Zoekresultaten 20931-20940 van de 47477 resultaten

  • ECLI:NL:TAHVD:2018:78 Hof van Discipline 's-Hertogenbosch 180106

    Beklag artikel 13 Advocatenwet. Het beklag van klaagster is ongegrond voor wat betreft klaagsters verzoek om een advocaat te wijzen voor het aansprakelijk stellen van haar vorige advocaat, omdat het hof over dezelfde kwestie eerder een beslissing heeft genomen (ne bis in idem). Voor zover klaagster verzoekt om aanwijzing van een advocaat voor bijstand in het kort geding, is het beklag gegrond. Het enkele feit dat voor een verwerende partij in kort geding vertegenwoordiging door een advocaat niet wettelijk is voorgeschreven, is in dit geval onvoldoende reden om het verzoek af te wijzen. Rekening moet worden gehouden met de mogelijkheid dat klaagster een tegeneis wil in stellen - waarvoor ook in kort geding vertegenwoordiging door een advocaat vereist is - en/of dat de voorzieningenrechter ter zitting een schikking wil beproeven, waarbij bijstand door een advocaat dringend gewenst is, gezien de gecompliceerde situatie.

  • ECLI:NL:TAHVD:2018:79 Hof van Discipline 's-Hertogenbosch 180103

    Beklag artikel 13 Advocatenwet. Verzoek om een advocaat aan te wijzen voor het instellen van cassatieberoep. Het beklag is ongegrond. De deken heeft met juistheid geoordeeld dat de voorwaarde, dat de verzoeker niet zelf een advocaat kan vinden, niet is vervuld, nu twee advocaten zich bereid hebben verklaard klager van advies te dienen.

  • ECLI:NL:TGZCTG:2018:123 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag c2017.365

    Patiënte heeft op 7 april 2016 de huisarts geconsulteerd in verband met klachten aan haar rechterschouder. De huisarts heeft patiënte doorverwezen naar een orthopeed. Op 7 juli 2016 is patiënte overleden. Klager verwijt de huisarts, voor zover in beroep van belang, dat zij de ernst van de situatie van patiënte niet heeft onderkend. Het Regionaal Tuchtcollege wijst de klacht af. Het Centraal Tuchtcollege is, evenals het Regionaal Tuchtcollege, van oordeel dat de huisarts voldoende adequaat heeft gehandeld en dat haar geen tuchtrechtelijke verwijt kan worden gemaakt. Het beroep wordt verworpen.

  • ECLI:NL:TGZCTG:2018:136 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag c2017.432

    De aangeklaagde huisarts, heeft contact gehad met de coördinator van Lokaal Zorgnetwerk (bemoeizorg) in verband met signalen dat klaagster niet goed voor zichzelf kon zorgen, zichzelf verwaarloosde en psychotisch was. De huisarts heeft klaagster naar Bavo ACT doorverwezen. Klaagster verwijt de huisarts dat: 1. zij onvoldoende informatie heeft gegeven; 2. zij onterecht en zonder toestemming van klaagster informatie heeft gegeven aan een derde; en 3. dat er sprake is van geestelijke mishandeling van klaagster. Het Regionaal Tuchtcollege wijst de klacht zonder nader onderzoek als kennelijk ongegrond af. Het Centraal Tuchtcollege verwerpt het beroep van klaagster.

  • ECLI:NL:TGZCTG:2018:130 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag c2017.308

    In het algemeen mag er in gevallen als de onderhavige aan de orde vanuit worden gegaan dat de curator de veronderstelde wil van de patiënt tot uiting brengt, tenzij sprake is van feiten of omstandigheden die in een andere richting wijzen. In het onderhavige geval is niet van dergelijke omstandigheden gebleken. Het Centraal Tuchtcollege verklaart klaagster niet-ontvankelijk in haar beroep.

  • ECLI:NL:TGZCTG:2018:124 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag c2017.382 c2017.383 c2017.392 c2017.393

    Enkele dagen nadat klager en zijn (inmiddels) ex-vrouw hebben gehoord dat hun achttienjarige dochter terminaal ziek is en nog maar twee tot zes maanden zal leven escaleert de situatie binnen het gezin tussen klager en zijn (inmiddels) ex-vrouw. De ex-vrouw was in behandeling bij een instelling in verband met borderline persoonlijkheidsproblematiek en klager heeft de therapeute van de ex-vrouw gevraagd om hulp om de zaak te de-escaleren. Deze therapeute wilde klager verwijzen naar de huisarts voor een verwijsbrief. Toen klager daar niet mee instemde is de leidinggevende van de therapeute (de psycholoog/psychotherapeut waartegen de klachten zijn ingediend) erbij betrokken geraakt. Klager dient diverse klachten in over haar handelwijze. Zowel het Regionaal Tuchtcollege als het Centraal Tuchtcollege oordelen dat klager op grond van de eerste tuchtnorm ontvankelijk is in zijn klacht. Het Centraal Tuchtcollege oordeelt dat de psycholoog/psychotherapeut wellicht in eerste instantie als leidinggevende van de therapeute van de ex-vrouw van klager is ingeschakeld, maar dat zij in de daarop volgende handelingen was aan te merken als hulpverlener. Vervolgens wordt de klacht dat de psycholoog/psychotherapeut hulp heeft geweigerd gegrond verklaard. De psycholoog/psychotherapeut had in de gegeven omstandigheden moeten begrijpen dat klager hulp vroeg voor een crisis in het systeem en had bij de vervolgens geboden hulp niet kunnen volstaan met crisisinterventie die uitsluitend zag op een mogelijk veiligheidsrisico, zonder aandacht te hebben voor de vraag hoe in de eerstvolgende dagen verder gehandeld moest worden. Aan de psycholoog/psychotherapeut wordt de maatregel van waarschuwing opgelegd. Diverse andere klachten worden ongegrond verklaard, onder andere omdat de lezingen over de feitelijke gang van zaken uiteenlopen en niet kan worden vastgesteld welke van beide lezingen aannemelijk is.

