We werken hard aan het herstel van de stabiliteit van tuchtrecht.overheid.nl. Excuus voor het ongemak.

ECLI:NL:TGZRSHE:2026:58 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg 's-Hertogenbosch H2025/8382

ECLI: ECLI:NL:TGZRSHE:2026:58
Datum uitspraak: 25-03-2026
Datum publicatie: 25-03-2026
Zaaknummer(s): H2025/8382
Onderwerp: Onjuiste verklaring of rapport
Beslissingen: Ongegrond, kennelijk ongegrond
Inhoudsindicatie: Kennelijk ongegronde klacht van de werkgever van een medewerkster tegen verweerder, bedrijfsarts. Verweerder heeft de medewerkster begeleid bij haar ziekteverzuim en haar vervolgens arbeidsgeschikt bevonden. Klager verwijt verweerder dat verweerder de medewerkster arbeidsgeschikt heeft bevonden ondanks de afspraak tussen klager en verweerder dat de medewerkster arbeidsongeschikt zou zijn. Deze afspraak is niet gebleken en de organisatorische problemen van klager zijn geen onderdeel van de beoordeling van de arbeids(on)geschiktheid van de medewerkster. Ook verwijt klager verweerder een belangenverstrengeling vanwege een aandelentransactie tussen de arbodienst waarvoor verweerder werkzaam is en de verzuimverzekering van klager. Deze belangenverstrengeling is niet gebleken.

REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG TE ’s-HERTOGENBOSCH

Beslissing in raadkamer van 25 maart 2026 op de klacht van:

[A],
vertegenwoordigd door [B],
gevestigd in [C],
klager,
gemachtigde: mr. A.B. Noordhof, werkzaam in Eindhoven,

tegen:

[D],
arts arbeid en gezondheid – bedrijfsgeneeskunde,
destijds werkzaam in [E],
verweerder,
gemachtigde: mr. M.J. de Groot, werkzaam in Hilversum.

1. De zaak in het kort
1.1   Klager is werkgever van een medewerkster (hierna: (de) medewerkster/-er) die zich ziek heeft 
gemeld. De medewerkster was voorafgaand aan haar ziekmelding als advocaat-stagiaire werkzaam bij 
klager. Verweerder heeft de medewerkster begeleid en haar op enig moment arbeidsgeschikt bevonden. 
Klager verwijt verweerder dat verweerder de medewerkster arbeidsgeschikt heeft bevonden ondanks dat 
klager en verweerder hadden afgesproken dat de medewerkster arbeidsongeschikt zou zijn. Ook verwijt 
klager verweerder dat er sprake is van belangenverstrengeling vanwege een aandelentransactie tussen 
de arbodienst waar verweerder werkzaam is en de verzuimverzekering waar klager zijn verzuimpolis 
had afgesloten. Klager stelt dat hij door het advies van verweerder geen uitkering van de 
verzuimverzekeraar heeft gekregen.

1.2   Verweerder heeft het college verzocht klager niet ontvankelijk te verklaren voor wat betreft 
klachtonderdeel a) en als de klacht inhoudelijk wordt behandeld, de klacht ongegrond te verklaren.

1.3   Het college komt tot het oordeel dat de klacht kennelijk ongegrond is. ‘Kennelijk’ betekent 
dat het niet nodig is om nog vragen aan de partijen te stellen en dat duidelijk is dat de klacht 
niet gegrond kan worden verklaard. Hierna licht het college toe hoe het tot deze beslissing is 
gekomen.

2. De procedure
2.1  Het dossier bevat de volgende stukken:
-    het klaagschrift met de bijlage, ontvangen op 14 april 2025;
-    de brief van 7 mei 2025 van de secretaris aan de gemachtigde van klager;
-    de brief van 16 mei 2025 van de gemachtigde van klager, ontvangen op 20 mei 2025;
-    het verweerschrift, ontvangen op 24 juli 2025;
-    het proces-verbaal van het mondeling vooronderzoek, gehouden op 8 oktober 2025.

2.2   Het college heeft de klacht in raadkamer behandeld. Dit betekent dat het college de zaak 
beoordeeld heeft op basis van de stukken, zonder dat de partijen daarbij aanwezig waren.

3. De feiten
3.1   De medewerkster heeft zich op 6 oktober 2023 ziek gemeld nadat zij vier dagen daarvoor was 
gestart bij klager. Verweerder heeft de medewerkster begeleid in haar verzuim en hierover advies 
uitgebracht aan de medewerkster en klager.

