Zoekresultaten 9901-9920 van de 48584 resultaten
-
ECLI:NL:TGZREIN:2022:67 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Eindhoven H2021/3629
- Datum publicatie: 15-12-2022
- Datum uitspraak: 30-11-2022
- ECLI:NL:TGZREIN:2022:67
Klaagster verwijt verweerder onder meer dat hij nalatig is geweest in de zorg voor de patiënt. Het door verweerder ingezette beleid is in strijd met de NHG-Behandelrichtlijn Misselijkheid en braken uit 2016. De patiënt was al drie dagen frequent aan het braken en er waren aanwijzingen voor dehydratie. Volgens de Richtlijn had de patiënt moeten worden beoordeeld. Dit heeft verweerder ten onrechte nagelaten. Verweerder heeft antibraakmiddelen voorgeschreven, wat de richtlijn afraadt behoudens uitzonderlijke gevallen. Verweerder heeft niet uitgelegd waarom hij de Richtlijn niet heeft gevolgd. Klacht gegrond. Berisping.
-
ECLI:NL:TGDKG:2022:169 kamer voor gerechtsdeurwaarders Amsterdam C/13/701337 / DW RK 21/169 MdV/WdJ
- Datum publicatie: 15-12-2022
- Datum uitspraak: 12-12-2022
- ECLI:NL:TGDKG:2022:169
Klager stelt dat hij rauwelijks is gedagvaard en beklaagt zich erover dat de gerechtsdeurwaarders hem hebben aangesproken uit hoogde van bestuursaansprakelijkheid. Klacht ongegrond.
-
ECLI:NL:TGZREIN:2022:68 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Eindhoven H2021/3628
- Datum publicatie: 15-12-2022
- Datum uitspraak: 30-11-2022
- ECLI:NL:TGZREIN:2022:68
Klaagster verwijt verweerder onder meer dat hij de gezondheidstoestand van de patiënt verkeerd heeft ingeschat en haar zorgen over de gezondheidstoestand van de patiënt niet serieus heeft genomen. De patiënt was al drie dagen frequent en veel aan het braken. Volgens de NHG-Behandelrichtlijn Misselijkheid en braken uit 2016 had de patiënt moeten worden beoordeeld. Dit heeft verweerder ten onrechte nagelaten. Van verweerder mocht meer navraag bij klaagster naar de achtergrond van haar zorgen en naar de gezondheidstoestand van de patiënt worden verwacht. Klacht deels gegrond. Waarschuwing.
-
ECLI:NL:TGZCTG:2022:210 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag C2020.209
- Datum publicatie: 14-12-2022
- Datum uitspraak: 14-12-2022
- ECLI:NL:TGZCTG:2022:210
Klacht tegen een gynaecoloog. Klaagster is de dochter van de in 2019 op hoge leeftijd overleden patiënte. Patiënte is vanaf 2009 in het ziekenhuis in behandeling geweest in verband met een vulvacarcinoom. De aangeklaagde gynaecoloog is sinds 2014 lid van de Raad van Bestuur van het ziekenhuis. In een ander ziekenhuis hebben in 2009 en 2017 second-opinions plaatsgevonden. In weer een ander ziekenhuis hebben in 2017 en 2018 een PA-revisie en een herbeoordeling van radiologische onderzoeken plaatsgevonden. Begin 2019 is een vaststellingsovereenkomst gesloten ter beëindiging van het geschil tussen enerzijds patiënte en klaagster en anderzijds de aansprakelijkheidsverzekeraar van het ziekenhuis. Klaagster heeft enkele maanden later verzocht om een gesprek met de Raad van Bestuur om te spreken over erkenning van wanprestatie en onrechtmatige daden. Er werd geen aanleiding gezien om weer in gesprek te gaan en verwezen werd naar de aansprakelijkheidsverzekeraar. In dit kader heeft de gynaecoloog klaagster verschillende e-mails gestuurd. Klaagster verwijt de gynaecoloog dat hij niet heeft gehandeld na het bekend worden van foutieve PA-verslagen, dat hij communicatie heeft willen afschuiven op de klachtenfunctionaris, dat hij een zwijgcultuur heeft ingesteld en getraineerd, dat hij geen respect heeft getoond en zonder duidelijke uitleg op vakantie is gegaan, en dat hij ten onrechte heeft gesproken over “nuanceverschillen” ten aanzien van een PA-revisierapport uit een ander ziekenhuis. Het Regionaal Tuchtcollege in Zwolle acht de klacht kennelijk ongegrond. Het Centraal Tuchtcollege oordeelt dat de zaak ten onrechte niet is verwezen naar een aangrenzend college omdat de gynaecoloog zelf lid-beroepsgenoot is van Regionaal Tuchtcollege in Zwolle. Het Centraal Tuchtcollege doet de zaak zelf af en verklaart de klacht in alle onderdelen ongegrond.
