Zoekresultaten 13481-13490 van de 47599 resultaten
-
ECLI:NL:TGZRZWO:2021:31 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Zwolle 052/2020
- Datum publicatie: 05-03-2021
- Datum uitspraak: 05-03-2021
- ECLI:NL:TGZRZWO:2021:31
· klacht tegen uroloog. Patiënt wordt behandeld voor urotheelcelcarcinoom. Onverwacht snel recidief met agressief verloop. Patiënt overlijdt. Klaagster, partner van patiënt, klaagt onder andere erover dat beklaagde te lang heeft gewacht met doorverwijzing na pijnklachten die patiënt ervoer voor de eerste controle-afspraak, dat zij eerder actie had moeten ondernemen om de blaas te verwijderen, zelf had moeten opereren en dat beklaagde en patiënt onjuist zijn voorgelicht, aan het lijntje werden gehouden niet met haar een nagesprek wenste te voeren. Het college overweegt dat de na de operatie ondervonden pijnklachten wezen op teelbalontsteking of een bijbalontsteking en geen reden waren de controle-afspraak te vervroegen. Voor verwijdering van de blaas bestond bij deze vorm van tumor aanvankelijk geen reden. De latere cystectomie is door een collega-uroloog gedaan met een specifieke deskundigheid, daarvan treft beklaagde geen verwijt. Van onjuiste voorlichting of aan het lijntje houden is niet gebleken. Beklaagde heeft niet kunnen voorzien dat er zo snel een agressief recidief zou ontstaan. Dat beklaagde patiënt en klaagster in de waan hebben gelaten dat er hoop was op volledige genezing blijkt niet uit het dossier. Klaagster wilde na het overlijden van patiënt aanvankelijk haar op schrift gestelde beleving aan de artsen voorleggen zonder dat dezen daarop mochten reageren. Na overleg heeft het ziekenhuis aangeboden dat klaagster eerst met beklaagde en een internist-oncoloog zou spreken. Klaagster heeft toen aangegeven dat zij dat niet wilde. Klacht ongegrond.
-
ECLI:NL:TGZCTG:2021:54 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag c2020.171
- Datum publicatie: 05-03-2021
- Datum uitspraak: 05-03-2021
- ECLI:NL:TGZCTG:2021:54
Klacht tegen huisarts. Klaagster kwam met klachten van een brandend rode huiduitslag bij de huisarts. Hij diagnosticeerde een allergische reactie en schreef cetirizine voor. Nadien werden de klachten erger. De huisarts verwees klaagster vervolgens voor een allergietest, die echter geen uitsluitsel gaf. Later meldde klaagster aan de huisartsenpraktijk dat zij van de apotheek een andere anticonceptiepil had gekregen en dat de uitslag op dat moment begonnen was. Klaagster verwijt de huisarts dat hij op de hoogte had moeten zijn van de leveringsproblemen met de anticonceptiepil, waarvoor destijds uitgebreid media-aandacht is geweest. Als de huisarts meteen naar een wijziging van anticonceptie had gevraagd, had klaagster geen onnodige kosten voor een allergietest hoeven maken. Het Regionaal Tuchtcollege verklaart de klacht kennelijk ongegrond. Het Centraal Tuchtcollege verwerpt het beroep van klaagster tegen deze beslissing.
-
ECLI:NL:TGZRAMS:2021:32 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Amsterdam 2020/254
- Datum publicatie: 04-03-2021
- Datum uitspraak: 04-03-2021
- ECLI:NL:TGZRAMS:2021:32
Klager heeft verweerder gevraagd een expertise te maken over de gevolgen voor klager van een scooterongeluk in verband met een geschil over de aanvraag van een gehandicaptenparkeerkaart. Klager stelt dat hij aan het ongeluk een whiplash heeft overgehouden. Klager verwijt verweerder onder meer dat hij de opdracht niet had mogen aannemen en dat de door verweerder uitgebrachte expertise niet aan de eisen voldoet. Klacht kennelijk ongegrond.
-
ECLI:NL:TADRSGR:2021:39 Raad van Discipline 's-Gravenhage 21-008/DH/DH/W
- Datum publicatie: 04-03-2021
- Datum uitspraak: 22-01-2021
- ECLI:NL:TADRSGR:2021:39
Wrakingsverzoek afgewezen. Wrakingsverbod opgelegd.