3.2   Op of omstreeks 15 april 2024 heeft klager de werksituatie op kantoor van klager aan 
verweerder toegelicht. Klager heeft daarbij uiteengezet dat klager ten tijde van de ziekmelding van 
de medewerkster ook het ontslagbericht ontving van twee andere advocaten en van andere werknemers. 
Klager heeft zijn kantoor vanwege voorgaande drastisch gereorganiseerd en zaken afgestoten om de 
belangen van de cliënten van het advocatenkantoor goed te kunnen behartigen. De strafrechtelijke 
zaken die overbleven waren volgens klager complex, betroffen ernstige delicten als moord, 
ontvoering en verkrachting. Klager heeft verweerder daarnaast toegelicht dat persoonlijke 
beveiliging nodig was vanwege serieuze bedreigingen. Klager heeft benadrukt dat een ervaren 
stabiele advocaat in deze situatie voor dit kantoor noodzakelijk is. Volgens klager was er ook 
onvoldoende tijd om de medewerkster te begeleiden en te re-integreren. Klager stelt dat hij met 
verweerder heeft afgesproken dat parttime of gedeeltelijke werkhervatting van de medewerkster naar 
haar eigen werk als advocaat-stagiaire onmogelijk was vanwege voorgaande.

3.3  Verweerder heeft over het gesprek met klager het volgende genoteerd (alle citaten voor zover 
van belang en letterlijk weergegeven):
“(…) 15.04.2024 tel overleg wgr [college: werkgever] op verzoek wgr
Geeft aan dat hij geen whv [college: werkhervatting] aandurft gezien de ernst van de casussen die 
hij onder handen heeft.
P/Dit bespreken met wnr [college: werknemer]. (…)”

3.4  Op 2 mei 2024 heeft verweerder als volgt inhoudelijk advies gegeven:
“(…) Mevrouw geeft aan volledig op de hoogte te zijn van de aard en ernst van casussen bij het 
kantoor en geen belemmeringen te zien in dat kader. Dit betekent kortom dat het advies van de 
vorige keer nog steeds geldig blijft. Het vraagstuk wat er nu nog ligt is geen 
medische/re-integratie vraagstuk meer maar ligt op het terrein van de arbeidsinhoud en arbeidsverhoudingen. Dit zijn issues die onder de verantwoordelijkheid werkgever en werknemer vallen.
Mogelijkheden medewerker:   Zie vorige rapportage Interventie            NVT
Bevindingen en prognose    >
Prognose met betrekking tot
volledig herstel eigen werk:   Te verwachten in 6 tot 12 weken (…)”

3.5   Op 2 juni 2024 heeft klager aan verweerder laten weten dat het advies van verweerder 
inhoudelijk onjuist en in strijd was met de verstrekte informatie van klager. Verweerder heeft zijn 
advies daarna niet aangepast.

3.6  Per 1 december 2024 is de arbeidsovereenkomst tussen klager en de medewerkster beëindigd.

3.7   Klager heeft in zijn klaagschrift, ontvangen op 14 april 2025, aangegeven dat hij recent van 
de verzuimverzekeraar heeft vernomen dat deze verzekeraar recent aandeelhouder was geworden van de 
arbodienst waarvoor verweerder werkzaam was ten tijde van het advies van 2 mei 2024.

4. De klacht en de reactie van verweerder
4.1  Klager verwijt verweerder dat:
a)   verweerder, nadat hij door klager uitvoerig was geïnformeerd over de aard van het werk van de 
medewerkster, de doorgevoerde reorganisatie en de (on)mogelijkheid om dat werk op het kantoor 
gedeeltelijk te hervatten, toch een advies heeft uitgebracht dat daarmee in strijd was. Ook was het 
advies gebaseerd op onjuiste informatie. Verweerder heeft naderhand wel toegegeven dat hij zich dit 
gesprek herinnerde maar hij heeft dit onjuiste advies niet aangepast, wat zijn handelwijze 
tuchtrechtelijk verwijtbaar maakt;
b)   de onafhankelijkheid van verweerder in het geding kan komen doordat de verzuimverzekeraar 
recent aandeelhouder is geworden in de arbodienst waar verweerder werkzaam is. Dit kan leiden tot 
een ongewenste belangenverstrengeling. Klager vindt het kwalijk dat verweerder zich in een 
dergelijke situatie begeeft waarin hij geen onafhankelijk advies meer zou kunnen uitbrengen.

4.2   Verweerder acht klager weliswaar klachtgerechtigd omdat klager de opdrachtgever is van de 
opdracht aan verweerder, maar verweerder acht klager niet ontvankelijk in klachtonderdeel a) 
vanwege het beroepsgeheim van verweerder. Verweerder heeft aangevoerd dat hij de medewerkster 
(voornamelijk) medisch inhoudelijk heeft beoordeeld om na te gaan of zij arbeidsgeschiktheid is om 
de bedongen arbeid of ander passend werk te verrichten. Verweerder heeft aangedragen dat hij 
vanwege zijn beroepsgeheim het medisch dossier van de medewerkster niet kan overleggen.

