ECLI:NL:TNORARL:2025:40 Kamer voor het notariaat Arnhem-Leeuwarden C/05/446965 KL RK 25-14
| ECLI: | ECLI:NL:TNORARL:2025:40 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 16-12-2025 |
| Datum publicatie: | 01-01-2026 |
| Zaaknummer(s): | C/05/446965 KL RK 25-14 |
| Onderwerp: |
|
| Beslissingen: | Klacht niet-ontvankelijk |
| Inhoudsindicatie: | Klacht is niet-ontvankelijk vanwege het ne bis in idem-beginsel. |
KAMER VOOR HET NOTARIAAT IN HET RESSORT ARNHEM-LEEUWARDEN
Kenmerk: C/05/446965 / KL RK 25-14
beslissing van de kamer voor het notariaat
op de klacht van
[naam klager],
kandidaat-notaris te [plaats],
klager,
tegen
[naam oud-notaris],
oud-notaris te [plaats],
verweerder,
gemachtigden: mr. J.G. Geertsma en mr. K. J.M. de Bel.
Partijen worden hierna aangeduid als klager en de oud-notaris.
1. Het verloop van de procedure
1.1. Klager heeft op 26 januari 2025 een klacht, met bijlagen, bij de kamer ingediend.
1.2. De oud-notaris heeft geen verweerschrift bij de kamer ingediend.
1.3. De klachtzaak is ter zitting van 24 november 2025 behandeld, waarbij klager en de oud-notaris met haar gemachtigden zijn verschenen. De standpunten van partijen zijn over en weer toegelicht. De gemachtigden van de oud-notaris hebben daarbij gebruik gemaakt van een pleitnotitie die is overgelegd.
2. De feiten
2.1. Met ingang van 1 februari 2024 is klager benoemd tot zware waarnemer van het (vacante) protocol van de oud-notaris.
2.2. Klager heeft op grond van artikel 25a Wna melding gedaan bij het Bureau Financieel Toezicht (hierna: BFT). Naar aanleiding daarvan heeft het BFT een onderzoek ingesteld naar het handelen van de oud-notaris ten aanzien van de onttrekking van gelden aan de derdenrekening waarvan zij destijds als notaris het beheer voerde. Het BFT heeft vervolgens een notitie van 7 oktober 2024 aan klager gestuurd waarin feitelijke constateringen zijn opgenomen. Het BFT heeft klager verzocht om de informatie in de protocoladministratie nader te analyseren.
2.3. Klager heeft vervolgens de heer [A], accountant, (hierna: de accountant) ingeschakeld. Op 11 december 2024 heeft de accountant een notitie opgesteld waarin een voorlopige berekening is gemaakt van de hoogte van het bedrag aan onttrokken derdengelden aan het protocol van de oud-notaris. In deze notitie is samengevat geconcludeerd dat er voor minimaal € 487.103,00 aan derdengelden is onttrokken aan het protocol van de oud-notaris.
2.4. Op 13 december 2024 heeft het BFT een klacht ingediend tegen de oud-notaris. Bij beslissing van de kamer voor het notariaat van 13 juni 2025 (C/05/445370 / KL RK 24-179) is de klacht van het BFT gegrond verklaard en is de oud-notaris ontzet uit het ambt.
3. De klacht en het verweer
3.1. Klager verwijt de oud-notaris dat zij zich niet als een integer notaris heeft gedragen omdat zij gelden heeft onttrokken aan de derdengeldenrekening waarvan zij destijds als notaris het beheer voerde. Voor de inhoud en hoogte van die onttrekkingen verwijst klager naar de notities van het BFT en de accountant.
3.2. De oud-notaris heeft op de zitting aangevoerd dat de klacht niet-ontvankelijk verklaard moet worden vanwege het ne bis in idem-beginsel en het gebrek aan een redelijk belang.
4. De beoordeling
4.1. De kamer is van oordeel dat de klacht niet-ontvankelijk is vanwege het ne bis in idem-beginsel. Dit wordt hierna toegelicht.
4.2. Het ne bis in idem-beginsel is (ook) van toepassing in het notariële tuchtrecht. Dit beginsel brengt mee dat na beoordeling van een klacht door de tuchtrechter, een latere klacht over ‘hetzelfde feit’ niet opnieuw kan worden behandeld. Er kan dus niet herhaaldelijk over dezelfde gedraging van een notaris worden geklaagd. Bepalend voor het antwoord op de vraag of sprake is van ‘hetzelfde feit’ is of de notaris over wie geklaagd wordt in redelijkheid heeft kunnen menen dat met de beoordeling van het tuchtrechtelijk aspect in de eerdere zaak, de tuchtrechtelijke beoordeling van het desbetreffende handelen is geëindigd (gerechtshof Amsterdam 22 juli 2025, ECLI:NL:GHAMS:2025:1869).
4.3. Het BFT heeft op 13 december 2024 een klacht bij de kamer ingediend tegen de oud-notaris over onrechtmatige onttrekkingen aan de derdengeldenrekening ten laste van verschillende cliëntendossiers en ten gunste van zichzelf. Aan deze klacht heeft het BFT de onderzoeksbevindingen zoals vastgelegd in zijn rapport van 22 november 2024 ten grondslag gelegd. Op de klacht van het BFT is op 13 juni 2025 onherroepelijk beslist door de kamer zoals hiervoor onder 2.4 beschreven. De oud-notaris mocht er vanuit gaan dat de zaak daarmee tuchtrechtelijk was afgedaan. De klacht van klager heeft betrekking op exact dezelfde feiten en gedragingen van de oud-notaris als die waarover het BFT bij de kamer heeft geklaagd. Klager verwijst ter onderbouwing van zijn klacht immers ook (alleen) naar de bevindingen uit het onderzoeksrapport van het BFT, die het BFT in de vorm van de onder 2.3 genoemde notitie aan klager heeft verstrekt. De klacht van klager betreft dus feitelijk een herhaling van de klacht van het BFT. Dit laatste heeft klager overigens ter zitting ook erkend. De klacht zal daarom niet-ontvankelijk worden verklaard.
5. De beslissing
De kamer voor het notariaat in het ressort Arnhem-Leeuwarden:
- verklaart de klacht niet-ontvankelijk.
Deze beslissing is gegeven door mr. A.M.S. Kuipers, voorzitter, mrs. O. Nijhuis, B.B. van Dis, T.A. Dantuma en A.J.H.M. Janssen, leden, en in tegenwoordigheid van mr. L.E. de Jong, secretaris, door de voorzitter in het openbaar uitgesproken op 16 december 2025.
De secretaris De voorzitter
|
Tegen deze beslissing van de kamer voor het notariaat kunnen partijen binnen dertig dagen na de datum van verzending van deze beslissing hoger beroep instellen bij het gerechtshof Amsterdam, Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam. | ||