Zoekresultaten 21811-21820 van de 46732 resultaten

  • ECLI:NL:TAHVD:2017:202 Hof van Discipline 's-Hertogenbosch 170249

    Art. 13 Advocatenwet-beklag Klager beroept zich op de derde grond van artikel 13 lid 1, slotzin Advocatenwet. Aan deze aanwijzingsverplichting ligt ten grondslag het geval dat de Raad voor Rechtsbijstand zelf geen advocaat heeft aangewezen. Dit geval doet zich hier niet voor. Volgens klager is mr. O aangewezen als advocaat. Voor de deken bestaat dan geen aanwijzingsbevoegdheid meer. Naar het oordeel van het hof doet de slottekst van lid 1 niet af aan het bepaalde in lid 2: de deken kan het verzoek steeds wegens gegronde redenen afwijzen. In dit geval had de deken een gegronde reden om het verzoek af te wijzen. Volgt ongegrondverklaring van het beklag.

  • ECLI:NL:TAHVD:2017:209 Hof van Discipline 's-Hertogenbosch 170223

    Art. 13 Advocatenwet-beklag Het hof is van oordeel dat de deken op goede gronden het verzoek van klager heeft afgewezen. De deken heeft immers een advocaat aangewezen om klager bij te staan. Klager heeft geen enkele steekhoudende grond aangevoerd waarom hij van de diensten van deze advocaat geen gebruik zou kunnen maken. Bovendien werpt klager bij voorbaat en eveneens ongegrond bezwaren op tegen alle advocaten in Noord-Nederland. Deze beide omstandigheden leveren gegronde redenen op om het verzoek van klager af te wijzen. Volgt ongegrondverklaring van het beklag.

  • ECLI:NL:TGZRZWO:2017:173 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Zwolle 282/2016

    Klager is boos over zijn behandeling gedurende een opname in het ziekenhuis aan het einde waarvan men hem heeft verzocht te vertrekken. Klager is daarna nog jaren onder behandeling gebleven op de polikliniek van het ziekenhuis. Verweerster was arts assistent ten tijde van de opname op de afdeling reumatologie. Klacht als ongegrond afgewezen nu onvoldoende is gesteld of gebleken dat verweerster een verwijt valt te maken op het punt van de aan klager verstrekte zorg en of informatieverstrekking en of dossiervoering en voorts niet gebleken is dat klager onterecht of op onheuse wijze is gevraagd te vertrekken.

  • ECLI:NL:TAHVD:2017:197 Hof van Discipline 's-Hertogenbosch 170200

    Nu verweerder zijn hoger beroep tegen de beslissing van de raad heeft ingetrokken is de beslissing van de raad onherroepelijk geworden en dient het hof op grond van artikel 56 lid 5 Advocatenwet de ingangsdatum van het onvoorwaardelijk deel van de opgelegde schorsing te bepalen. Daarbij is van belang dat verweerder van 26 juni 2017 tot en met 9 september 2017 geschorst is geweest ingevolge de beslissingen van de raad van 12 juni 2017 met nummers 17-133/DB/ZBW en 17-272/DB/ZWB en dat hij aansluitend op grond van de beslissing van de raad van 4 september 2017 (zaaknr. 17-590/DB/L/d) ex artikel 60ab lid 1 Advocatenwet voor onbepaalde tijd in de uitoefening van de praktijk is geschorst sedert 10 september 2017. Ook deze laatste beslissing is inmiddels onherroepelijk geworden. Het hof bepaalt de volgorde van de door de raad bij de onderhavige beslissing en bij beslissingen met nummers 17-019/DB/ZWB en 17-060/DB/ZWB van gelijke datum opgelegde onvoorwaardelijke schorsingen.