-
ECLI:NL:TGZCTG:2022:204 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag C2022/1232 en C2022/1247
- Datum publicatie: 14-12-2022
- Datum uitspraak: 14-12-2022
- ECLI:NL:TGZCTG:2022:204
Klacht tegen arts. Door de informatie op de website van de arts is klaagster ten onrechte in de veronderstelling geraakt dat de arts plastisch chirurg was. Het Centraal Tuchtcollege verwijt de arts dat hij heeft nagelaten deze verwarring weg te nemen. De kwalificatie misleiding, die het Regionaal Tuchtcollege nog wel aannam, laat het Centraal Tuchtcollege achterwege. Het Centraal Tuchtcollege verklaart het beroep van de arts, uitsluitend waar het betreft de opgelegde maatregel, gegrond en verstaat dat de maatregel van berisping komt te vervallen. Hiertoe oordeelt het Centraal Tuchtcollege dat dezelfde dag een uitspraak wordt gedaan waarin de arts dezelfde gedragingen worden verweten en aan de arts een berisping wordt opgelegd. Twee keer een berisping voor dezelfde gedragingen oordeelt het Centraal Tuchtcollege te zwaar.
-
ECLI:NL:TGZCTG:2022:217 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag C2021.271
- Datum publicatie: 14-12-2022
- Datum uitspraak: 14-12-2022
- ECLI:NL:TGZCTG:2022:217
Klacht tegen een internist. Klaagster heeft zich na een tekenbeet gewend tot haar huisarts die haar heeft doorverwezen naar het ziekenhuis. Klaagster is daar een aantal keren gezien door een arts-assistent die onder supervisie stond van verweerster. De internist heeft klaagster gezien bij het eerste consult. De klacht houdt in dat de internist geen goede invulling heeft gegeven aan het hoofdbehandelaarschap, niet heeft gehandeld volgens de CBO-richtlijn Lyme en daardoor een verkeerde en te late diagnose heeft gesteld, klaagster te laat en niet verder heeft behandeld, de gezondheidsklachten van klaagster heeft gebagatelliseerd en haar klachten niet serieus heeft genomen, en geen adequate administratie heeft gevoerd. Het Regionaal Tuchtcollege acht de klacht in alle onderdelen ongegrond. Het Centraal Tuchtcollege verwerpt het beroep van klaagster tegen deze beslissing.
-
ECLI:NL:TGZCTG:2022:211 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag C2020.208
- Datum publicatie: 14-12-2022
- Datum uitspraak: 14-12-2022
- ECLI:NL:TGZCTG:2022:211
Klacht tegen een intensivist. Klaagster is de dochter van de in 2019 op hoge leeftijd overleden patiënte. Patiënte is vanaf 2009 in het ziekenhuis in behandeling geweest in verband met een vulvacarcinoom. De aangeklaagde intensivist is sinds begin 2016 werkzaam als voorzitter van het (bestuur) van de Vereniging Medisch Staf van het ziekenhuis. In 2018 heeft op verzoek van klaagster een gesprek plaatsgevonden. De intensivist zou daarbij aanwezig zijn maar was niet in de gelegenheid dit gesprek bij te wonen. In een brief heeft klaagster onder meer gevraagd om een gesprek met de intensivist. Dit verzoek is niet gehonoreerd. Klaagster verwijt de intensivist dat hij niet open en transparant is en zich niet toetsbaar wil opstellen, dat hij niet luistert en niet toegankelijk is voor een gesprek, dat hij het belang van patiënt niet voorop heeft gesteld en geen belang hecht aan kwaliteit en veiligheid in de patiëntenzorg, en dat hij een verzoek tot een SIRE-onderzoek heeft geweigerd. Het Regionaal Tuchtcollege acht de klacht kennelijk ongegrond. Het Centraal Tuchtcollege verwerpt het beroep van klaagster tegen deze beslissing.
