ECLI:NL:TGZCTG:2021:54 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag c2020.171
| ECLI: | ECLI:NL:TGZCTG:2021:54 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 05-03-2021 |
| Datum publicatie: | 05-03-2021 |
| Zaaknummer(s): | c2020.171 |
| Onderwerp: | Onjuiste behandeling/verkeerde diagnose |
| Beslissingen: | |
| Inhoudsindicatie: | Klacht tegen huisarts. Klaagster kwam met klachten van een brandend rode huiduitslag bij de huisarts. Hij diagnosticeerde een allergische reactie en schreef cetirizine voor. Nadien werden de klachten erger. De huisarts verwees klaagster vervolgens voor een allergietest, die echter geen uitsluitsel gaf. Later meldde klaagster aan de huisartsenpraktijk dat zij van de apotheek een andere anticonceptiepil had gekregen en dat de uitslag op dat moment begonnen was. Klaagster verwijt de huisarts dat hij op de hoogte had moeten zijn van de leveringsproblemen met de anticonceptiepil, waarvoor destijds uitgebreid media-aandacht is geweest. Als de huisarts meteen naar een wijziging van anticonceptie had gevraagd, had klaagster geen onnodige kosten voor een allergietest hoeven maken. Het Regionaal Tuchtcollege verklaart de klacht kennelijk ongegrond. Het Centraal Tuchtcollege verwerpt het beroep van klaagster tegen deze beslissing. |
C E N T R A A L T U C H T C O L L E G E
voor de Gezondheidszorg
Beslissing in de zaak onder nummer C2020.171 van:
A., wonende te B., appellante, klaagster in eerste aanleg,
tegen
C., huisarts, werkzaam te B., verweerder in beide instanties,
1. Verloop van de procedure
A. – hierna klaagster – heeft op 5 februari 2020 bij het Regionaal Tuchtcollege te Zwolle tegen C. – hierna de huisarts – een klacht ingediend. Bij beslissing van 11 mei 2020, onder nummer 016/2020, heeft dat college de klacht kennelijk ongegrond verklaard.
Klaagster is van die beslissing tijdig in beroep gekomen. De huisarts heeft een verweerschrift in beroep ingediend.
De zaak is in beroep behandeld ter openbare terechtzitting van het Centraal Tuchtcollege van 19 februari 2021, waar de huisarts in persoon is verschenen.
Klaagster is met bericht niet verschenen.
2. Beslissing in eerste aanleg
Het Regionaal Tuchtcollege heeft aan zijn beslissing het volgende ten grondslag gelegd.
“2. DE FEITEN
Op grond van de stukken (waaronder het relevante deel van het huisartsendossier) dient, voor zover van belang voor de beoordeling van de klacht, van het volgende te worden uitgegaan.
Klaagster, geboren in 1975, is op 21 november 2018 door beklaagde gezien met klachten van een brandend rode huiduitslag. Beklaagde heeft klaagster gevraagd of er een verandering was van huishoudelijke producten of dieet. Door beklaagde zijn de klachten gediagnosticeerd als een allergische reactie. Beklaagde heeft cetirizine 10mg (2D1T) voorgeschreven.
Op 23 november 2018 is klaagster wederom gezien door beklaagde. Klaagster heeft tijdens dit consult aangegeven dat de uitslag eigenlijk alleen maar erger werd en dat zij verder onderzoek wilde. Beklaagde heeft besproken dat de oorzaak van een allergische reactie vaak lastig is te vinden en dat eerst bekeken zal worden of een allergietest iets oplevert.
De hierop gedane allergietest gaf geen uitsluitsel over de oorzaak van de huiduitslag. Omdat de uitslag niet verdween is klaagster op 12 december 2018 door beklaagde verwezen naar een dermatoloog. Diezelfde dag nog heeft klaagster telefonisch contact opgenomen met de huisartsenpraktijk om door te geven dat zij van de apotheek een andere anticonceptiepil had gekregen en dat de huiduitslag op dat moment begonnen was.
Klaagster heeft de kosten van de allergietest ad € 147,00 zelf moeten betalen.
3. HET STANDPUNT VAN KLAAGSTER EN DE KLACHT
Klaagster verwijt beklaagde -zakelijk weergegeven- dat hij op de hoogte had moeten zijn van de leveringsproblemen met de anticonceptiepil, waarvoor destijds uitgebreid (media)aandacht is geweest. Als beklaagde meteen naar (een wijziging van) anticonceptie had gevraagd dan was verder onderzoek niet nodig geweest en had klaagster geen onnodige kosten had hoeven maken.