  • ECLI:NL:TGZCTG:2017:303 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag c2017.072

    Klager is gediagnosticeerd met een chronische schizofrene stoornis, waarvoor hij onder meer medicamenteus (soms gedwongen) wordt behandeld. Klager verwijt de verpleegkundige dat hij bij klager de indruk heeft gewekt dat hij bij het zetten van een depot met opzet een luchtbel bij klager wilde inspuiten. Het Regionaal Tuchtcollege heeft de klacht afgewezen, omdat zij van oordeel is dat niet als vaststaand kan worden aangenomen dat de verpleegkundige klager bewust onjuist heeft geïnjecteerd. Het Centraal Tuchtcollege onderschrijft het oordeel van het Regionaal Tuchtcollege. Het beroep wordt verworpen.

  • ECLI:NL:TAHVD:2017:203 Hof van Discipline 's-Hertogenbosch 170236

    Art. 13 Advocatenwet-beklag Voor zover het beklag zich richt tegen enig handelen van de orde van ‘Den Haag’ (kennelijk doelt klager op de deken), is klager niet-ontvankelijk. Klachten kunnen niet worden ingediend bij het Hof van Discipline. Voor zover het beklag zich richt tegen de beslissing van de deken is het hof van oordeel dat de stukken zoals ter kennis gebracht aan het hof niet leiden tot andere gevolgtrekkingen dan in de bestreden beslissing van de deken weergegeven. De argumenten die klager in zijn verzoek en in de verdere correspondentie heeft vermeld, leveren onvoldoende grond op voor aanwijzing van een advocaat. Volgt bekrachtiging van de beslissing van de deken.

  • ECLI:NL:TGZRZWO:2017:174 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Zwolle 147/2017

    Klacht tegen tandarts over verrichting in de dienst. Wortelkanaalbehandeling kon in dit geval als spoedeisend in de dienst worden beschouwd. Klacht ongegrond.

  • ECLI:NL:TGZCTG:2017:298 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag c2017.179

    Klager is gediagnosticeerd als lijdend aan een schizoaffectieve stoornis en cluster B-(persoonlijkheids)problematiek met gevaar voor manisch-psychotische ontregeling door medicatieontrouw. De psychiater is sinds 2009 de behandelaar van klager. Klager verwijt de psychiater dat hij hallucinaties bij klager zou hebben veroorzaakt en dat er sprake zou zijn van homoterreur. Daarnaast merkt klager op dat een diagnose niet van belang is, alsmede dat de psychiater klager vanuit een orgastisch oogpunt bekijkt, problemen die klager aankaart negeert en hem een vrouwelijke therapeut weigert. Het Regionaal Tuchtcollege is – samengevat – van oordeel dat niet is gebleken dat de gedragingen die klager de psychiater verwijt zich hebben voorgedaan. Het Centraal Tuchtcollege onderschrijft het oordeel van het Regionaal Tuchtcollege. Het beroep wordt verworpen.

  • ECLI:NL:TAHVD:2017:198 Hof van Discipline 's-Hertogenbosch 170201

    Nu verweerder zijn hoger beroep tegen de beslissing van de raad heeft ingetrokken is de beslissing van de raad onherroepelijk geworden en dient het hof op grond van artikel 56 lid 5 Advocatenwet de ingangsdatum van het onvoorwaardelijk deel van de opgelegde schorsing te bepalen. Daarbij is van belang dat verweerder van 26 juni 2017 tot en met 9 september 2017 geschorst is geweest ingevolge de beslissingen van de raad van 12 juni 2017 met nummers 17-133/DB/ZBW en 17-272/DB/ZWB en dat hij aansluitend op grond van de beslissing van de raad van 4 september 2017 (zaaknr. 17-590/DB/L/d) ex artikel 60ab lid 1 Advocatenwet voor onbepaalde tijd in de uitoefening van de praktijk is geschorst sedert 10 september 2017. Ook deze laatste beslissing is inmiddels onherroepelijk geworden. Het hof bepaalt tevens de volgorde van de door de raad bij de onderhavige beslissing en bij beslissingen met nummers 17-019/DB/ZWB en 17-132/DB/ZWB/D van gelijke datum opgelegde onvoorwaardelijke schorsingen.

  • ECLI:NL:TAHVD:2017:204 Hof van Discipline 's-Hertogenbosch 170047

    Bekrachtiging van de uitspraak van de raad.