Zoekresultaten 201-210 van de 46489 resultaten

  • ECLI:NL:TAHVD:2026:3 Hof van Discipline 's Gravenhage 250444

    Beklag artikel 13 Advocatenwet ongegrond. Met de deken is het hof van oordeel dat uit het cassatieadvies – dat voldoet aan de daaraan te stellen (zorgvuldigheids)eisen – volgt dat een cassatieprocedure geen redelijke kans van slagen heeft. Op deze grond mocht de deken het aanwijzingsverzoek van klager afwijzen (ECLI:NL:TAHVD:2018:44). Artikel 13 Advocatenwet is niet bedoeld voor de situatie dat klager reeds beschikt over een (negatief) cassatieadvies. Een aanwijzingsverzoek op grond van artikel 13 Advocatenwet leidt er ook niet automatisch toe dat een aangewezen advocaat zijn werkzaamheden verricht op basis van een toevoeging, zoals klager lijkt te veronderstellen. Als klager dat wil, kan hij op eigen kosten een advocaat zoeken die een second opinion wil geven.

  • ECLI:NL:TADRSGR:2025:262 Raad van Discipline 's-Gravenhage 25-389/DH/DH

    Raadsbeslissing. Klacht over de kwaliteit van dienstverlening. Verweerder is ingeschakeld voor het hoger beroep in de alimentatiezaak. Ook een andere advocaat heeft in deze zaak bijstand aan klaagster verleend. Hoewel de gemaakte afspraak bijzonder te nomen is, is het niet tuchtrechtelijk verwijtbaar. Klaagster was hiermee bekend en heeft bovendien zelf met verweerder gecorrespondeerd en hem verzoeken gedaan. Geen sprake van dat verweerder zonder overleg met klaagster is ingeschakeld. Verweerder heeft de opdrachtbevestiging per abuis niet aan klaagster gestuurd. Daarvan kan hem in de gegeven omstandigheden geen verwijt worden gemaakt. Ook andere verwijten zijn ongegrond.

  • ECLI:NL:TADRSGR:2025:275 Raad van Discipline 's-Gravenhage 25-705/DH/DH

    Voorzittersbeslissing. Klacht over de advocaat-gemachtigde van een advocaat in een tuchtprocedure. De eerdere klacht is ongegrond bevonden door het hof van discipline. Daarom bestaat geen aanleiding om in het geval van verweerder tot een andere uitkomst te komen over materieel gezien dezelfde kwestie. Klacht kennelijk ongegrond. Misbruik van recht-bepaling.

  • ECLI:NL:TADRSGR:2025:269 Raad van Discipline 's-Gravenhage 25-717/DH/DH

    Voorzittersbeslissing. Klacht deels niet-ontvankelijk omdat deze te laat is ingediend en deels kennelijk niet-ontvankelijk omdat klager daarbij geen eigen, rechtstreeks betrokken belang heeft.

  • ECLI:NL:TADRSGR:2025:263 Raad van Discipline 's-Gravenhage 25-391/DH/DH

    Raadsbeslissing. Klacht over de eigen advocaat in een familiezaak. De kwaliteit van verweersters bijstand aan klaagster is onvoldoende geweest. Niet vast te stellen is dat zij klaagster op de relevante momenten heeft geïnformeerd en geadviseerd, bijvoorbeeld voorafgaand aan het vertrek uit de echtelijke woning door klaagster en na ontvangst van het (voor klaagster negatieve) vonnis in kort geding. De processtukken van verweerster voldoen niet aan de professionele standaard, doordat zij op diverse punten veel (te) weinig informatie en/of onderbouwing bevatten. Niet blijkt verder dat er enig besef is geweest van de gevolgen van het voor klaagster negatieve vonnis in kort geding voor het verzoek voorlopige voorzieningen, dat kort daarna werd behandeld en op dezelfde onderwerpen (waaronder de woning) zag. Verweerster heeft op meerdere momenten en meerdere punten onzorgvuldig en in strijd met de kernwaarde deskundigheid gehandeld. Berisping.

  • ECLI:NL:TAHVD:2026:1 Hof van Discipline 's Gravenhage 250103

    Klaagster overlijdt enkele dagen voor de mondelinge behandeling bij het hof. Anders dan in eerdere beslissingen (onder meer ECLI:NL:TAHVD:2016:49) ziet het hof geen aanleiding om voor de processuele gevolgen van het overlijden van klaagster aansluiting te zoeken bij art. 47a Advocatenwet. Het hof beslist op grond van wat over en weer in hoger beroep is aangevoerd. Beide partijen zijn in beroep niet-ontvankelijk: klaagster heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de raad om verweerster geen maatregel op te leggen en zij heeft daarnaast nieuwe klachten aangevoerd. Verweerster heeft in het verweerschrift (na afloop van de appeltermijn van 30 dagen) beroepsgronden gericht tegen het gegrond verklaarde klachtonderdeel.

  • ECLI:NL:TAHVD:2026:2 Hof van Discipline 's Gravenhage 250128

    Artikel 13 beklag ongegrond. Ook als de vordering die klager wil instellen niet is verjaard, heeft deze onvoldoende kans van slagen. Bovendien kan klager daarmee niet bereiken wat hij eigenlijk wil.

  • Novitaris-arrest In een ABCD transactie heeft klaagster (B) geklaagd over de wijze waarop de (oud-)notarissen zijn omgegaan met de betaling van de verschuldigde geldbedragen aan pandhouders/beleggers. Klaagster meent dat de (oud-)notarissen tot betaling over moesten gaan zodra er betaald was door A.De kamer heeft geoordeeld dat klaagster een belang heeft bij haar klacht, nu zij gehouden is de kosten koper te dragen op het moment dat het tot betaling van de beleggers komt.Klaagster is niet-ontvankelijk in haar klacht tegen de oud-notaris, omdat haar klacht tegen hem te laat is ingediend. De uitzonderingstermijn is niet van toepassing.Het gevestigde pandrecht ten behoeve van de beleggers, is ondeelbaar. Bovendien was niet duidelijk wie van de beleggers gerechtigd was tot een gestort geldbedrag op de derdengeldenrekening van het notariskantoor. De notarissen mochten besluiten hun ministerie op te schorten om nader onderzoek te verrichten, dan wel om te wachten tot het volledige geldbedrag ten behoeve van alle beleggers was voldaan. De kamer oordeelt dat de notarissen in de rechten en belangen van derden een gegronde reden mochten zien om hun dienst te weigeren dan wel op te schorten.Ten aanzien van de klacht over de gevorderde kosten door de notarissen, oordeelt de kamer dat deze onvoldoende is onderbouwd en dat de door de notarissen geschetste gang van zaken redelijk voorkomt.

  • ECLI:NL:TNORARL:2025:40 Kamer voor het notariaat Arnhem-Leeuwarden C/05/446965 KL RK 25-14

    Klacht is niet-ontvankelijk vanwege het ne bis in idem-beginsel.

  • ECLI:NL:TGZRAMS:2025:313 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Amsterdam A2025/8108

    Kennelijk ongegronde klacht tegen een verpleegkundig specialist. Onder de destijds geldende richtlijn heeft de verpleegkundig specialist terecht een re-excisie geadviseerd na de verwijdering van een verdacht plekje op het voorhoofd van klager door de plastisch chirurg. Dat de verpleegkundig specialist over de bevindingen van de patholoog en/of over de re-excisie onjuiste informatie zou hebben verstrekt aan klager is niet gebleken, noch dat zij de klachtencommissie van het ziekenhuis onjuist zou hebben geïnformeerd. Alle klachtonderdelen zijn kennelijk ongegrond.