  • ECLI:NL:TGZCTG:2018:137 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag c2017.435

    Klacht tegen huisarts. Verweerder voert een huisartsenpraktijk samen met zijn echtgenote. Klager verwijt verweerder dat hij klager tot een kennismakingsgesprek en consulten heeft gedwongen om deze te kunnen declareren, dat hij weigert klager zijn noodzakelijke medicatie voor te schrijven, en dat hij niet bestaande testen verzint zoals de verplichte jaarlijkse bloedtest voor epileptici. Het Regionaal Tuchtcollege heeft de klacht afgewezen. Het Centraal Tuchtcollege verwerpt het door klager ingestelde beroep.

  • ECLI:NL:TGZRZWO:2018:101 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Zwolle 090A en 096A/2016

    Klacht Inspectie tegen gz-psycholoog/psychotherapeut. Grenzeloze en potentieel gevaarlijke wijze van contact via WhatsApp met ernstig getraumatiseerde patiënte. WhatsApp-berichten hoeven niet integraal in het dossier te worden opgenomen. Ontzegging van het recht om in beide hoedanigheden op solistische wijze patiënten te behandelen.

  • ECLI:NL:TGZCTG:2018:131 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag c2017.341

    Klacht tegen gz-psycholoog die een Pro Justitia rapportage heeft uitgebracht. De klacht betreft de zorgvuldigheid van de rapportage. Aan klager is een TBS-maatregel opgelegd. Klager wenste niet mee te werken aan het onderzoek. Verweerder heeft in de rapportage daarover genoteerd dat er vanwege deze weigering geen psychodiagnostische conclusies mede vanuit forensische optiek geconcipieerd konden worden. De gz-psycholoog heeft genoteerd dat hij de rapportage met de persoon die belast is met de behandelrapportage, mede door afwezigheid van het Hoofd Behandeling van de TBS-kliniek, heeft doorgesproken en dat uit dit overleg kon worden opgemaakt dat er in grote lijnen overeenstemming was. Klager verwijt de gz-psycholoog dat hij: a) in zijn rapport onvoldoende duidelijk heeft aangegeven welke stukken hij tot zijn beschikking heeft gehad en heeft geraadpleegd; b) blijkens de inhoud van zijn rapport klager gevraagd heeft naar vertrouwelijke informatie tussen klager en zijn advocaat; c) zijn bevindingen rondom klager uitsluitend overlegd heeft met de persoon verantwoordelijk was voor de behandelrapportage en niet met het Hoofd Behandeling van klager, hetgeen in de situatie dat klager niet wenste mee te werken aan het onderzoek onvoldoende was ter controle en beoordeling van zijn bevindingen; d) zonder dat klager aan psychologisch (test-)onderzoek heeft meegewerkt, uitsluitend op basis van dossierinformatie, tot een risicotaxatie van een hoog recidiverisico op (seksueel) gewelddadig gedrag en tot een advies tot continuering van de dwangverpleging voor de duur van twee jaren is gekomen. Het Regionaal Tuchtcollege verklaart de klacht deels gegrond (a), zonder oplegging van maatregel. Het beroep van klager beperkt zich tot de klachtonderdelen c. en d. Het Centraal Tuchtcollege verwerpt het beroep van klager en gelast de publicatie van de uitspraak .

  • ECLI:NL:TGZCTG:2018:125 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag c2017.406

    Patiënte heeft de huisarts vanaf 2012 veelvuldig bezocht met psychische klachten en maagklachten. In mei 2016 is bij patiënte de diagnose gemetastaseerd ovarium carcinoom gesteld. Op 9 juni 2016 is patiënte overleden. Klaagster verwijt de huisarts, voor zover in beroep van belang, dat hij een te afwachtende houding heeft aangenomen, een verkeerde of te late diagnose heeft gesteld en dat hij patiënte onvoldoende snel heeft doorverwezen. Het Regionaal Tuchtcollege heeft de klacht afgewezen. Het Centraal Tuchtcollege is van oordeel dat de huisarts niet nalatig is geweest in de zorg die hij aan patiënte behoorde te verlenen. Het beroep wordt verworpen.