Zoekresultaten 22581-22590 van de 47494 resultaten

  • ECLI:NL:TAHVD:2017:198 Hof van Discipline 's-Hertogenbosch 170201

    Nu verweerder zijn hoger beroep tegen de beslissing van de raad heeft ingetrokken is de beslissing van de raad onherroepelijk geworden en dient het hof op grond van artikel 56 lid 5 Advocatenwet de ingangsdatum van het onvoorwaardelijk deel van de opgelegde schorsing te bepalen. Daarbij is van belang dat verweerder van 26 juni 2017 tot en met 9 september 2017 geschorst is geweest ingevolge de beslissingen van de raad van 12 juni 2017 met nummers 17-133/DB/ZBW en 17-272/DB/ZWB en dat hij aansluitend op grond van de beslissing van de raad van 4 september 2017 (zaaknr. 17-590/DB/L/d) ex artikel 60ab lid 1 Advocatenwet voor onbepaalde tijd in de uitoefening van de praktijk is geschorst sedert 10 september 2017. Ook deze laatste beslissing is inmiddels onherroepelijk geworden. Het hof bepaalt tevens de volgorde van de door de raad bij de onderhavige beslissing en bij beslissingen met nummers 17-019/DB/ZWB en 17-132/DB/ZWB/D van gelijke datum opgelegde onvoorwaardelijke schorsingen.

  • ECLI:NL:TAHVD:2017:204 Hof van Discipline 's-Hertogenbosch 170047

    Bekrachtiging van de uitspraak van de raad.

  • ECLI:NL:TNORARL:2017:51 Kamer voor het notariaat Arnhem-Leeuwarden C/05/323758 KL RK 17-100 en C/05/323787 KL RK 17-101

    De kandidaat-notaris heeft met de brief en het toezenden daarvan aan de andere erfgenamen onvoldoende acht geslagen op de nadrukkelijke wens van klaagster om dit alleen mondeling bij moeder aan de orde te stellen. Het gestelde dat het volgens de kandidaat-notaris om zaken gaat die de nalatenschap betreffen maakt dit niet anders. Het was aan de kandidaat-notaris geweest om dit eerst met klaagster te bepreken. Klaagster had op dat moment haar verzoek nog kunnen intrekken.

  • ECLI:NL:TGZCTG:2017:286 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag c2016.470

    Klaagster is de moeder van vier kinderen. De jongste twee kinderen hadden hun hoofdverblijf bij klaagster. Klaagster is gescheiden. Er is een anonieme melding bij het AMK (Veilig Thuis) gedaan van een vermoeden van kindermishandeling t.a.v. de kinderen destijds zestien en zeventien jaar oud. Er volgde een tweede door de vader van de kinderen gedane AMK melding van vermoeden van kindermishandeling. De rechtbank sprak een voorlopige ondertoezichtstelling met machtiging tot uithuisplaatsing uit en de kinderen zijn uit huis geplaatst en ondergebracht op een geheim adres. Verweerster, arts, heeft namens het AMK nader (dossier)onderzoek gedaan en heeft onder meer gekeken of er aanwijzingen waren voor PCF (Pediatric Condition Falsification) en FDP (Factitious Disorder by Proxi). Klaagster verwijt verweerster: I. Dat de vraagstelling van het rapport onjuist en suggestief is. Er is volgens haar sprake van een z.g. confirmation bias in die zin dat verweerster er reeds bij voorbaat van overtuigd is dat de in de vraagstelling genoemde vermoedens op waarheid berusten. II. Met betrekking tot de inhoud van het rapport luidt de klacht dat de arts: 1. meningen tot feiten verheft; 2. selectief is in de weergegeven informatie doordat zij uit het aanwezige materiaal slechts de teksten die de kenmerken van PCF en/of FDP bevestigen selecteert en de teksten die het tegendeel laten zien weglaat en negeert; 3. verkeerd, niet of onvolledig citeert waardoor foute conclusies getrokken worden, en een suggestieve wijze van schrijven hanteert; 4. niet de waarheid schrijft; 5. veel in twijfel trekt en krom maakt wat recht is; 6. in haar onderzoek vooringenomen en niet onafhankelijk is; 7. onzorgvuldig en inconsistent is in de uitvoering van haar onderzoek. RTG Amsterdam verklaart I, II.2, II.3, II.4 en II.7 deels gegrond, legt de arts de maatregel van waarschuwing op, wijst de klacht voor het overige af en bepaalt de publicatie. Klaagster is van die beslissing in beroep gekomen. De arts heeft in de beslissing berust. Het Centraal Tuchtcollege verwerpt het beroep.

  • ECLI:NL:TGZCTG:2017:293 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag c2017.236

    Kaagster verwijt de aangeklaagde huisarts dat zij onzorgvuldig heeft gehandeld door de klachten van buikpijn en obstipatie niet serieus te nemen, door onvoldoende aanvullend onderzoek te hebben gedaan, door haar klachten als psychisch te duiden en door het missen van de diagnose ovariumcarcinoom. Het Regionaal Tuchtcollege wijst de klacht als kennelijk ongegrond af. Het Centraal Tuchtcollege verwerpt het beroep.

