ECLI:NL:TGZRAMS:2025:313 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Amsterdam A2025/8108

ECLI: ECLI:NL:TGZRAMS:2025:313
Datum uitspraak: 30-12-2025
Datum publicatie: 30-12-2025
Zaaknummer(s): A2025/8108
Onderwerp: Onjuiste behandeling/verkeerde diagnose
Beslissingen: Ongegrond, kennelijk ongegrond
Inhoudsindicatie: Kennelijk ongegronde klacht tegen een verpleegkundig specialist. Onder de destijds geldende richtlijn heeft de verpleegkundig specialist terecht een re-excisie geadviseerd na de verwijdering van een verdacht plekje op het voorhoofd van klager door de plastisch chirurg. Dat de verpleegkundig specialist over de bevindingen van de patholoog en/of over de re-excisie onjuiste informatie zou hebben verstrekt aan klager is niet gebleken, noch dat zij de klachtencommissie van het ziekenhuis onjuist zou hebben geïnformeerd. Alle klachtonderdelen zijn kennelijk ongegrond.

A2025/8108
Beslissing van 30 december 2025

REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG AMSTERDAM
Beslissing in raadkamer van 30 december 2025 op de klacht van:

A,
wonende te B,
klager,

tegen

C,
verpleegkundig specialist algemene gezondheidszorg,
destijds werkzaam te D,
verweerster, hierna ook: de verpleegkundig specialist,
gemachtigde: mr. E.E. Schmitt-Hoogeterp, werkzaam te Utrecht.

1. De zaak in het kort
1.1 Klager verwijt de verpleegkundig specialist dat zij hem in februari 2015 onjuiste informatie heeft verstrekt, dat zij in april 2015 onjuiste informatie in het medisch dossier heeft genoteerd en dat zij in een brief van 23 juli 2015 aan de klachtencommissie van het ziekenhuis onjuiste informatie heeft verstrekt. De verpleegkundig specialist heeft verweer gevoerd tegen de klacht. Klager heeft eveneens een klacht ingediend tegen de plastisch chirurg die bij klager een tweetal (re-)excisies heeft uitgevoerd. De door de verpleegkundig specialist verstrekte en genoteerde informatie had betrekking op deze twee ingrepen. De klacht tegen de plastisch chirurg, met nummer A2025/8052, is bij beslissing van gelijke datum afgedaan.

1.2 Het college komt tot het oordeel dat de klacht kennelijk ongegrond is. ‘Kennelijk’ betekent dat het niet nodig is om nog vragen aan de partijen te stellen en dat duidelijk is dat de klacht niet gegrond kan worden verklaard. Hierna vermeldt het college eerst hoe de procedure is verlopen. Daarna licht het college de beslissing toe.

2. De procedure
2.1 Het college heeft de volgende stukken ontvangen:
- het klaagschrift met de bijlagen, ontvangen op 31 januari 2025;
- het verweerschrift;
- aanvullende informatie van klager, ontvangen op 8 mei 2025;
- de brief van de gemachtigde van verweerster met bijlage van 21 mei 2025;
- de brief van klager met bijlage van 11 juni 2025;

- het proces-verbaal van het mondelinge vooronderzoek, gehouden op 23 juni 2025.

2.2 Het college heeft de klacht in raadkamer behandeld. Dit betekent dat het college de zaak beoordeeld heeft op basis van de stukken, zonder dat de partijen daarbij aanwezig waren.

3. De feiten
3.1 Klager is op 16 januari 2015 bij de dermatoloog geweest. Uit de dossieraantekeningen van de dermatoloog blijkt dat er bij klager in het verleden meerdere vormen van huidkanker waren vastgesteld (melanoom, plaveiselcelcarcinoom en basaalcelcarcinoom). Daarvan waren in het verleden bij klager enkele tientallen plekjes verwijderd. Op 16 januari 2015 was sprake van twee verdachte plekken (voorhoofd links en mondhoek rechts) in het gezicht van klager, waarvan de dermatoloog biopten genomen heeft voor pathologisch onderzoek.