-
ECLI:NL:TADRSGR:2022:218 Raad van Discipline 's-Gravenhage 22-834/DH/DH
- Datum publicatie: 14-12-2022
- Datum uitspraak: 14-12-2022
- ECLI:NL:TADRSGR:2022:218
Voorzittersbeslissing. Klacht tegen de advocaat van de wederpartij in een familierechtelijke kwestie gedeeltelijk kennelijk niet-ontvankelijk en gedeeltelijk kennelijk ongegrond.
-
ECLI:NL:TNORARL:2021:77 Kamer voor het notariaat Arnhem-Leeuwarden C/05 /373599 KL RK 20 - 96
- Datum publicatie: 14-12-2022
- Datum uitspraak: 16-03-2021
- ECLI:NL:TNORARL:2021:77
Klacht niet-ontvankelijk. Uit klacht volgt dat klaagster zich bewust is geweest van het feit dat ze iets ondertekende wat ze niet wilde ondertekenen en zich tevens bewust is geweest van de werkzaamheden die de notaris in dit verband heeft verricht. Daarmee is op 15 juni 2016 voldaan aan de voorwaarden die de Wna stelt voor de start van de driejaarstermijn, wat meebrengt dat deze termijn 3 jaar later op 15 juni 2019 is geëindigd.De mogelijke (door klaagster niet onderbouwde) omstandigheid dat [P.] haar heeft gedwongen tot ondertekening van de akte doet aan het voorgaande niet af. Zelfs indien deze door klaagster gestelde dwang zou komen vast te staan, dan nog zou aannemelijk moeten worden dat deze dwang zou hebben voortgeduurd gedurende de volledige daarop volgende periode van drie jaar waarin klaagster tijdig had kunnen klagen. Dit is echter niet gesteld en niet gebleken.Zelfs indien klaagster gevolgd zou worden in haar stelling dat zij redelijkerwijs niet eerder dan augustus 2017 de reden en de mogelijkheid voor het indienen van een tuchtklacht heeft kunnen zien en haar om deze reden in deze zaak een beroep op de additionele vervaltermijn van een jaar zou toekomen, dan nog is de klacht te laat want ruimschoots na het einde van die termijn ingediend.
-
ECLI:NL:TGZCTG:2022:205 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag C2022/1228 en C2022/1248
- Datum publicatie: 14-12-2022
- Datum uitspraak: 14-12-2022
- ECLI:NL:TGZCTG:2022:205
Klacht tegen arts. Door de informatie op de website van de arts is klaagster ten onrechte in de veronderstelling geraakt dat de arts plastisch chirurg was. Het Centraal Tuchtcollege verwijt de arts dat hij heeft nagelaten deze verwarring weg te nemen. De kwalificatie misleiding, die het Regionaal Tuchtcollege nog wel aannam, laat het Centraal Tuchtcollege achterwege. Dat de arts de enige arts is in zijn praktijk ontslaat de arts niet van de algemene dossierplicht. In beroep zet het Centraal Tuchtcollege uiteen dat een zorgverlener op grond van artikel 13 van de Wkkgz de geldende klachtenregeling op een passende wijze onder de aandacht moet brengen. Daarnaast verklaart het Centraal Tuchtcollege ook de klacht ook ten aanzien van grensoverschrijdend gedrag gegrond en houdt het de maatregel van berisping in stand.
