acht het college een berisping passend en geboden.

Publicatie
6.2   In het algemeen belang zal deze beslissing worden gepubliceerd. Dit algemeen belang is erin 
gelegen dat andere artsen mogelijk iets van deze zaak kunnen leren. De publicatie zal plaatsvinden 
zonder vermelding van namen of andere tot personen of instanties herleidbare gegevens.

7. De beslissing
Het college:
-    verklaart de klacht ten aanzien van de klachtonderdelen 1 en 3 gedeeltelijk gegrond en ten aanzien van
     klachtonderdeel 5 geheel gegrond;
-    legt verweerder de maatregel van berisping op;
-    verklaart de klacht voor het overige ongegrond;
-    bepaalt dat deze beslissing, nadat deze onherroepelijk is geworden, zonder vermelding van namen of andere
     herleidbare gegevens in de Nederlandse Staatscourant zal worden bekendgemaakt en ter publicatie zal worden
     aangeboden aan het tijdschrift Medisch Contact en het Tijdschrift voor Bedrijfs- en Verzekeringsgeneeskunde.

Deze beslissing is gegeven door N.H.J. Lafghani, voorzitter, A.H.M.J.F. Piëtte, lid-jurist,
E. Gorissen, R.P.J. Ansem en P.E. Rodenburg, leden-beroepsgenoten, bijgestaan door
F.A.C. Bergervoet, secretaris, en in het openbaar uitgesproken door
K.A.J.C.M. van den Berg Jeths-van Meerwijk op 25 maart 2026.