  • ECLI:NL:TGZCTG:2017:287 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag c2017.061

    Klager is in beeld bij een centrum voor verslavingszorg in verband met de medicatie die hij behoeft in verband met zijn chronische pijnklachten. Verweerster is in de periode van februari 2015 tot 1 maart 2016 bij dit centrum werkzaam geweest en droeg zorg voor de wekelijkse medicatieverstrekking. Klager verwijt de verpleegkundige dat geen psychiatrisch onderzoek heeft plaatsgevonden, dat geen juiste medicatie is verstrekt en dat hij geen kopie van zijn dossier heeft ontvangen. De verpleegkundige heeft hem niet goed behandeld en hem in het dossier zwart gemaakt, aldus klager. Het Regionaal Tuchtcollege is van oordeel dat de klacht in alle onderdelen kennelijk ongegrond is. Zij heeft de klacht afgewezen. Het Centraal Tuchtcollege onderschrijft het oordeel van het Regionaal Tuchtcollege. Het beroep wordt verworpen.

  • ECLI:NL:TGZCTG:2017:294 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag c2017.299

    De klacht tegen de huisarts betreft de behandeling van de (inmiddels overleden) echtgenoot van klaagster door de huisarts. Klaagster verwijt hem dat hij: 1.niet adequaat heeft gereageerd op de plotselinge bloeding van de urineweg dan wel buik van de echtgenoot van klaagster in de eerste ziektedagen; 2. na de eerste ziekenhuisopname geen enkel contact heeft gezocht met klaagster of haar echtgenoot. Het RTG wijst de klacht af. Het Centraal Tuchtcollege vernietigt de beslissing waarvan beroep voor zover daarbij het onder a genoemde klachtonderdeel ongegrond is verklaard, verklaart dit klachtonderdeel alsnog gegrond, legt de arts de maatregel van waarschuwing op, verklaart klaagster niet-ontvankelijk voor zover zij in beroep nieuwe klachtonderdelen aan de orde heeft gesteld, verwerpt het beroep voor het overige en gelast de publicatie.

  • ECLI:NL:TGZCTG:2017:288 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag c2017.062

    Klager is in behandeling bij een centrum voor verslavingszorg in verband met de medicatie die hij behoeft vanwege zijn chronische pijnklachten. De arts is als Eerste Geneeskundige betrokken om te bemiddelen tussen de hoofdbehandelaar en klager, omdat het behandelproces stagneerde als gevolg van onenigheid tussen hen beiden. De arts heeft klager sedert augustus 2015 drie maal gezien en drie maal telefonisch gesproken. Klager verwijt de arts dat hij klager niet heeft onderzocht en als eerste geneeskundige en daarmee verantwoordelijke voor de hoofdbehandelaar niet zorgvuldig heeft gehandeld en dat hij op klagers verzoek niet het juiste dossier aan hem heeft overhandigd. Het Regionaal Tuchtcollege is van oordeel dat de klacht in alle onderdelen kennelijk ongegrond is. Zij heeft de klacht afgewezen. Het Centraal Tuchtcollege onderschrijft het oordeel van het Regionaal Tuchtcollege. Het beroep wordt verworpen.

  • ECLI:NL:TGZCTG:2017:295 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag c2017.150

    Klacht tegen huisarts. De 32 jarige klager is bekend met diabetes mellitus type II en vertoont op dat punt zorgmijdend gedrag. Op enig moment meldt hij zich met klachten van een vlek aan één oog bij verweerder. Verweerder stelt klager gerust, adviseert het aan te kijken en bij visusklachten en lichtflitsen retour te komen. Klager verwijt verweerder dat deze hem niet meteen naar een oogarts heeft verwezen. Het Regionaal Tuchtcollege heeft de klacht als kennelijk ongegrond afgewezen. Het beroep van klager slaagt; het Centraal Tuchtcollege acht de klacht gegrond en legt aan de huisarts een waarschuwing op.

  • ECLI:NL:TGZCTG:2017:289 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag c2017.063

    Klager is in behandeling bij een centrum voor verslavingszorg in verband met de medicatie die hij behoeft vanwege zijn chronische pijnklachten. Verweerder is zijn hoofdbehandelaar sinds augustus 2015. Klager verwijt de arts – verkort weergegeven – dat hij klager niet heeft onderzocht en niet de juiste medicatie heeft gegeven en dat hij op klagers verzoek niet het juiste dossier aan hem heeft overhandigd. Het Regionaal Tuchtcollege is van oordeel dat de klacht in alle onderdelen kennelijk ongegrond is. Zij heeft de klacht afgewezen. Het Centraal Tuchtcollege onderschrijft het oordeel van het Regionaal Tuchtcollege. Het beroep wordt verworpen.