-
ECLI:NL:TGZCTG:2022:212 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag C2020.207
- Datum publicatie: 14-12-2022
- Datum uitspraak: 14-12-2022
- ECLI:NL:TGZCTG:2022:212
Klacht tegen een klinisch geriater tevens internist. Klaagster is de dochter van de in 2019 op hoge leeftijd overleden patiënte. Patiënte is vanaf 2009 in het ziekenhuis in behandeling geweest in verband met een vulvacarcinoom. De aangeklaagde klinisch geriater en internist is sinds begin 2019 werkzaam als voorzitter van de Raad van Bestuur van het ziekenhuis. Klaagster verwijt de klinisch geriater en internist dat zij niet open en transparant is geweest, zich niet toetsbaar heeft willen opstellen, dat zij niet wil luisteren en niet toegankelijk is voor een gesprek, dat zij het belang van patiënt niet voorop heeft gesteld en geen belang hecht aan kwaliteit en veiligheid voor wat betreft patiëntenzorg, en dat zij een onderzoek naar dwaling en misleiding door Medirisk heeft geweigerd. Het Regionaal Tuchtcollege acht de klacht kennelijk ongegrond. Het Centraal Tuchtcollege verwerpt het beroep van klaagster tegen deze beslissing.
-
ECLI:NL:TGZCTG:2022:206 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag C2020.213
- Datum publicatie: 14-12-2022
- Datum uitspraak: 14-12-2022
- ECLI:NL:TGZCTG:2022:206
Klacht tegen een gynaecoloog. Klaagster is de dochter van de in 2019 op hoge leeftijd overleden patiënte. Patiënte is vanaf 2009 in het ziekenhuis in behandeling geweest in verband met een vulvacarcinoom. De aangeklaagde gynaecoloog is werkzaam in een ander ziekenhuis en op verschillende momenten betrokken geweest bij de behandeling van patiënte.Klaagster verwijt de aangeklaagde gynaecoloog dat zij het dossier niet goed heeft bijgehouden, dat de gynaecoloog patiënte o.a. de op 20 september 2017 in het multidisciplinair overleg van het ziekenhuis besproken liesbreuken zowel links als rechts niet heeft meegedeeld, en dat zij heeft geweigerd een revisie te doen van de biopten uit 2012 en 2014, dat zij het overleg met dr. Resink (MST) niet heeft genoteerd in het medisch dossier.Samenvattend geeft klaagster aan dat de second opinion bij de gynaecoloog geen enkele toegevoegde waarde heeft gehad. Er is sprake van een samenzwering. Het Regionaal Tuchtcollege acht de klacht kennelijk ongegrond. Het Centraal Tuchtcollege verwerpt het beroep van klaagster tegen deze beslissing.
-
ECLI:NL:TGZREIN:2022:65 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Eindhoven H2021/3658
- Datum publicatie: 14-12-2022
- Datum uitspraak: 14-12-2022
- ECLI:NL:TGZREIN:2022:65
Klaagster verwijt internist dat zij, ondanks hoge INR-waarde, bloedverdunners heeft voorgeschreven en heeft laten toedienen aan haar overleden echtgenoot. Internist was tevens verantwoordelijk als hoofdbehandelaar. Internist was niet persoonlijk betrokken bij het voorschijven of toedienen van de bloedverdunners. Ook als hoofdbehandelaar niet tuchtrechtelijk verwijtbaar gehandeld, internist was niet op de hoogte en arts-assistent was bevoegd tot zelfstandig handelen. Klacht ongegrond.
-
ECLI:NL:TGZCTG:2022:213 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag C2020.206
- Datum publicatie: 14-12-2022
- Datum uitspraak: 14-12-2022
- ECLI:NL:TGZCTG:2022:213
Klacht tegen een gynaecoloog. Klaagster is de dochter van de in 2019 op hoge leeftijd overleden patiënte. Patiënte is vanaf 2009 in het ziekenhuis in behandeling geweest in verband met een vulvacarcinoom. Klaagster verwijt de gynaecoloog dat hij de operatie in 2009 niet zelf heeft gedaan, niet aanwezig was in het ziekenhuis en dat hij de ingreep heeft laten uitvoeren door anderen, dat hij onvoldoende informatie heeft gegeven met betrekking tot de ingreep op en rond de operatie in 2009, dat hij te lang heeft gewacht met het uitvoeren van een ileus-operatie, dat hij een paralytische ileus na een vierde operatie heeft verzwegen evenals een mogelijk op handen zijnde vijfde operatie, dat hij onvoldoende/onjuiste informatie heeft gegeven tijdens het telefonisch contact in 2016 over de behandeling van patiënte in 2009, dat sprake is van een onjuiste dossiervoering en foutieve vermeldingen, en dat hij geen veiligheid heeft gegeven en geen kwaliteit van zorg. Het Regionaal Tuchtcollege acht de klacht kennelijk ongegrond. Het Centraal Tuchtcollege verwerpt het beroep van klaagster tegen deze beslissing.