4.3  Het college gaat hieronder, voor zover nodig, verder in op de standpunten van partijen.

5. De overwegingen van het college
Ontvankelijkheid
5.1   Het college beoordeelt eerst of klager in klachtonderdeel a) kan worden ontvangen. Het 
college acht klager ontvankelijk en licht dat hieronder toe.

5.2   Op basis van artikel 65 lid 1 aanhef en onder b van de Wet op de beroepen in de individuele 
gezondheidszorg (hierna: Wet BIG) is degene die aan een verweerder een opdracht heeft verstrekt als 
klachtgerechtigd aan te merken. Klager is de opdrachtgever van verweerder. Immers, klager heeft de 
opdracht gegeven aan de arbodienst waarvoor verweerder werkzaam is en verweerder is belast met de 
uitvoering van deze opdracht. Verweerder kan dus voor de toepassing van artikel 65 lid 1 aanhef en 
onder b met de opdrachtnemer worden geïdentificeerd. Het college stelt vast dat klager als 
belanghebbende in zoverre klachtgerechtigd is.

5.3   Verweerder heeft het college verzocht om klager voor klachtonderdeel a) niet ontvankelijk te 
verklaren vanwege het beroepsgeheim van verweerder richting de medewerkster. Verweerder meent dat 
hij is geschaad in zijn verdedigingsbelang in deze procedure doordat hij vanwege zijn 
geheimhoudingsverplichting het medisch dossier van de medewerkster niet kan overleggen. Verweerder 
heeft verklaard dat hij de medewerkster voornamelijk medisch inhoudelijk heeft beoordeeld door na 
te gaan of de medewerkster in staat is haar eigen werk, de bedongen arbeid als advocaat-stagiaire 
en/of ander passend werk te verrichten. Hij heeft het medisch dossier van de medewerkster niet 
overgelegd. Verweerder meent dat het college geen inhoudelijk oordeel kan geven over deze 
tuchtklacht vanwege het gebrek aan het medisch dossier van de medewerkster. Ook meent verweerder 
dat er geen concreet belang van klager is gebleken, enkel het financieel belang dat klager geen 
uitkering ontvangt van zijn verzuimverzekeraar. Voor het geval het college het medisch dossier van 
de medewerkster wenst te ontvangen, heeft verweerder een beroep gedaan op artikel 67 lid 3 Wet BIG 
omdat de persoonlijke levenssfeer van de medewerkster in het geding is.

5.4   Het college onderkent dat in dit geval de positie van verweerder wordt bemoeilijkt wanneer 
het college meer medische informatie nodig zou hebben voor de beoordeling van de klacht. Het 
college acht deze informatie echter niet nodig. De positie van verweerder is daarmee niet geschaad 
en de klacht kan inhoudelijk worden beoordeeld. Het college acht klager ontvankelijk.

De criteria voor de beoordeling
5.5   De vraag is of verweerder de zorg heeft verleend die van hem verwacht mocht worden. De norm 
daarvoor is een redelijk bekwame en redelijk handelende bedrijfsarts. Bij de beoordeling wordt 
rekening gehouden met de voor de bedrijfsarts geldende beroepsnormen en andere professionele standaarden. Dat een zorgverlener beter anders had kunnen handelen is niet altijd genoeg voor een tuchtrechtelijk verwijt. Verder geldt het uitgangspunt dat zorgverleners alleen tuchtrechtelijk verantwoordelijk zijn voor hun eigen handelen.

5.6  Het college oordeelt dat niet is gebleken dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft 
gehandeld.

Klachtonderdeel a) Advies in strijd met aard van werk en reorganisaties
5.7   Klager heeft aangevoerd dat hij voorafgaand aan het advies van 2 mei 2024 aan verweerder de 
hectische kantoorsituatie heeft verduidelijkt. Het kantoor behoefde volgens klager een ervaren 
stabiele advocaat, geen advocaat-stagiaire die kampt met psychische klachten. Ook was er volgens 
klager onvoldoende tijd om de medewerkster te begeleiden en te re-integreren, zodat klager met 
verweerder had afgesproken dat parttime of gedeeltelijke werkhervatting van de medewerkster 
onmogelijk was. De conclusie van verweerder dat er geen medisch/re-integratievraagstukken meer 
waren, is volgens klager onjuist en onbegrijpelijk.

5.8   Verweerder betwist de door klager gestelde afspraak met klager. Verweerder heeft aangevoerd 
enkel aan klager te hebben aangegeven dat hij de zorgen en de bedenkingen van klager begreep. 
Verweerder deelt niet de persoonlijke mening van klager dat de medewerkster arbeidsongeschikt is. 
Volgens verweerder kan de medewerkster via een geleidelijke opbouw haar werkzaamheden hervatten. 
Verweerder heeft aangevoerd dat de taak van de bedrijfsarts is om te beoordelen of de medewerkster 
arbeidsgeschikt is voor de bedoelde arbeid als advocaat-stagiaire en verweerder heeft verwezen naar 
het Statuut Advocaat in Opleiding (AIO).