3.2 De uitslag van het pathologisch onderzoek (met nummer T15-00728) dateert van 23 januari 2015. Met betrekking tot het biopt van klagers voorhoofd heeft de patholoog onder meer genoteerd dat er verdenking is van de aanwezigheid van kwaadaardige cellen en dat excisie van de gehele laesie wordt geadviseerd.

3.3 De dermatoloog heeft klager doorverwezen naar de plastisch chirurg, die de verdachte plek op 28 januari 2015 heeft verwijderd. Het verwijderde weefsel is ingestuurd voor pathologisch onderzoek. In de uitslag van het pathologisch onderzoek, met nummer T15-01394, van 30 januari 2015 is onder meer genoteerd (alle citaten alleen voor zover van belang en letterlijk weergegeven):


Klinische Gegevens:
Laesie voorhoofd li. T15-728. Maligniteit? Raicaal? Markering craniaal.
Macroscopie:
Gemarkeerd huidovaal 1.5 x 1.5 x 0.3 cm.
Centraal verheven laesie van 0.5 x 0.6 cm.
Min afstand zijrand 0.2 cm.
(…)
Microscopie:
(…)
De patholoog heeft geconcludeerd dat er in het preparaat geen kwaadaardige cellen zijn aangetroffen maar dat zich aan beide zijden daarvan tot in het snijvlak wel acantholytische actinische keratose bevindt. De puntjes van het preparaat zijn wel vrij van deze cellen.

3.4 Op 4 februari 2015 heeft de verpleegkundig specialist klager op de poli gezien. Zij heeft in het dossier genoteerd:


A/ Goed gegaan
O/ PA besproken, vanwege acantolytische component advies reexcissie.
B/ POK [naam plastisch chirurg]”


3.5 Op 13 april 2015 heeft de plastisch chirurg onder meer in het dossier genoteerd:

“rexcisie laesie rondom eerder litteken ( na act keratose, geen maligniteit) (…)”

3.6 Op 20 april 2015 heeft de verpleegkundig specialist klager op de poli gezien en met hem de uitslag van het pathologisch onderzoek van het op 13 april 2015 verwijderde weefsel besproken. Zij noteerde in het dossier:

“A/ Goed gegaan.
Patient liet wel weten dat hij het verloop vreemd vond. [De plastisch chirurg] heeft oud littekenweefsel weggehaald, maar niet het juiste. Volgens patient had ze het litteken meer naar links moeten verwijderen.
O/ PA uitslag besproken. Patient wil nu verder geen actie.
(…)”

3.7 In haar brief aan de klachtencommissie van het ziekenhuis van 23 juli 2015 heeft de verpleegkundig specialist onder meer geschreven:


Patiënt door mij voor het eerst gezien op 04-02-2015, waarbij ik mijzelf altijd voorstel met mijn naam en aangeef dat ik verpleegkundig specialist ben. Op de polikliniek werden de hechtingen verwijderd, er was een rustige wondgenezing aanwezig. Ik besprak de uitslag van het weefselonderzoek met de patiënt; re-excisie is niet altijd nodig, wetenschappelijk onderzoek onderbouwt dit. Vanuit de literatuur wordt actinische keratose beschouwd als een plaveiselcelcarcinoom in situ.
Ik kan mij nog herinneren dat [klager] uitgebreid vertelde over zijn eigen methode om plekjes te behandelen met antiwratten middel. Hij uitte veel zorg aan zijn huid. Patiënt wilde zekerheid en maakte zich zorgen, daarom heb ik de mogelijkheid geboden dan een re-excisie uit te voeren. Ik stel nooit dat een operatie noodzakelijk is maar geef advies. De pathologie uitslag had immers aangetoond dat het hier niet ging om een invasieve maligniteit. Wanneer er een reëxcisie gedaan wordt doen wij dat na 6 weken en niet eerder, maar later mag wel, afhankelijk van de soort laesie.
Ik zag [klager] nog een laatste maal na de tweede excisie op 20-04-2015. Hij vertelde dat [de plastisch chirurg] volgends hem verkeerd littekenweefsel had weggehaald. Ik heb hem een gesprek aangeboden met [de plastisch chirurg] waar hij op dat moment van afzag.