-
ECLI:NL:TGZCTG:2022:207 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag C2020.212
- Datum publicatie: 14-12-2022
- Datum uitspraak: 14-12-2022
- ECLI:NL:TGZCTG:2022:207
Klacht tegen een radioloog. Klaagster is de dochter van de in 2019 op hoge leeftijd overleden patiënte. Patiënte is vanaf 2009 in het ziekenhuis in behandeling geweest in verband met een vulvacarcinoom. De aangeklaagde radioloog is werkzaam in een ander ziekenhuis. Patiënte is voor een second opinion naar dit ziekenhuis verwezen. In 2017 heeft er een second opinion door de radioloog plaatsgevonden van de CT-abdomen en CT-thorax.Klaagster verwijt de aangeklaagde radioloog dat hij onvolledige verslaglegging heeft gedaan van de revisie van de CT-scan van 2017 door een aantal bevindingen niet op te nemen in de verslaglegging, dat hij de niet vermelde bevindingen niet aan patiënte heeft meegedeeld terwijl dat wel had gemoeten, en dat hij ten onrechte geen aanvullende onderzoek adviezen heeft gegeven. Het Regionaal Tuchtcollege acht de klacht kennelijk ongegrond. Het Centraal Tuchtcollege verwerpt het beroep van klaagster tegen deze beslissing.
-
ECLI:NL:TGZRAMS:2022:181 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Amsterdam A2022/4262
- Datum publicatie: 14-12-2022
- Datum uitspraak: 14-12-2022
- ECLI:NL:TGZRAMS:2022:181
Klacht kennelijk niet-ontvankelijk tegen een psychiater. Verweerder is psychiater en als bestuurder zorg werkzaam bij een zorgaanbieder. In zijn hoedanigheid als bestuurder heeft verweerder namens de zorgaanbieder een schriftelijke reactie ingediend op de klacht van klaagster bij de geschillencommissie. Klaagster verwijt verweerder dat hij onjuiste medische informatie heeft aangeleverd, waarbij sprake is van valsheid in geschrift. Er heeft geen behandelrelatie tussen klager en verweerder bestaan. De eerste tuchtnorm is daarom niet van toepassing op deze klacht. De tweede tuchtnorm is ook niet van toepassing. Uit de brief volgt niet dat verweerder deze reactie in zijn hoedanigheid van psychiater heeft opgesteld, of vanuit psychiatrisch oogpunt een reactie heeft gegeven; deze reactie had evengoed door een andere bestuurder zonder het specialisme psychiater kunnen zijn geschreven. Zoals is opgemerkt in het verweerschrift, is het indienen van een reactie door de bestuurder zorg in een dergelijke procedure een beleidsmatige keuze van de zorgaanbieder. Dat betekent dat verweerder geacht moet worden uitsluitend in zijn hoedanigheid als bestuurder op de klacht van klaagster bij de geschillencommissie te hebben gereageerd, onder bijvoeging van het dossier zoals dat door de behandelende zorgverleners is opgesteld. Dit handelen van verweerder heeft onvoldoende weerslag op de individuele gezondheidszorg.