-
ECLI:NL:TADRSGR:2021:33 Raad van Discipline 's-Gravenhage 20-760/DH/RO
- Datum publicatie: 03-03-2021
- Datum uitspraak: 25-01-2021
- ECLI:NL:TADRSGR:2021:33
Verweerster heeft in een echtscheidingszaak opgetreden voor de man en de vrouw. Zij heeft de aan de man toegezegde vertrouwelijkheid van een e-mail geschonden. Klacht gegrond, voorwaardelijke schorsing van twee weken.
-
ECLI:NL:TADRSGR:2021:34 Raad van Discipline 's-Gravenhage 20-594/DH/DH
- Datum publicatie: 03-03-2021
- Datum uitspraak: 25-01-2021
- ECLI:NL:TADRSGR:2021:34
Verzet ongegrond
-
ECLI:NL:TSCTS:2021:3 Tuchtcollege voor de Scheepvaart 2021-04 (2020.V6-Zealand Rotterdam)
- Datum publicatie: 03-03-2021
- Datum uitspraak: 03-03-2021
- ECLI:NL:TSCTS:2021:3
Op 23 november 2019 is aan boord van het vrachtschip Zealand Rotterdam een ernstig ongeval gebeurd. Als gevolg van dat ongeval is A/B (able bodied seaman) F. Jr. B. C. (hierna: de matroos) komen te overlijden. Het ongeval gebeurde toen de bemanning bezig was met voorbereidingen om met eigen losgerei van de Zealand Rotterdam lading uit dat schip te lossen. De matroos is daarbij op een ladinggrijper van een laad-/loskraan van de Zealand Rotterdam geklommen. Dat deed hij om de haak van die kraan vast te maken aan de O-ring bovenaan de grijper. Nadat hij aansluitend de O-ring en/of grijperkabel had losgekoppeld is de kraanhaak met een zwaaiende beweging tegen hem aangekomen, waarschijnlijk/mogelijk door een slingerbeweging van de Zealand Rotterdam, welk schip op dat moment op de rede van Mumbai, India, lag. Door die aanraking verloor de matroos zijn evenwicht en maakte hij een val van ongeveer 5 meter. Hij kwam terecht op het hoofddek. Door de val is hij zwaargewond geraakt. Kort daarna is hij aan zijn verwondingen overleden. Het ongeval is op 24 november 2019 door de reder aan de ILT gemeld.
-
ECLI:NL:TADRSGR:2021:35 Raad van Discipline 's-Gravenhage 20-417/DH/RO
- Datum publicatie: 03-03-2021
- Datum uitspraak: 25-01-2021
- ECLI:NL:TADRSGR:2021:35
Verzet gegrond; de voorzitter heeft een onjuist toetsingskader gehanteerd. De klacht is ongegrond.
-
ECLI:NL:TSCTS:2021:4 Tuchtcollege voor de Scheepvaart 2021-03 (2020.V7-Zealand Rotterdam)
- Datum publicatie: 03-03-2021
- Datum uitspraak: 03-03-2021
- ECLI:NL:TSCTS:2021:4
Op 23 november 2019 is aan boord van het vrachtschip Zealand Rotterdam een ernstig ongeval gebeurd. Als gevolg van dat ongeval is A/B (able bodied seaman) F. Jr. B. C. (hierna: de matroos) komen te overlijden. Het ongeval gebeurde toen de bemanning bezig was met voorbereidingen om met eigen losgerei van de Zealand Rotterdam lading uit dat schip te lossen. De matroos is daarbij op een ladinggrijper van een laad-/loskraan van de Zealand Rotterdam geklommen. Dat deed hij om de haak van die kraan vast te maken aan de O-ring bovenaan de grijper. Nadat hij aansluitend de O-ring en/of grijperkabel had losgekoppeld is de kraanhaak met een zwaaiende beweging tegen hem aangekomen, waarschijnlijk/mogelijk door een slingerbeweging van de Zealand Rotterdam, welk schip op dat moment op de rede van Mumbai, India, lag. Door die aanraking verloor de matroos zijn evenwicht en maakte hij een val van ongeveer 5 meter. Hij kwam terecht op het hoofddek. Door de val is hij zwaargewond geraakt. Kort daarna is hij aan zijn verwondingen overleden.
-
ECLI:NL:TADRSGR:2021:36 Raad van Discipline 's-Gravenhage 20-416/DH/RO
- Datum publicatie: 03-03-2021
- Datum uitspraak: 25-01-2021
- ECLI:NL:TADRSGR:2021:36
Verzet ongegrond
- Vorige pagina zoekresultaten
- Pagina: 1
- ...
- Pagina: 1348
- Pagina: 1349
- Pagina: 1350
- ...
- Pagina: 4760
- Volgende pagina zoekresultaten