4. De klacht en de reactie van de verpleegkundig specialist
4.1 Klager verwijt de verpleegkundig specialist dat zij:
a) hem op 4 februari 2015 incorrect over de bevindingen van de patholoog heeft geïnformeerd en hem ten onrechte heeft wijsgemaakt dat een re-excisie moest plaatsvinden, die verder pas na minimaal zes weken kon worden uitgevoerd;
b) op 20 april 2015 onjuiste informatie in klagers medisch dossier heeft vermeld;
c) de klachtencommissie in haar reactie op de klacht van klager op 23 juli 2015 op een aantal punten onjuist heeft geïnformeerd.

4.2 De verpleegkundig specialist heeft het college verzocht de klacht ongegrond te verklaren. Het college gaat hierna voor zover nodig in op de standpunten van partijen.

5. De overwegingen van het college
De criteria voor de beoordeling
5.1 De vraag is of de verpleegkundig specialist de zorg heeft verleend die van haar verwacht mocht worden. De norm daarvoor is een redelijk bekwame en redelijk handelende verpleegkundig specialist. Bij de beoordeling wordt rekening gehouden met de voor de verpleegkundig specialist geldende beroepsnormen en andere professionele standaarden.

5.2 Daarbij gaat het om de beroepsnormen en wetenschappelijke inzichten die golden op het moment van de zorgverlening. Het college beoordeelt de klacht in deze zaak dan ook aan de hand van de normen die in 2015 van toepassing waren. Dat betekent onder meer dat getoetst moet worden aan de Richtlijn actinische keratose van de Nederlandse Vereniging voor Dermatologie en Venereologie (NVDV) uit 2010, die in 2015 nog van toepassing was (en niet aan de in 2017 aangepaste richtlijn).

5.3 Nu klager zijn klacht tegen de verpleegkundig specialist in januari 2025 heeft ingediend, terwijl de klacht gaat over zijn contacten met de verpleegkundig specialist op 4 februari en 20 april 2015 (bijna 10 jaar eerder), houdt het college er verder rekening mee dat de verpleegkundig specialist – zoals zij ook in haar verweer heeft aangegeven – geen concrete herinneringen meer zal hebben aan de contacten uit 2015 en zich voor haar verweer moet baseren op de door klager overgelegde stukken uit het medisch dossier. De verpleegkundig specialist heeft verder terecht aangevoerd dat de dossiervoering anno 2015 anders en beperkter was dan tegenwoordig vereist wordt.

Klachtonderdeel a) consult 4 februari 2015 (indicatie, advies en termijn)
5.4 Klager heeft – kort weergegeven – aangevoerd dat de verpleegkundig specialist hem op 4 februari 2015 heeft gezegd dat het plekje bij de excisie nog niet geheel was verwijderd en dat er een afspraak moest worden gemaakt voor een re-excisie. De woorden “advies” en “acantholyse”, zoals vermeld in haar dossieraantekening, heeft zij volgens klager tijdens dit consult niet gebruikt. Klager meent dat zij hem dwingend heeft overtuigd dat re-excisie nodig zou zijn, terwijl die noodzaak feitelijk ontbrak. Er was geen indicatie voor een re-excisie, omdat de patholoog had geconstateerd dat het verdachte plekje wél geheel was verwijderd en er geen sprake was van invasieve maligniteit. Voor de patholoog was de acantholyse geen argument voor het uitvoeren van een re-excisie, anders zou hij dat wel hebben aangegeven. Er is alleen een indicatie voor re-excisie als er nog sprake kan zijn van maligniteit en dan is het volgens klager ongewenst om zes weken of langer met de re-excisie te wachten. De uitspraak van de verpleegkundig specialist dat altijd minimaal zes weken moet worden gewacht met re-excisie is dus onjuist en niet in overeenstemming met de
richtlijnen, aldus klager.

