Zoekresultaten 21181-21190 van de 48147 resultaten

  • ECLI:NL:TGZCTG:2018:195 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag C2018.069

    Klacht tegen chirurg. Klaagster heeft zich met een polsfractuur gemeld bij de SEH van het ziekenhuis waar de chirurg werkzaam is. Er volgde een repositie. Drie dagen daarna is klaagster teruggekomen op de gipspoli in verband met pijnklachten. Er volgen twee röntgencontroles met een tussenpauze van een week. De chirurg beoordeelt de conservatief gekozen behandeling – gipsmobilisatie – als juist. Nadien is bij een andere kliniek de diagnose ‘malunion distale radius links met ontregeling ernstig CTS links’ gesteld en is klaagster geopereerd. Het Regionaal Tuchtcollege verwerpt de klacht van klaagster inhoudende 1) dat de chirurg niet adequaat heeft geluisterd, 2) dat de chirurg onvoldoende heeft gehandeld nadat klaagster meerdere malen heeft aangegeven dat zij pijnklachten had sen 3) dat de chirurg klaagster niet heeft doorgestuurd. Het Centraal Tuchtcollege verwerpt het beroep.

  • ECLI:NL:TGZCTG:2018:201 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag C2017.530

    Uit hetgeen vermeld op de patiëntenkaart blijkt dat de tandarts niet de verrichtingen heeft toegepast waarop de gedeclareerde code het oog heeft. Hieruit volgt naar het oordeel van het Centraal Tuchtcollege dat de tandarts een onjuiste code heeft gedeclareerd, hetgeen tuchtrechtelijk verwijtbaar is omdat de tandarts hiermee niet de zorgvuldigheid en nauwgezetheid heeft betracht die van hem verwacht mocht worden. Deze gedraging is naar het oordeel van het Centraal Tuchtcollege zodanig ernstig dat de maatregel van berisping passend en geboden is.

  • ECLI:NL:TGZCTG:2018:189 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag C2017.049

  • ECLI:NL:TGZRSGR:2018:97 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag 2017-168a

    Ongegronde klacht tegen een arts. De arts heeft juist gehandeld door het medicatievoorschrift te controleren nadat bekend werd dat klaagster teveel medicatie had gekregen. Het was niet aan de arts om onderzoek te doen naar de uitvoering van het medicatievoorschrift en zij heeft door onder andere de directeur in te lichten voldoende actie ondernomen. Niet aannemelijk geworden dat de pijnklachten van klaagster het gevolg zijn geweest van de hervatting van het medicatieschema. Ook niet vat komen te staan dat de communicatie ondermaats is geweest, verweerster is steeds met klaagster in contact gebleven. Klacht afgewezen.

  • ECLI:NL:TGZRSGR:2018:98 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag 2017-168b

    Ongegronde klacht tegen een arts. Met de arts is het College van oordeel dat in de gegeven omstandigheden de afwijzing van het verzoek van klaagster om bij haar te kijken niet in strijd was met de zorgplicht. De arts kende klaagster goed, was op de hoogte van haar klachten en pijn en wist dat er afspraken waren gemaakt over ruime pijnmedicatie en zij had geen concrete alarmsignalen gekregen dat sprake was van een afwijkende situatie. Onder deze omstandigheden behoefde zij klaagster niet te bezoeken. Dit geldt temeer indien dat verzoek niet is gedaan of alleen betrekking had op het voorval. Klacht afgewezen.

  • ECLI:NL:TGZCTG:2018:190 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag C2017.388

  • ECLI:NL:TGZRSGR:2018:100 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag 2017-168d

    Ongegronde klacht tegen een internist. Tweede tuchtnorm van toepassing, daar de internist werkzaam is als directeur somatische zorg. Was als directeur somatische zorg of als arts niet verantwoordelijk voor de wijze van verstrekking van de medicatie door de verpleging, maar was er wel van op de hoogte dat het hoofd verpleging en de vestigingsdirecteur doende waren na te gaan hoe de medicatieverstrekking was verlopen. Dat de e-mails van de gemachtigde van klaagster aanvankelijk niet werden beantwoord is onzorgvuldig, maar niet kan worden vastgesteld of dit onder de verantwoordelijkheid van de internist valt. Ook niet gebleken dat de internist enige betrokkenheid heeft gehad voor het beheer van de medicatiedeellijsten. Klacht afgewezen.

