Zoekresultaten 15111-15120 van de 48172 resultaten

  • ECLI:NL:TADRSHE:2020:87 Raad van Discipline 's-Hertogenbosch 20-034/DB/LI/D

    Advocaat is niet in het bezit van een adequate beroepsaansprakelijkheidsverzekering. Sprake van een dusdanig zorgelijke financiële situatie waardoor advocaat in behoorlijke praktijkuitoefening wordt belemmerd. Advocaat is –mede als gevolg van die zorgelijke financiële situatie- betrokken bij een grote hoeveelheid klachtzaken en bemiddelingsverzoeken aan de deken. Bezwaar gegrond. Schrapping. Kostenveroordeling.

  • ECLI:NL:TAHVD:2020:208 Hof van Discipline 's-Hertogenbosch 200082

    Klacht over advocaat wederpartij. Verweerder mocht de wederpartij rechtstreeks benaderen onder de gegeven omstandigheden. Dat een dagvaarding was betekend en aangebracht en de procedure niet was geroyeerd doet daar niet aan af. De procedure lag al acht maanden stil zonder dat er contact was geweest tussen verweerder en de gemachtigde van klagers. Klagers hebben verweerder expliciet bericht van de zaak af te willen, dat zij niet meer worden bijgestaan door de gemachtigde en verzocht om een schikking. Verweerder mocht onder de gegeven omstandigheden op dit bericht vertrouwen. In de tuchtprocedure is door de gemachtigde van klagers geen verklaring van klager overgelegd waaruit blijkt dat klager terug wil(de) komen op de schikking noch dat hij een andere verklaring dan verweerder heeft over de gang van zaken rondom de schikking. Verweerder hoefde een en ander dus niet te verifiëren bij de gemachtigde van klagers. Klacht ongegrond.

  • ECLI:NL:TAHVD:2020:209 Hof van Discipline 's-Hertogenbosch 200107

    Klacht over eigen advocaat. Kwaliteit van de dienstverlening. Verweerder heeft onvoldoende duidelijk gecommuniceerd in reactie op het plan van aanpak van klager, waarin klager voor de zaak essentiële vragen heeft gesteld en het voornemen heeft opgenomen het hoofdkantoor van zijn werkgever aan te schrijven wat een schending van het geheimhoudingsbeding van klager zou (kunnen) meebrengen. Verweerder had klager hierover moeten adviseren en de afspraken schriftelijk vast moeten leggen. Tevens heeft verweerder onvoldoende duidelijk gereageerd op het verzoek van klager een e-mail van de advocaat van de wederpartij over te leggen in de procedure. Als verweerder dat niet wilde doen omdat hij meende dat het confraternele correspondentie betrof, had hij dit schriftelijk moeten terugkoppelen aan klager. De overige klachtonderdelen zijn ongegrond verklaard, omdat die door klager onvoldoende onderbouwd zijn. Waarschuwing.

  • ECLI:NL:TAHVD:2020:210 Hof van Discipline 's-Hertogenbosch 200128W

    Afwijzing wrakingsverzoek. Het hof is van oordeel dat verzoeker zijn verzoek tot wraking van verweerders te laat heeft gedaan. Verzoeker heeft zijn wrakingsverzoek met betrekking tot gebeurtenissen ter zitting van 21 augustus 2020 immers pas eerst op 1 september ingediend. Verzoeker heeft daarover verklaard dat hij alles moest laten bezinken en dat hij zo ontdaan was dat hij niet in staat was een en ander op papier te zetten. Van een professionele rechtsbijstandverlener als verzoeker, die sinds 2006 advocaat is, mag echter worden verwacht dat hij, zoals de wet voorschrijft, het wrakingsmiddel terstond inzet wanneer de redengevende feiten of omstandigheden om te wraken zich voordoen. Hieraan kan weliswaar nog een korte periode voor reflectie worden toegevoegd, maar het hof acht elf dagen daarvoor een te lange periode. Uit het wrakingsverzoek, alsook uit het proces-verbaal van de zitting van 21 augustus 2020, blijkt immers dat verzoeker al op de zitting het gevoel had dat er niet naar hem werd geluisterd, dat er werd gedaan alsof hij een opzettelijke leugenaar zou zijn en dat hij geen eerlijke behandeling van zijn zaak kreeg. Daar had hij op dat moment, of kort daarna, naar kunnen handelen. Aan een inhoudelijke beoordeling van de wrakingsgronden komt de wrakingskamer om die reden niet toe.

  • ECLI:NL:TAHVD:2020:211 Hof van Discipline 's-Hertogenbosch 200133

    Beklag ex art. 5 Advocatenwet tegen de beslissing van de raad van de orde om klagers verzoek tot (her)inschrijving op het tableau niet in behandeling te nemen. Het hof stelt vast dat klager, voordat hij zichzelf van het tableau liet schrappen, in een hooglopend en langdurig conflict was gekomen met de wederpartij van zijn cliënt, de deken van het arrondissement en in diens voetspoor verweerder. Klager is op grond van zijn handelen in die kwestie tuchtrechtelijk veroordeeld en liet zich schrappen toen de deken voornemens was om onderzoek te doen naar klager en zijn kantoorgenoot. Op het moment van klagers verzoek waren nog geen twee jaar verstreken sinds de schrapping. De voorgeschiedenis van de schrapping wordt niet genoemd in het verzoek. Evenmin blijkt eruit dat klager de (zakelijke) banden heeft verbroken met de desbetreffende kantoorgenoot. Klager heeft er tegenover de raad geen blijk van gegeven dat hij zich ervan bewust is dat hij diverse betrokkenen in hun beroeps- of ambtsuitoefening heeft geraakt en mogelijk beschadigd. Aan de suggestie van leden van de raad om daarover met de vorige deken in contact te treden, heeft hij geen gehoor gegeven. Gelet op deze omstandigheden heeft de raad in het licht van de voorgeschiedenis kunnen oordelen dat sprake is van de gegronde vrees dat klager zich, wanneer hij opnieuw tot de balie zou toetreden, andermaal schuldig zou maken aan gedrag dat een behoorlijk advocaat niet betaamt. Beklag ongegrond.