5.5 De verpleegkundig specialist betwist dat zij klager heeft gezegd dat een re-excisie moest plaatsvinden. Op basis van haar brief van 23 juli 2015 en hetgeen voor haar gebruikelijk was, is zij van mening dat zij de re-excisie als mogelijkheid heeft genoemd, maar niet als noodzakelijkheid. De verpleegkundig specialist gaat er op basis van het medisch dossier vanuit dat zij de re-excisie heeft geadviseerd omdat het huidpreparaat na de eerste excisie acantholytische actinische kerastase bevatte. De buitenste rand van het preparaat was niet helemaal “schoon”. Daarbij wilde klager zekerheid en maakte hij zich zorgen over zijn huid. Van dwang of “moeten” kan geen sprake zijn geweest, omdat geen sprake was van een invasieve tumor en re-excisie daarom niet noodzakelijk was. De verpleegkundig specialist heeft genoteerd dat zij de uitslag van de pathologie met klager heeft besproken. Dat kan ook niet anders, omdat de eerste excisie plaatsvond wegens verdenking op kwaadaardige cellen en een patiënt daarna natuurlijk wil weten of die kwaadaardige cellen daadwerkelijk zijn verwijderd. Dat is de belangrijkste boodschap van het consult. In het verslag van de patholoog valt niet te lezen dat de verdachte plek geheel was verwijderd en dat de patholoog daarom geen verdere behandeling adviseerde. De termijn waarop een re-excisie kon worden uitgevoerd, hing af van het soort huidafwijking in combinatie met de genezing van de wond. In principe moet het littekenweefsel eerst een aantal weken rustig genezen, aldus de verpleegkundig specialist.

5.6 Het college overweegt dat op basis van het biopt van de dermatoloog een duidelijke indicatie bestond voor de eerste excisie, die op 28 januari 2015 plaatsvond. Uit het onderzoek van het bij de eerste excisie weggenomen huidgedeelte bleek vervolgens dat niet alle cellen waren verwijderd en dat nog acantholytische keratose aanwezig was in de zijresectievlakken. Dit wordt gezien als een voorstadium van huidkanker, in het bijzonder plaveiselcelcarcinoom. Tegenwoordig is het beleid om dat op een andere wijze dan met een re-excisie te behandelen, maar in 2015 (onder de oude richtlijn) werd nog uitgegaan van een redelijke kans dat deze cellen zich daadwerkelijk tot huidkanker zouden ontwikkelen. Hoewel excisie van zulke cellen ook in 2015 niet noodzakelijk was, werd destijds nog wel geadviseerd om ook deze resterende cellen nog te laten verwijderen. Daarom was het advies van de verpleegkundig specialist onder de destijds geldende richtlijn correct. Het feit dat de verpleegkundig specialist in het dossier heeft genoteerd dat zij re-excisie geadviseerd heeft en daarnaast ook heeft opgeschreven dat op dat moment geen kwaadaardige cellen waren geconstateerd, geeft het college voldoende aanknopingspunten voor het oordeel dat niet waarschijnlijk is dat zij zou hebben gezegd dat re-excisie noodzakelijk was. Met betrekking tot de termijn waarop de re-excisie zou moeten plaatsvinden, is het college van oordeel dat in de onderhavige situatie geen haast aanwezig was. Als er sprake is van kwaadaardige cellen, moet re-excisie zo snel mogelijk plaatsvinden. In andere gevallen, zoals de situatie bij klager, is het beter om een aantal weken te wachten en eerst het litteken rustig te laten genezen.