-
ECLI:NL:TGZCTG:2022:201 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag C2022/1331
- Datum publicatie: 14-12-2022
- Datum uitspraak: 14-12-2022
- ECLI:NL:TGZCTG:2022:201
Klacht tegen gz-psycholoog. Klager was enige tijd bewindvoerder van een bij de gz‑psycholoog onder behandeling zijnde vrouw. Klager verwijt de gz-psycholoog dat zij in het medisch dossier een aantal zeer tendentieuze en negatieve opmerkingen over klager heeft opgenomen. Hiermee heeft zij volgens klager gehandeld in strijd met de Beroepscode voor psychologen 2015. Het Regionaal Tuchtcollege acht de klacht gegrond en legt aan de gz‑psycholoog een berisping op. Het Centraal Tuchtcollege is van oordeel dat klager geen rechtstreeks belanghebbende is en dus niet klachtgerechtigd is. Klager wordt alsnog in de klacht niet-ontvankelijk verklaard.
-
ECLI:NL:TGZCTG:2022:214 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag C2022/1231
- Datum publicatie: 14-12-2022
- Datum uitspraak: 14-12-2022
- ECLI:NL:TGZCTG:2022:214
Klacht tegen een mdl-arts. Klager is gedurende ruim anderhalf jaar onder behandeling geweest bij de mdl-arts in verband met een colitis ulcerosa. Hij werd hiervoor behandeld met verschillende medicijnen. Klager was ontevreden over deze behandeling en is daarna in behandeling gekomen bij een andere mdl-arts, die een behandeling met adalimumab (behorende tot de zogenoemde biologicals) gestart. Klager verwijt de mdl-arts dat hij klager (en zijn huisarts) de ernst van de aandoening had moeten meedelen en klager had moeten wijzen op het alternatief van biologicals. Het Regionaal Tuchtcollege acht de klacht kennelijk ongegrond. Het Centraal Tuchtcollege verwerpt het beroep van klager tegen deze beslissing.
-
ECLI:NL:TGZCTG:2022:208 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag C2020.211
- Datum publicatie: 14-12-2022
- Datum uitspraak: 14-12-2022
- ECLI:NL:TGZCTG:2022:208
Klacht tegen een patholoog. Klaagster is de dochter van de in 2019 op hoge leeftijd overleden patiënte. Patiënte is vanaf 2009 in het ziekenhuis in behandeling geweest in verband met een vulvacarcinoom. De aangeklaagde patholoog is sinds 1994 patholoog en sinds 2012 werkzaam in een bepaald laboratorium. In 2012 ontving dit laboratorium van de behandelend gynaecoloog een biopt van patiënte ter beoordeling. Van dit biopt zijn microscopisch preparaten gemaakt en deze preparaten zijn door de patholoog beoordeeld. De patholoog heeft het onderzoeksverslag in 2012 geautoriseerd. In 2019 is het biopt op verzoek van klaagster in een ander ziekenhuis gereviseerd waarbij bleek dat er sprake was van een discordantie. Klaagster verwijt de patholoog dat hij een verkeerde diagnose heeft gesteld waardoor patiënte geen behandeling heeft gehad, en dat hij ten onrechte geen controle heeft verricht van de bevindingen. Het Regionaal Tuchtcollege acht de klacht kennelijk ongegrond. Het Centraal Tuchtcollege verwerpt het beroep van klaagster tegen deze beslissing.
-
ECLI:NL:TGZCTG:2022:202 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag C2022/1303
- Datum publicatie: 14-12-2022
- Datum uitspraak: 14-12-2022
- ECLI:NL:TGZCTG:2022:202
Klacht tegen psychiater. Klager is tijdelijk opgenomen geweest in een forensisch psychiatrische kliniek. Op één van de afdelingen waar hij verbleef was de psychiater werkzaam en klagers hoofdbehandelaar. In dat verband maakt klager de psychiater meerdere verwijten. De psychiater zou niet hebben ingegrepen toen klager werd bedreigd door een medepatiënt en is een verkeerd behandelplan met verkeerde diagnoses naar de reclassering gestuurd. Ook zou het behandelplan niet met klager zijn besproken en zou er op het bord in de kliniek ten onrechte staan vermeld dat klager daar vrijwillig verbleef. Het Regionaal Tuchtcollege heeft de klachtonderdelen 1 en 3 kennelijk ongegrond verklaard, klachtonderdeel 2 van onvoldoende gewicht verklaard en klachtonderdeel 4 kennelijk niet-ontvankelijk verklaard. Het Centraal Tuchtcollege verwerpt het door klager ingestelde beroep.