5.9   Het college acht het de taak van verweerder om te beoordelen of de medewerkster medisch en 
mentaal in staat is om de (gedeeltelijke) werkhervatting als advocaat-stagiaire aan te gaan. De 
door klager aangegeven aard en ernst van de werkzaamheden heeft verweerder met de medewerkster 
besproken. De medewerkster heeft aangegeven de aard en ernst van de casuïstiek te kennen en daarin 
geen belemmeringen te zien. Het college is geen reden gebleken dat de medewerkster, na afronden van 
een academische opleiding, geen inschatting kan maken van de aard en ernst van de casuïstiek. 
Klager heeft daarnaast enkel organisatorische argumenten aangedragen ter onderbouwing van zijn 
standpunt dat de medewerkster volgens klager arbeidsongeschikt zou zijn. Het college overweegt dat 
de organisatorische problemen van klager, hoe vervelend ook voor klager, geen onderdeel zijn van de 
beoordeling van de arbeids(on)geschiktheid van de medewerkster. Op basis van de stukken is het 
college niet gebleken dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld door de 
medewerkster arbeidsgeschikt te verklaren en daarmee haar werk als advocaat-stagiaire geleidelijk 
aan te laten hervatten. Dit klachtonderdeel is kennelijk ongegrond.

Klachtonderdeel b) Belangenverstrengeling
5.10  Klager heeft gesteld dat de onafhankelijkheid van verweerder in het geding kan komen doordat 
de verzuimverzekeraar van klager recent aandeelhouder is geworden van de arbodienst waarvoor 
verweerder werkzaam is. Dit kan volgens klager leiden tot een ongewenste belangenverstrengeling. 
Klager vindt het kwalijk dat verweerder zich in een dergelijke situatie begeeft waarin hij geen 
onafhankelijk advies meer kan uitbrengen.

5.11  Verweerder heeft aangevoerd dat hij geen enkel (financieel) aandeel of eigenaarschap heeft 
gehad in de recente aandelentransactie tussen de vennootschappen van andere organisaties en de 
organisatie waarvoor verweerder werkzaam is. Verweerder heeft aangegeven dat hij ten tijde van het 
gegeven advies niet op de hoogte was van deze aandelentransactie. Omdat het om een recente 
aandelentransactie gaat en daarmee ná het gegeven van advies van een jaar eerder, ziet verweerder 
niet hoe deze transactie de onafhankelijkheid van verweerder toen zou hebben beïnvloed.

5.12  Het college overweegt dat klager niet heeft gesteld en dat het college niet is gebleken, dat 
ten tijde van het advies van verweerder, verweerder op de hoogte was dat de verzuimverzekeraar 
(mede) aandeelhouder was van de arbodienst waar verweerder werkzaam is. Klager heeft daarnaast niet 
betoogd en het college is niet gebleken dat de aandeelhouder bemoeienis heeft (gehad) met de 
inhoudelijke advisering en beoordelingen door verweerder. Enkel het benoemen van een 
aandelentransactie kan niet leiden tot de conclusie dat de aandeelhouder de advisering van 
verweerder op concrete wijze heeft beïnvloed en dat er daarmee sprake is van een (schijn van) 
belangenverstrengeling. Dat de aandeelhouder mogelijk invloed heeft op het beleid binnen de 
arbodienst van verweerder maakt niet dat de (schijn van) belangenverstrengeling kan worden 
aangenomen. Dit klachtonderdeel is ongegrond.

Proceskosten
5.13  Klager heeft verzocht verweerder te veroordelen in de kosten die hij heeft
gemaakt in deze procedure. Een kostenveroordeling op grond van artikel 69 lid 5 Wet BIG is mogelijk 
als het college de klacht (gedeeltelijk) gegrond verklaart en aan de zorgverlener een maatregel 
oplegt. Nu het college heeft geoordeeld dat de klacht in al zijn onderdelen kennelijk ongegrond is, 
zal het college het verzoek tot kostenveroordeling afwijzen.

Slotsom
5.14  Uit de overwegingen hiervoor volgt dat alle onderdelen van de klacht kennelijk ongegrond 
zijn.

6. De beslissing
Het college:
-    verklaart de klacht ongegrond;
-    wijst het verzoek tot kostenveroordeling af.

Deze beslissing is gegeven door A.H.M.J.F. Piëtte, voorzitter, E. Gorissen en R.P.J. Ansem, 
leden-beroepsgenoten, bijgestaan door F.A.C. Bergervoet, secretaris, en op 25 maart 2026 in het 
openbaar uitgesproken door K.A.J.C.M. van den Berg Jeths-van Meerwijk.