5.7 Klachtonderdeel a) is op grond van het voorgaande kennelijk ongegrond.

Klachtonderdeel b) consult 20 april 2015 (onjuiste informatie in dossier)
5.8 Klager heeft aangevoerd dat hij de verpleegkundig specialist op 20 april 2015 hetzelfde heeft verteld als wat hij later aan zijn dermatoloog heeft gezegd, namelijk dat de plastisch chirurg geen re-excisie heeft uitgevoerd, maar in plaats daarvan onnodig een ander plekje actinische keratose heeft verwijderd. Klager kan niet hebben gezegd dat een verkeerd litteken was verwijderd, want klager had geen ander litteken links op zijn voorhoofd. De verpleegkundig specialist heeft dit uit haar duim gezogen, aldus klager.

5.9 De verpleegkundig specialist vertrouwt op hetgeen zij op 20 april 2015 in het medisch dossier heeft genoteerd. Zij leest verder in haar brief van 23 juli 2015 aan de klachtencommissie van het ziekenhuis terug dat zij klager destijds heeft aangeboden om een overleg met de plastisch chirurg in te plannen, maar klager heeft daar geen gebruik van gemaakt.

5.10 Het college overweegt dat de verpleegkundig specialist op 20 april 2015 een neutrale notitie heeft opgesteld, waaruit blijkt dat klager haar heeft verteld dat hij meende dat de plastisch chirurg iets anders had weggehaald dan zij had moeten weghalen. Dat was (en is) ook de kern van de boodschap van klager. Of klager daarbij al dan niet specifiek over littekenweefstel heeft gesproken, kan het college uiteraard niet vaststellen. Naar het oordeel van het college is dat ook niet van belang, nu de boodschap van klager dat er iets anders was weggehaald dan de bedoeling was, wél is overgekomen en genoteerd. Ook klachtonderdeel b) is kennelijk ongegrond.

Klachtonderdeel c) brief van 23 juli 2015 aan de klachtencommissie
5.11 Klager verwijst naar wat hij bij de beide andere klachtonderdelen heeft aangevoerd. Verder voert hij aan dat de verpleegkundig specialist hem op 4 februari 2015 niet gezegd heeft dat een re-excisie niet altijd nodig is: zij heeft hem gezegd dat een re-excisie sowieso nodig was. Dat is niet juist omdat in de richtlijn actinische keratose (klager verwijst naar de richtlijn uit 2017) is aangegeven dat er alleen een indicatie is voor excisie van actinische keratose als sprake is van verdenking op maligniteit. Klager heeft de verpleegkundig specialist pas na de tweede excisie verteld over zijn eigen behandelmethode en hij heeft nooit beweerd dat hij zelf een re-excisie wilde en zich zorgen maakte. De informatie aan de klachtencommissie was op een aantal punten niet correct en de klachtencommissie heeft niet op de brief gereageerd, aldus klager.

5.12 De verpleegkundig specialist zegt zich bijna 10 jaar na dato niets van de casus te kunnen herinneren en baseert zich op de door klager ingebrachte stukken. Zij stelt haar brieven steeds naar beste weten en naar waarheid op. Zij kan zich niet vinden in de weergave van de gang van zaken door klager.


5.13 Het college verwijst naar de voorgaande overwegingen, waarin al op de door klager aangegeven punten is ingegaan. Het college ziet geen aanleiding voor het oordeel dat de verpleegkundig specialist in haar brief van 23 juli 2015 aan de klachtencommissie onjuistheden zou hebben vermeld. De verpleegkundig specialist heeft de klachtencommissie haar kant van het verhaal gegeven en die wordt ondersteund door het dossier. Ook klager heeft bij de klachtencommissie de gelegenheid gehad zijn visie te geven. Dit klachtonderdeel is eveneens kennelijk ongegrond.

Slotsom
5.14 Uit de overwegingen hiervoor volgt dat alle onderdelen van de klacht kennelijk ongegrond zijn.

6. De beslissing
De klacht is in alle onderdelen kennelijk ongegrond.


Deze beslissing is gegeven op 30 december 2025 door G.F.H. Lycklama à Nijeholt, voorzitter, W.M.E. Bil en W.J. van der Meer, leden-beroepsgenoten, bijgestaan door N.A.M. Sinjorgo, secretaris.