  • ECLI:NL:TAHVD:2020:206 Hof van Discipline 's-Hertogenbosch 200017 en 200018

    Klachten over eigen advocaten. Verweerder in 200018 heeft de letselschadezaak na een kopstaartbotsing van klagers in behandeling genomen. Het hof oordeelt dat verweerder als professional in een tuchtprocedure wordt verwacht dat hij op eigen initiatief inzicht biedt in zijn handelwijze bij de uitoefening van zijn beroep. Gezien het zeer summiere dossier en gebrek aan processtukken in de procedure van klagers acht het hof aannemelijk dat verweerder niet voortvarend heeft gehandeld zoals dat van een behoorlijk advocaat mag worden verwacht. Het overleggen van urenspecificaties is daartoe onvoldoende. Dat hij slecht bereikbaar was is door klagers niet aannemelijk gemaakt. De klacht dat klagers geen opdrachtbevestiging hebben ontvangen van verweerder verklaart het hof ongegrond. De verklaringen van partijen zijn tegenstrijdig over de gang van zaken rondom de opdrachtbevestiging zodat dit zonder een feitelijke grondslag niet kan worden vastgesteld. Het hof acht het aannemelijk dat klagers de opdrachtbevestiging hebben gelezen en getekend gezien de verklaringen in de procedure bij de raad. Tot slot heeft verweerder in tegenstelling tot wat in de opdrachtbevestiging staat klagers niet geïnformeerd toen de schadeverzekeraar verweerder berichtte de declaraties niet te zullen vergoeden. Hierdoor zijn klagers overvallen door de declaraties bij de beëindiging van de dienstverlening. Aan verweerder wordt een berisping opgelegd, nu hij de kernwaarde deskundigheid en financiële integriteit heeft geschonden. Verweerder in 200017 nam het dossier van verweerder in 200018 over toen hij met pensioen ging. Tegen hem wordt alleen de klacht over de te trage dossieroverdracht gegrond verklaard. Nadat een belangenbehartiger van klagers zich had gemeld heeft verweerder het dossier nog 2,5 maand onder zich gehouden. De onduidelijkheid rondom de belangenbehartiging ontstond pas nadat de behartiger al een rappel had gestuurd en was dus geen reden het dossier niet al onverwijld na het eerste verzoek over te dragen. Waarschuwing.

  • ECLI:NL:TGZRSGR:2020:113 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag 2019-264d

    Kennelijk ongegronde klacht tegen een anesthesioloog. In deze zaak staat ter toetsing of beklaagde binnen de gestelde tijd voor spoedoperaties aanwezig was in het ziekenhuis. Het College is van oordeel dat niet is gebleken van onvolkomenheden in het handelen van beklaagde. Klacht kennelijk ongegrond verklaard.

  • ECLI:NL:TGZRSGR:2020:107 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag 2019-264a

    Ongegronde klacht tegen een gynaecoloog. Klagers klagen in het bijzonder over onvoldoende begeleiding door beklaagde van de hoge bloeddruk van klaagster tijdens de zwangerschap. Klaagsters bloeddruk is terecht gekwalificeerd als matige zwangerschapshypertensie. Beklaagde heeft hierop gehandeld conform het protocol van het ziekenhuis en de NVOG-richtlijn “Hypertensieve aandoeningen in de zwangerschap”. Dit protocol vermeldt bij matige zwangerschapshypertensie: “Afhankelijk van de bloeddruk en foetale parameters klinische of frequente poliklinische controle”. Dat beklaagde voor het laatste heeft gekozen valt naar het oordeel van het College binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening. De overige klachtonderdelen zijn ook ongegrond verklaard. Klacht ongegrond verklaard.

  • ECLI:NL:TGZRSGR:2020:114 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag 2019-264g

    Kennelijk ongegronde klacht tegen een verloskundige. Gebleken is dat door beklaagde de nodige onderzoeken zijn verricht en dat er geen aanwijzingen zijn dat beklaagde onzorgvuldig heeft gehandeld. Het College komt tot het oordeel dat beklaagde adequaat en zorgvuldig heeft gehandeld. Klacht kennelijk ongegrond verklaard.

  • ECLI:NL:TGZRSGR:2020:108 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag 2019-264f

    Ongegronde klacht tegen een gynaecoloog. Voor wat betreft de opname overweegt het college dat beklaagde heeft gehandeld conform het protocol van het ziekenhuis en de NVOG-richtlijn “Hypertensieve aandoeningen in de zwangerschap”. Dit protocol vermeldt bij matige zwangerschapshypertensie: “Afhankelijk van de bloeddruk en foetale parameters klinische of frequente poliklinische controle”. Dat beklaagde voor het eerste (de opname) heeft gekozen valt naar het oordeel van het College binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening. De overige klachtonderdelen zijn ook ongegrond verklaard. Klacht ongegrond verklaard.