  • ECLI:NL:TGZRSGR:2018:99 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag 2017-168c

    Gegronde klacht tegen een verpleegkundige. De verpleegkundige heeft erkend dat hij drie keer een tablet uit de eigen voorraad heeft gegeven, naast de medicatie uit de baxter, waardoor klaagster een te hoge dosering heeft gekregen van de morfine retard. De verpleegkundige had moeten controleren of de verminderde dosering in het kader van de afbouw van de hoge doseringen al was verwerkt, dit had hij kunnen controleren aan de hand van de medicatieverantwoordingslijst en de hoeveelheid pillen die aan klaagster werden verstrekt. Klacht gegrond. Waarschuwing.

  • ECLI:NL:TGZCTG:2018:191 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag C2017.403

    Klacht tegen gz-psycholoog. Klager en zijn toenmalige partner hebben in het kader van relatietherapie vier gesprekken gevoerd met de gz-psycholoog. Tussen het derde en het vierde gesprek in heeft de partner de relatie met klager beëindigd. Klager verwijt de gz‑psycholoog dat (a) hij onprofessioneel, inadequaat en in strijd met de zorgplicht heeft gehandeld door geen dan wel onvoldoende oog te hebben voor het belang van klager in de gevoerde gesprekken; (b) hij onzorgvuldig heeft gehandeld door klager te vertellen over het telefonische contact dat hij met klagers moeder heeft gehad; (c) hij na afloop van de gesprekken niet bereid was om zijn rol in de gesprekken met klager te bespreken; (d) hij geen aandacht had voor klagers zorgen dat de ex-partner zou lijden aan anorexia en de invloed die dit had op de relatie. Het Regionaal Tuchtcollege heeft klager niet-ontvankelijk verklaard in klachtonderdeel d en de klacht voor het overige als kennelijk ongegrond afgewezen. Het beroep van klager slaagt voor wat betreft het klachtonderdeel c. Het Centraal Tuchtcollege vernietigt de beslissing in eerste aanleg, verklaart klachtonderdeel c gegrond en legt aan de gz-psycholoog de maatregel van waarschuwing op.

  • ECLI:NL:TGZCTG:2018:198 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag C2017.297 en C2017.298

    IGZ heeft een klacht ingediend tegen een arts/GZ-psycholoog wegens het buiten de grenzen treden van wat verwacht mag worden van een redelijk bekwaam en redelijk handelend arts/GZ-psycholoog door vermenging van al dan niet professionele rollen, tekortschieten in de zorgverlening, het opstellen van ondeugdelijke declaraties, het tekort schieten in de dossiervoering, schending van het beroepsgeheim en onprofessioneel omgaan met klachten over zijn zorgverlening. Bij aanvullend klaagschrift heeft IGZ een aanvullende klacht ter beoordeling voorgelegd, op basis waarvan eerder al een verzoek tot tenuitvoerlegging van een voorwaardelijk opgelegde maatregel was ingediend bij het CTG. IGZ verzoekt het RTC om ook de klachtonderdelen van deze casus in haar beoordeling mee te nemen die het CTG niet in haar beoordeling tot tenuitvoerlegging heeft betrokken, te weten: het niet bewaken van professionele grenzen, de vermenging van rollen, ondeugdelijk declareren en onvoldoende dossiervoering. Het RTC verklaart de eerste klacht in al haar onderdelen gegrond, legt de maatregel van doorhaling op van de inschrijving in het BIG-register in de hoedanigheid van arts en GZ-psycholoog en verklaart IGZ niet-ontvankelijk in haar aanvullend klaagschrift. De arts/GZ-psycholoog gaat in beroep, IGZ stelt incidenteel appel in tegen de niet-ontvankelijkverklaring van het aanvullend klaagschrift. Het CTG komt in beroep niet tot andere beschouwingen en beslissingen dan het RTC en verwerpt het beroep. In het incidenteel beroep komt het CTG, zij het met een iets andere overweging dan het RTC, eveneens tot niet-ontvankelijkverklaring van het aanvullend klaagschrift op grond van eisen van een behoorlijke tuchtrechtelijke procesorde.