4. HET STANDPUNT VAN BEKLAAGDE
Beklaagde voert -zakelijk weergegeven- aan dat het overgaan op een andere anticonceptiepil is gebeurd door de apotheker in samenspraak met klaagster en dat beklaagde door de apotheek niet op de hoogte is gesteld van deze wijziging. Beklaagde was niet op de hoogte van leveringsproblemen met betrekking tot de anticonceptiepil van klaagster. Beklaagde heeft in algemene zin gevraagd naar een wijziging in bijvoorbeeld zeep, cosmetica of dieet. Het is, aldus beklaagde, ondoenlijk om naar alle mogelijke oorzaken van een allergische reactie specifiek te vragen, hierin ligt ook een stuk verantwoordelijkheid van de patiënten zelf.
5. DE OVERWEGINGEN VAN HET COLLEGE
5.1
Het college wijst er allereerst op, dat het bij de tuchtrechtelijke toetsing van professioneel handelen er niet om gaat of dat handelen beter had gekund, maar om het geven van een antwoord op de vraag of de beroepsbeoefenaar bij het beroepsmatig handelen is gebleven binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening, rekening houdend met de stand van de wetenschap ten tijde van het klachtwaardig geachte handelen en met hetgeen toen in de beroepsgroep ter zake als norm of standaard was aanvaard.
5.2
Toen klaagster bij beklaagde kwam met klachten die wezen op een allergische reactie, heeft beklaagde gevraagd naar een wijziging in het gebruik van producten als make-up en dieet. Klaagster heeft toen niet gedacht aan de wijziging in anticonceptie en beklaagde heeft niet specifiek gevraagd naar de wijziging in anticonceptie of althans medicatie. Hij was ook niet door de apotheker verwittigd. Het voert te ver beklaagde in tuchtrechtelijke zin te verwijten dat hij niet specifiek heeft gedacht aan een mogelijke wijziging in anticonceptiepil als mogelijke oorzaak van de allergische reactie. Dat in de betreffende periode leveringsproblemen bestonden ten aanzien van anticonceptiemiddelen en voor sommige gebruiksters een alternatief moest worden gevonden, maakt het voorgaande niet anders. Beklaagde was er niet van op de hoogte dat dit ook voor klaagster gold.
Gelet op de aanhoudende allergische klachten, die niet verminderden met de voorgeschreven cetirizine en de last die klaagster aangaf van deze klachten te hebben, was een verwijzing voor een allergietest een logische en adequate vervolgstap. Dat betekent dat de klacht niet slaagt.
5.3
Gelet op het voorgaande dient als volgt te worden beslist. ”
3. Vaststaande feiten en omstandigheden
Voor de beoordeling van het beroep gaat het Centraal Tuchtcollege uit van de feiten en omstandigheden zoals weergegeven in de beslissing in eerste aanleg. Die weergave is in beroep niet, althans onvoldoende, bestreden.
4. Beoordeling van het beroep
4.1 Klaagster is het niet eens met de beslissing van het Regionaal Tuchtcollege. Zij betoogt ook in beroep dat de huisarts kan worden verweten dat hij niet op de hoogte was van de problemen met de door haar gebruikte anticonceptiepil. Zij verzoekt het Centraal Tuchtcollege de bestreden beslissing te vernietigen en de klacht alsnog gegrond te verklaren.
4.2 De huisarts heeft gemotiveerd verweer gevoerd. Hij verzoekt het Centraal Tuchtcollege het beroep te verwerpen en de bestreden beslissing te handhaven.
4.3 Het Centraal Tuchtcollege heeft kennis genomen van de inhoud van de in eerste aanleg geformuleerde klacht en het daarover in eerste aanleg door partijen schriftelijk gevoerde debat. Het door het Regionaal Tuchtcollege gevormde zaaksdossier is aan het Centraal Tuchtcollege gestuurd. In beroep is het debat door partijen schriftelijk nog een keer gevoerd, waarbij door ieder van hen standpunten zijn ingenomen naar aanleiding van de door het Regionaal Tuchtcollege vastgestelde feiten en de door dat college gegeven beschouwingen en beslissingen. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de huisarts nog een nadere toelichting gegeven.
4.4 De behandeling van de zaak in beroep heeft geen ander licht op de zaak geworpen. Het Centraal Tuchtcollege kan zich verenigen met de overwegingen en het oordeel van het Regionaal Tuchtcollege en neemt deze overwegingen en dit oordeel integraal over. Anders dan klaagster kennelijk meent, heeft het Regionaal Tuchtcollege in rechtsoverweging 5.1 van de bestreden beslissing een juiste toetsingsmaatstaf aangelegd.
4.5 Dit betekent dat het Regionaal Tuchtcollege de klacht terecht ongegrond heeft verklaard en dat het beroep moet worden verworpen.
5. Beslissing
Het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg:
verwerpt het beroep.
Deze beslissing is gegeven door: A.D.R.M. Boumans, voorzitter, T. Dompeling en R.H. Zuijderhoudt, leden-juristen en W. de Ruijter en M.G.M. Smid-Oostendorp, leden‑beroepsgenoten en E.D. Boer, secretaris.
Uitgesproken ter openbare terechtzitting van 5 maart 2021.
Voorzitter w.g. Secretaris w.g.